VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin m’nheer Bruggemans ergens achter komt en Maccassy en

Blubberdub inbrekers worden.

M’nheer Bruggemans was thuisgekomen van het gemeentehuis en had

dadelijk de boerenfamilie verteld dat de vermoedelijke dieven van de

verdwijn-machine gesnapt waren en dat het dus nu wel uit zou zijn met

al die akeligheid. Koen en Piet waren er bij en ze vroegen of het die

oude heer was met de witte baard en die andere met het zwarte haar en

de zwarte snor, die zij bij het bosch gezien hadden. M’nheer Bruggemans

die niets van witte baarden en zwarte snorren afwist, zei natuurlijk

dat die het niet waren, maar hij vroeg de jongens het een en ander

omtrent die twee vreemdelingen die zij bedoelden en toen kwam hij tot

de gevolgtrekking dat het de twee detectives wel konden zijn, waarover

professor Wells hem in de telefoon gesproken had.

„Komt professor Wells hier?” vroeg Koen.

„Dat weet ik niet jongen. Waarom vraag je dat?”

„Och zoo maar,” antwoordde Koen. „Denkt u dat die detectives hier

gekomen zijn om naar de verdwijn-machine te zoeken?”

„Ik denk dat ze eerder naar de dief zullen zoeken,” zei m’nheer

Bruggemans lachend.

Op dat oogenblik kwam Klaas binnen die naar het dorp geweest was en die

viel, zooals het spreekwoord zegt, zoo maar met de deur in huis:

„Weten jullie ’t al dat ze die rare kerels in de toren gestopt hebben?

Ze hebben d’r allemaal aan meegedaan om ze te vangen, want ze vochten

als duvels. Maar de smid pakte de een bij z’n nek en toen verloor die

z’n haar en z’n baard en de ander had ook al ’n pruik op en ’n

nagemaakte snor.”

„Wat zeg je?” zei m’nheer Bruggemans. „Weet je ’t zeker?”

„Nou wat goed, de smid heeft het me zelf verteld.”

„Wel nou nog mooier,” mompelde m’nheer Bruggemans.... „nou zullen het

toch de detectives zijn.”

M’nheer Bruggemans ging zonder verder ’n woord te zeggen de kamer uit,

sprong op z’n fiets en reed zoo snel hij kon regelrecht naar de

burgemeester.

„Wat mankeert er aan jouw vader?” zei Piet toen ie met Koen ’n paar

minuten later buiten was.

„Ik weet het niet.... ik hoorde hem zeggen: Nou zullen het toch de

detectives zijn.”

„Hoe zei je dat, detec?”

„Detectives... dat zijn ’n soort geheime politieagenten, die

misdadigers opsporen.”

„O.... nou ik geloof wel dat het zoo is.... Toen die eene vanmiddag

achter die fiets aanholde.... waar die onzichtbare kerel op zat... dat

zal de dief wel geweest zijn, denk je ook niet?”

„Dat kan best... ’n onzichtbare dief... ’t wordt hoe langer hoe

mooier.”

„Leelijker wil je zeggen. Weet je wat we doen moesten Koen? We moesten

hem maar weer stiekem naar het bosch zien te brengen op dat plekje waar

jij hem gevonden hebt.”

„Maar jô,” zei Koen, „we zouen de verdwijn-machine aan professor Wells

terugbezorgen en die is, dat heb je toch zelf gehoord, al in Amsterdam.

Vader heeft hem gescheven, dat weet je toch ook.”

„Da’s allemaal goed en wel Koen, maar ik geloof dat we beter doen als

we dat ding brengen waar we ’t vandaan gehaald hebben. Ik heb er niks

mee op.”

„Maar als we hem eens schreven, dat we die machine hebben.... als ik

het nou aan vader vertelde, dan kon die...”

„Nee Koen, dat doen we niet. Ik ben bang voor die onzichtbare kerel,

da’s één. En ik ben bang voor vader, da’s twee. Laten we die machine

weer maar brengen, waar we hem gevonden hebben.”

Koen was het er wel niet mee eens, doch hij liet zich ouder gewoonte

weer door Piet belezen.

Doch hoe moesten ze hem dat lappen? ’t Moest nog diezelfde avond

gebeuren of als dat mislukte in ieder geval de volgende morgen vroeg.

