Waarin m’nheer Bruggemans ergens achter komt en Maccassy en
Blubberdub inbrekers worden.
M’nheer Bruggemans was thuisgekomen van het gemeentehuis en had
dadelijk de boerenfamilie verteld dat de vermoedelijke dieven van de
verdwijn-machine gesnapt waren en dat het dus nu wel uit zou zijn met
al die akeligheid. Koen en Piet waren er bij en ze vroegen of het die
oude heer was met de witte baard en die andere met het zwarte haar en
de zwarte snor, die zij bij het bosch gezien hadden. M’nheer Bruggemans
die niets van witte baarden en zwarte snorren afwist, zei natuurlijk
dat die het niet waren, maar hij vroeg de jongens het een en ander
omtrent die twee vreemdelingen die zij bedoelden en toen kwam hij tot
de gevolgtrekking dat het de twee detectives wel konden zijn, waarover
professor Wells hem in de telefoon gesproken had.
„Komt professor Wells hier?” vroeg Koen.
„Dat weet ik niet jongen. Waarom vraag je dat?”
„Och zoo maar,” antwoordde Koen. „Denkt u dat die detectives hier
gekomen zijn om naar de verdwijn-machine te zoeken?”
„Ik denk dat ze eerder naar de dief zullen zoeken,” zei m’nheer
Bruggemans lachend.
Op dat oogenblik kwam Klaas binnen die naar het dorp geweest was en die
viel, zooals het spreekwoord zegt, zoo maar met de deur in huis:
„Weten jullie ’t al dat ze die rare kerels in de toren gestopt hebben?
Ze hebben d’r allemaal aan meegedaan om ze te vangen, want ze vochten
als duvels. Maar de smid pakte de een bij z’n nek en toen verloor die
z’n haar en z’n baard en de ander had ook al ’n pruik op en ’n
nagemaakte snor.”
„Wat zeg je?” zei m’nheer Bruggemans. „Weet je ’t zeker?”
„Nou wat goed, de smid heeft het me zelf verteld.”
„Wel nou nog mooier,” mompelde m’nheer Bruggemans.... „nou zullen het
toch de detectives zijn.”
M’nheer Bruggemans ging zonder verder ’n woord te zeggen de kamer uit,
sprong op z’n fiets en reed zoo snel hij kon regelrecht naar de
burgemeester.
„Wat mankeert er aan jouw vader?” zei Piet toen ie met Koen ’n paar
minuten later buiten was.
„Ik weet het niet.... ik hoorde hem zeggen: Nou zullen het toch de
detectives zijn.”
„Hoe zei je dat, detec?”
„Detectives... dat zijn ’n soort geheime politieagenten, die
misdadigers opsporen.”
„O.... nou ik geloof wel dat het zoo is.... Toen die eene vanmiddag
achter die fiets aanholde.... waar die onzichtbare kerel op zat... dat
zal de dief wel geweest zijn, denk je ook niet?”
„Dat kan best... ’n onzichtbare dief... ’t wordt hoe langer hoe
mooier.”
„Leelijker wil je zeggen. Weet je wat we doen moesten Koen? We moesten
hem maar weer stiekem naar het bosch zien te brengen op dat plekje waar
jij hem gevonden hebt.”
„Maar jô,” zei Koen, „we zouen de verdwijn-machine aan professor Wells
terugbezorgen en die is, dat heb je toch zelf gehoord, al in Amsterdam.
Vader heeft hem gescheven, dat weet je toch ook.”
„Da’s allemaal goed en wel Koen, maar ik geloof dat we beter doen als
we dat ding brengen waar we ’t vandaan gehaald hebben. Ik heb er niks
mee op.”
„Maar als we hem eens schreven, dat we die machine hebben.... als ik
het nou aan vader vertelde, dan kon die...”
„Nee Koen, dat doen we niet. Ik ben bang voor die onzichtbare kerel,
da’s één. En ik ben bang voor vader, da’s twee. Laten we die machine
weer maar brengen, waar we hem gevonden hebben.”
Koen was het er wel niet mee eens, doch hij liet zich ouder gewoonte
weer door Piet belezen.
Doch hoe moesten ze hem dat lappen? ’t Moest nog diezelfde avond
gebeuren of als dat mislukte in ieder geval de volgende morgen vroeg.
En natuurlijk zonder dat iemand er erg in had.
Die avond kwam er niets van.
M’nheer Bruggemans was zoo hard ie kon naar de burgemeester gefietst.
En onder het fietsen had ie aldoor maar gedacht aan de twee Amerikanen,
die nu als dieven in de toren opgesloten zaten en die waarschijnlijk
amerikaansche detectives waren.