En natuurlijk zonder dat iemand er erg in had.

Die avond kwam er niets van.

M’nheer Bruggemans was zoo hard ie kon naar de burgemeester gefietst.

En onder het fietsen had ie aldoor maar gedacht aan de twee Amerikanen,

die nu als dieven in de toren opgesloten zaten en die waarschijnlijk

amerikaansche detectives waren.

Hoe meer hij er over dacht, des te zekerder leek het hem. Waarom had

die burgemeester hem ook niet gezegd dat die gevangenen er anders

uitgezien hadden dan toen hij ze zag? Hij herinnerde zich nu heel goed,

dat ie zooiets als ’n witte pruik met ’n dito baard en ’n zwarte pruik

op de groene tafel voor de burgemeester had zien liggen. Doch hij had

er verder niet op gelet. Spigoletti heette de een. Dat klonk erg

italiaansch en die eene moet er italiaansch hebben uitgezien met z’n

zwarte pruik.

M’nheer Bruggemans schelde aan bij de burgemeester.

Of de burgemeester thuis was, vroeg ie aan het dienstmeisje.

„Jawel m’nheer... of nee ik weet het niet. Ik zal eens gaan hooren.”

Ze wist het wel, maar de burgemeester deed na het eten altijd een dutje

en wou niet graag in z’n dutje gestoord worden. Dan was ie grommig.

De meid kwam terug met de boodschap dat burgemeester niet te spreken

was. Of m’nheer over ’n half uurtje niet terug kon komen?

Nee dat kon niet. Er was groote haast bij. M’nheer Bruggemans moest de

burgemeester noodzakelijk spreken. Het leed geen uitstel. ’t Was over

die vreemdelingen.

De meid ging weer naar binnen en bleef nogal lang weg. Doch toen ze

eindelijk verscheen. zei ze m’nheer Bruggemans dat ie maar zoolang in

de spreekkamer zou gaan. Burgemeester zou onmiddellijk komen.

Erg onmiddellijk was het niet. Er gingen nog wel tien minuten voorbij

en m’nheer Bruggemans hoorde nog duidelijk ’n luide geeuw eer de deur

openging en de burgemeester binnentrad.

De burgemeester keek m’nheer Bruggemans ’n beetje slaperig aan, maar

toen deze hem zei dat ie kwam om over die twee vreemdelingen in de

toren te spreken, was de burgemeester op slag heelemaal wakker en

heelemaal nijdig.

„M’nheer,” zei de burgemeester, „ik begrijp niet hoe u er toe komt om

me daarvoor uit m’n werk te komen halen, uit m’n werk verstaat u? Ik

kan m’n tijd beter gebruiken dan me nog verder te bemoeien met ’n paar

boeven, die de geheele gemeente in rep en roer gebracht hebben.”

„Maar m’nheer,” antwoordde mijnheer Bruggemans, nu ook ’n beetje boos,

„ik vermoed dat u je vergist. Het zijn geen boeven, maar amerikaansche

detectives.”

„Kan me niet schelen m’nheer, detectives of niet, ze zitten in de bak

en ze blijven er in.”

„En intusschen loopt de echte dief vrij rond en haalt wie weet wat voor

streken uit. Weet u wel dat de echte dief—die Jim Pimpelmees moet

heeten, dat zei professor Wells me vanmiddag in de telefoon—dat die

onzichtbaar is? Naar wat ik hoor, had een van de detectives hem vandaag

bijna te pakken.... en zoo’n man sluit u in de toren op? Waarom heeft u

me vanmiddag niets gezegd van die pruiken en baarden? Dan was alles

dadelijk opgehelderd geweest. Maar u moet zelf weten wat u doet... Ik

heb u gewaarschuwd.”

M’nheer Bruggemans stapte naar de deur om heen te gaan. Hij vond dat ie

nu alles gedaan had wat ie doen kon. Wou de burgemeester niet, nu dat

moest die man dan maar verantwoorden.

„Wacht u es even m’nheer.... wacht u toch es even.... Wat u daar

zegt.... dat brengt me tot nadenken m’nheer.... U kon waarempel wel

eens gelijk hebben m’nheer.... Als dat werkelijk van die detectives

zijn.... en ik geloof nu ook, dat het zoo is.... dan moeten we die

menschen dadelijk op vrije voeten stellen.... We moeten die menschen

zelfs helpen om die andere dief.... Jan Stempeldoos zei u immers?....

te pakken te krijgen.... Gaat u even mee.... u spreekt amerikaansch....

ik ga dadelijk naar de veldwachter om de sleutel van de toren....”

„Met genoegen,” zei m’nheer Bruggemans. „Hoe eer we dat in orde brengen

hoe beter.”

„We doen ’t dadelijk m’nheer....”

De burgemeester en m’nheer Bruggemans fietsten samen naar het huis van

de veldwachter.

De vrouw vertelde hen, dat de veldwachter naar de toren was om die twee

daar brood en drinken te brengen.

„Zoo dat treft,” zei de burgemeester, „dan gaan we dadelijk daar maar

naar toe.”

De vrouw vergat te zeggen, dat haar man al minstens ’n uur geleden

daarheen gegaan was.

Toen ze voor de toren van hun fietsen stapten, zagen ze beiden tegelijk

geen veldwachter, maar wel de sleutel, die nog in ’t slot stak. ’t Was

’n ouderwetsche sleutel, een die wel minstens ’n pond woog en hij zat

met een touw vast aan ’n stevig stuk hout, voor ’t wegraken.

„Heb je nou ooit zoo’n schapekop gezien als die vent?” zei de

burgemeester nijdig. „Nou laat ie me waarempel de sleutel zoo maar in

het slot zitten.”

„Hij zal wel hier in de buurt zijn,” meende m’nheer Bruggemans. „Roept

u maar es.”

„Hallo, veldwachter... hallo!” riep de burgemeester.

Maar er kwam geen antwoord.

„Hij ’s weg,” zei de burgemeester.... „We moesten hem eerst maar gaan

opzoeken hè? Vindt u ook niet?”

„Welnee,” zei m’nheer Bruggemans, „de sleutel is er en dat is alles wat

we noodig hebben. De veldwachter kunnen we best missen. Zal ik de deur

maar opendoen?”

„Zooals u wilt.... Wacht ik zal u met m’n fietslamp bijlichten.”

Dit laatste zei de burgemeester toen m’nheer Bruggemans de deur al open

had.

Die dorps-gevangenis, het arrestantenlokaal zooals het heette, leek ’n

donker hol, waarin niets was dan duisternis, doch toen het scherpe

licht van de carbidlamp er in viel, zagen ze het allebei tegelijk. In

’n hoek tegen de ruwe muur zat de veldwachter met ’n allerongelukkigst

gezicht en uit z’n mond hingen ’n paar punten van ’n zakdoek. ’t Was te

akelig om er naar te zien. Bumpkins en Blubberdub hadden hun werk goed

gedaan. Alle moeite, die de geboeide veldwachter had aangewend om zich

los te wringen, was vergeefs geweest. Z’n beenen en z’n armen waren nog

stevig geboeid.

De burgemeester was in ’n wip bij hem en trok de doek uit z’n mond.

M’nheer Bruggemans sneed de boeien van z’n beenen en armen door met z’n

mes en toen vroeg de burgemeester streng:

„Wat is hier gebeurd veldwachter?”

Met horten en stooten kwam het verhaal er uit en de burgemeester en

m’nheer Bruggemans keken elkaar eens aan.

„Wat denkt u daarvan?” zei de burgemeester eindelijk.

„Ik weet niet wat ik ervan denken moet burgemeester.”

„Maar ik wel,” antwoordde de burgemeester. „Ik denk, dat ik ’t bij ’t

verkeerde eind had met te denken dat het detectives waren. ’t Zijn

gewone gauwdieven, dat zijn het.”

„En of,” zei de veldwachter.

„Er wordt jou niks gevraagd,” zei de burgemeester. „Jij bent ’n ezel om

die twee zoo maar te laten ontsnappen.”

Daarna richtte hij zich weer tot m’nheer Bruggemans: „’t Was toch goed

dat u gekomen bent, al had u ’t dan ook mis. Anders had deze man morgen

nog in dit hok gezeten. Veldwachter jij gaat dadelijk de

rijksveldwachter en de koddebeier opzoeken, en de smid en de

metselaar.... enfin al die lui die ons vanmiddag zoo goed geholpen

hebben. We gaan die twee heeren achtervolgen. Ze kunnen nog niet ver

weg zijn.”