Hoe meer hij er over dacht, des te zekerder leek het hem. Waarom had
die burgemeester hem ook niet gezegd dat die gevangenen er anders
uitgezien hadden dan toen hij ze zag? Hij herinnerde zich nu heel goed,
dat ie zooiets als ’n witte pruik met ’n dito baard en ’n zwarte pruik
op de groene tafel voor de burgemeester had zien liggen. Doch hij had
er verder niet op gelet. Spigoletti heette de een. Dat klonk erg
italiaansch en die eene moet er italiaansch hebben uitgezien met z’n
zwarte pruik.
M’nheer Bruggemans schelde aan bij de burgemeester.
Of de burgemeester thuis was, vroeg ie aan het dienstmeisje.
„Jawel m’nheer... of nee ik weet het niet. Ik zal eens gaan hooren.”
Ze wist het wel, maar de burgemeester deed na het eten altijd een dutje
en wou niet graag in z’n dutje gestoord worden. Dan was ie grommig.
De meid kwam terug met de boodschap dat burgemeester niet te spreken
was. Of m’nheer over ’n half uurtje niet terug kon komen?
Nee dat kon niet. Er was groote haast bij. M’nheer Bruggemans moest de
burgemeester noodzakelijk spreken. Het leed geen uitstel. ’t Was over
die vreemdelingen.
De meid ging weer naar binnen en bleef nogal lang weg. Doch toen ze
eindelijk verscheen. zei ze m’nheer Bruggemans dat ie maar zoolang in
de spreekkamer zou gaan. Burgemeester zou onmiddellijk komen.
Erg onmiddellijk was het niet. Er gingen nog wel tien minuten voorbij
en m’nheer Bruggemans hoorde nog duidelijk ’n luide geeuw eer de deur
openging en de burgemeester binnentrad.
De burgemeester keek m’nheer Bruggemans ’n beetje slaperig aan, maar
toen deze hem zei dat ie kwam om over die twee vreemdelingen in de
toren te spreken, was de burgemeester op slag heelemaal wakker en
heelemaal nijdig.
„M’nheer,” zei de burgemeester, „ik begrijp niet hoe u er toe komt om
me daarvoor uit m’n werk te komen halen, uit m’n werk verstaat u? Ik
kan m’n tijd beter gebruiken dan me nog verder te bemoeien met ’n paar
boeven, die de geheele gemeente in rep en roer gebracht hebben.”
„Maar m’nheer,” antwoordde mijnheer Bruggemans, nu ook ’n beetje boos,
„ik vermoed dat u je vergist. Het zijn geen boeven, maar amerikaansche
detectives.”
„Kan me niet schelen m’nheer, detectives of niet, ze zitten in de bak
en ze blijven er in.”
„En intusschen loopt de echte dief vrij rond en haalt wie weet wat voor
streken uit. Weet u wel dat de echte dief—die Jim Pimpelmees moet
heeten, dat zei professor Wells me vanmiddag in de telefoon—dat die
onzichtbaar is? Naar wat ik hoor, had een van de detectives hem vandaag
bijna te pakken.... en zoo’n man sluit u in de toren op? Waarom heeft u
me vanmiddag niets gezegd van die pruiken en baarden? Dan was alles
dadelijk opgehelderd geweest. Maar u moet zelf weten wat u doet... Ik
heb u gewaarschuwd.”
M’nheer Bruggemans stapte naar de deur om heen te gaan. Hij vond dat ie
nu alles gedaan had wat ie doen kon. Wou de burgemeester niet, nu dat
moest die man dan maar verantwoorden.
„Wacht u es even m’nheer.... wacht u toch es even.... Wat u daar
zegt.... dat brengt me tot nadenken m’nheer.... U kon waarempel wel
eens gelijk hebben m’nheer.... Als dat werkelijk van die detectives
zijn.... en ik geloof nu ook, dat het zoo is.... dan moeten we die
menschen dadelijk op vrije voeten stellen.... We moeten die menschen
zelfs helpen om die andere dief.... Jan Stempeldoos zei u immers?....
te pakken te krijgen.... Gaat u even mee.... u spreekt amerikaansch....
ik ga dadelijk naar de veldwachter om de sleutel van de toren....”
„Met genoegen,” zei m’nheer Bruggemans. „Hoe eer we dat in orde brengen
hoe beter.”
„We doen ’t dadelijk m’nheer....”
De burgemeester en m’nheer Bruggemans fietsten samen naar het huis van
de veldwachter.
De vrouw vertelde hen, dat de veldwachter naar de toren was om die twee
daar brood en drinken te brengen.
„Zoo dat treft,” zei de burgemeester, „dan gaan we dadelijk daar maar
naar toe.”
De vrouw vergat te zeggen, dat haar man al minstens ’n uur geleden
daarheen gegaan was.
Toen ze voor de toren van hun fietsen stapten, zagen ze beiden tegelijk
geen veldwachter, maar wel de sleutel, die nog in ’t slot stak. ’t Was
’n ouderwetsche sleutel, een die wel minstens ’n pond woog en hij zat
met een touw vast aan ’n stevig stuk hout, voor ’t wegraken.
„Heb je nou ooit zoo’n schapekop gezien als die vent?” zei de
burgemeester nijdig. „Nou laat ie me waarempel de sleutel zoo maar in
het slot zitten.”
„Hij zal wel hier in de buurt zijn,” meende m’nheer Bruggemans. „Roept
u maar es.”
„Hallo, veldwachter... hallo!” riep de burgemeester.
Maar er kwam geen antwoord.
„Hij ’s weg,” zei de burgemeester.... „We moesten hem eerst maar gaan
opzoeken hè? Vindt u ook niet?”
„Welnee,” zei m’nheer Bruggemans, „de sleutel is er en dat is alles wat
we noodig hebben. De veldwachter kunnen we best missen. Zal ik de deur
maar opendoen?”
„Zooals u wilt.... Wacht ik zal u met m’n fietslamp bijlichten.”
Dit laatste zei de burgemeester toen m’nheer Bruggemans de deur al open
had.
Die dorps-gevangenis, het arrestantenlokaal zooals het heette, leek ’n
donker hol, waarin niets was dan duisternis, doch toen het scherpe
licht van de carbidlamp er in viel, zagen ze het allebei tegelijk. In
’n hoek tegen de ruwe muur zat de veldwachter met ’n allerongelukkigst
gezicht en uit z’n mond hingen ’n paar punten van ’n zakdoek. ’t Was te
akelig om er naar te zien. Bumpkins en Blubberdub hadden hun werk goed
gedaan. Alle moeite, die de geboeide veldwachter had aangewend om zich
los te wringen, was vergeefs geweest. Z’n beenen en z’n armen waren nog
stevig geboeid.
De burgemeester was in ’n wip bij hem en trok de doek uit z’n mond.
M’nheer Bruggemans sneed de boeien van z’n beenen en armen door met z’n
mes en toen vroeg de burgemeester streng:
„Wat is hier gebeurd veldwachter?”
Met horten en stooten kwam het verhaal er uit en de burgemeester en
m’nheer Bruggemans keken elkaar eens aan.
„Wat denkt u daarvan?” zei de burgemeester eindelijk.
„Ik weet niet wat ik ervan denken moet burgemeester.”
„Maar ik wel,” antwoordde de burgemeester. „Ik denk, dat ik ’t bij ’t
verkeerde eind had met te denken dat het detectives waren. ’t Zijn
gewone gauwdieven, dat zijn het.”
„En of,” zei de veldwachter.
„Er wordt jou niks gevraagd,” zei de burgemeester. „Jij bent ’n ezel om
die twee zoo maar te laten ontsnappen.”
Daarna richtte hij zich weer tot m’nheer Bruggemans: „’t Was toch goed
dat u gekomen bent, al had u ’t dan ook mis. Anders had deze man morgen
nog in dit hok gezeten. Veldwachter jij gaat dadelijk de
rijksveldwachter en de koddebeier opzoeken, en de smid en de
metselaar.... enfin al die lui die ons vanmiddag zoo goed geholpen
hebben. We gaan die twee heeren achtervolgen. Ze kunnen nog niet ver
weg zijn.”
„Nee,” zei de veldwachter, „want hun fietsen staan in ’t gemeentehuis.”
„Ik vraag jou niemendal.... Doe wat je gelast is.... en kom met die
menschen op ’t gemeentehuis. Gaat u mee m’nheer Bruggemans?”
M’nheer Bruggemans zei dat ie daar niets op tegen had en toen stelde de
burgemeester voor, dat ze eerst bij hem thuis even ’n kop thee zouden
gaan drinken.
„Ik denk,” zei de burgemeester toen ze wegfietsten, „dat we een taaie
nacht tegemoet gaan. Ze ontkomen ons niet, dat verzeker ik u.”
Ze deden niet lang over hun kopje thee en toen ze ’n kwartier later bij
het gemeentehuis kwamen, vonden ze daar reeds de koddebeier staan
wachten. De veldwachter was nog op de andere lui uit.
„Goed,” zei de burgemeester, „dan gaan wij maar vast naar binnen. Jij
hebt zeker je fiets bij je?”
„Jawel burgemeester.”
„Als er soms een komt zonder fiets, zeg hem dan dat ie dadelijk z’n kar
gaat halen. Ze moeten allemaal hun fiets bij zich hebben.”
„Goed burgemeester.”
„Je blijft zeker hier wel wachten hè?”
„Jawel burgemeester.”
De burgemeester en m’nheer Bruggemans traden binnen en rookten ’n
sigaar terwijl ze bij de groene tafel zaten, waarop nog de pruiken en
de rest van de vermomming van Bumpkins en Blubberdub lagen. M’nheer
Bruggemans bekeek die dingen en zei toen:
„U neemt me niet kwalijk burgemeester, maar ik houd toch vol, dat ik
gelijk heb.”
„Best m’nheer... we zullen zien. U zegt ’t zijn eerlijke detectives...
ik zeg ’t zijn gemeene gauwdieven.”
Na ’n kwartiertje werd er op de deur getikt en ’n rijksveldwachter met
streepen om z’n mouw, ’t was ’n brigadier, trad binnen. Hij tikte aan
z’n pet.
„Burgemeester ze zijn d’r allemaal.”
„Goed brigadier....”
„Burgemeester d’r is ingebroken in ’t gemeentehuis.... Ze hebben hun
fietsen gestolen.”
„Wat zeg je brigadier.... Hebben ze ingebroken hier in ’t
gemeentehuis?”
„Jawel burgemeester... Raam opengeschoven aan de achterkant....”
„En hun eigen fietsen? Nou vraag ik je m’nheer heb ik nu gelijk of
niet.... Ze breken hier in.... in ’t gemeentehuis.... en ze stelen hun
eigen fietsen.... Zijn dat gauwdieven of niet?”
M’nheer Bruggemans vond ’t niet zoo’n gauwdievenstreek dat die
detectives zich weer meester gemaakt hadden van hun eigen karretjes,
doch hij zei niemendal.
„Dat ziet er leelijk uit brigadier. Ik denk, dat we nu niet veel kans
zullen hebben die lui te snappen.”
„Denk ik ook niet burgemeester, maar we kunnen ’t probeeren. Ik
veronderstel dat ze naar Apeldoorn zijn om met de trein weg te komen.”
„Dat zou mogelijk zijn...”
„En er gaat geen trein meer vanavond.”
„Dat is waar.”
„Dan zijn ze misschien nog in Apeldoorn op te sporen.”
„’t Zou mogelijk zijn burgemeester.”
„Nou willen jullie ’t probeeren?”
„Jawel burgemeester met plezier.... maar we hebben de smid en die
andere lui daar niet bij noodig.... en de veldwachter ook niet.”
„Vanmiddag konden jullie ’t toch ook niet alleen af?”
„Dat is waar burgemeester, maar nou kennen we de lui en kunnen onze
maatregelen nemen.”
„Goed dan. Maar ik ga mee naar Apeldoorn... Gaat u ook mee m’nheer
Bruggemans? Als we ’t geluk hebben die lui te snappen, kunt u ons goede
diensten bewijzen als tolk.”
„Met genoegen burgemeester,” zei m’nheer Bruggemans. „Maar dan wou ik
toch wel even thuis aan m’n vrouw zeggen, waar ik heen ga.”
„Natuurlijk, natuurlijk. We komen u dan wel halen als we voorbij
komen.”
M’nheer Bruggemans fietste naar de boerderij terug.
Het was eigenlijk al lang bedtijd voor de boerenfamilie, maar ze waren
allemaal nog op. Ze hadden het erg druk gehad over de twee
vreemdelingen, die gevangen zaten in de toren en ’t meest nog over die
alleenrijdende fiets. Koen en Piet hadden dat zelf gezien en konden er
dus over meepraten. Toen kwam m’nheer Bruggemans thuis en die vertelde
dat de lui ontsnapt waren.... Hij zei er meteen bij, dat ie niet
geloofde, dat ’t misdadigers waren, doch detectives, dus menschen van
de politie en dat ie met de burgemeester en de rijksveldwachter
meeging.
Mevrouw wou ’t niet hebben, maar m’nheer Bruggemans hield voet bij stuk
en toen hij het schellen hoorde van de burgemeester en de veldwachters,
die langs de boerderij reden, sprong hij op z’n fiets en ging mee.
Van de heele boerenfamilie ging er die avond niemand te ruste, als Mie
die met Berte naar bed gestuurd werd.
Ze hielden met hun allen de wacht.