„Nee,” zei de veldwachter, „want hun fietsen staan in ’t gemeentehuis.”

„Ik vraag jou niemendal.... Doe wat je gelast is.... en kom met die

menschen op ’t gemeentehuis. Gaat u mee m’nheer Bruggemans?”

M’nheer Bruggemans zei dat ie daar niets op tegen had en toen stelde de

burgemeester voor, dat ze eerst bij hem thuis even ’n kop thee zouden

gaan drinken.

„Ik denk,” zei de burgemeester toen ze wegfietsten, „dat we een taaie

nacht tegemoet gaan. Ze ontkomen ons niet, dat verzeker ik u.”

Ze deden niet lang over hun kopje thee en toen ze ’n kwartier later bij

het gemeentehuis kwamen, vonden ze daar reeds de koddebeier staan

wachten. De veldwachter was nog op de andere lui uit.

„Goed,” zei de burgemeester, „dan gaan wij maar vast naar binnen. Jij

hebt zeker je fiets bij je?”

„Jawel burgemeester.”

„Als er soms een komt zonder fiets, zeg hem dan dat ie dadelijk z’n kar

gaat halen. Ze moeten allemaal hun fiets bij zich hebben.”

„Goed burgemeester.”

„Je blijft zeker hier wel wachten hè?”

„Jawel burgemeester.”

De burgemeester en m’nheer Bruggemans traden binnen en rookten ’n

sigaar terwijl ze bij de groene tafel zaten, waarop nog de pruiken en

de rest van de vermomming van Bumpkins en Blubberdub lagen. M’nheer

Bruggemans bekeek die dingen en zei toen:

„U neemt me niet kwalijk burgemeester, maar ik houd toch vol, dat ik

gelijk heb.”

„Best m’nheer... we zullen zien. U zegt ’t zijn eerlijke detectives...

ik zeg ’t zijn gemeene gauwdieven.”

Na ’n kwartiertje werd er op de deur getikt en ’n rijksveldwachter met

streepen om z’n mouw, ’t was ’n brigadier, trad binnen. Hij tikte aan

z’n pet.

„Burgemeester ze zijn d’r allemaal.”

„Goed brigadier....”

„Burgemeester d’r is ingebroken in ’t gemeentehuis.... Ze hebben hun

fietsen gestolen.”

„Wat zeg je brigadier.... Hebben ze ingebroken hier in ’t

gemeentehuis?”

„Jawel burgemeester... Raam opengeschoven aan de achterkant....”

„En hun eigen fietsen? Nou vraag ik je m’nheer heb ik nu gelijk of

niet.... Ze breken hier in.... in ’t gemeentehuis.... en ze stelen hun

eigen fietsen.... Zijn dat gauwdieven of niet?”

M’nheer Bruggemans vond ’t niet zoo’n gauwdievenstreek dat die

detectives zich weer meester gemaakt hadden van hun eigen karretjes,

doch hij zei niemendal.

„Dat ziet er leelijk uit brigadier. Ik denk, dat we nu niet veel kans

zullen hebben die lui te snappen.”

„Denk ik ook niet burgemeester, maar we kunnen ’t probeeren. Ik

veronderstel dat ze naar Apeldoorn zijn om met de trein weg te komen.”

„Dat zou mogelijk zijn...”

„En er gaat geen trein meer vanavond.”

„Dat is waar.”

„Dan zijn ze misschien nog in Apeldoorn op te sporen.”

„’t Zou mogelijk zijn burgemeester.”

„Nou willen jullie ’t probeeren?”

„Jawel burgemeester met plezier.... maar we hebben de smid en die

andere lui daar niet bij noodig.... en de veldwachter ook niet.”

„Vanmiddag konden jullie ’t toch ook niet alleen af?”

„Dat is waar burgemeester, maar nou kennen we de lui en kunnen onze

maatregelen nemen.”

„Goed dan. Maar ik ga mee naar Apeldoorn... Gaat u ook mee m’nheer

Bruggemans? Als we ’t geluk hebben die lui te snappen, kunt u ons goede

diensten bewijzen als tolk.”

„Met genoegen burgemeester,” zei m’nheer Bruggemans. „Maar dan wou ik

toch wel even thuis aan m’n vrouw zeggen, waar ik heen ga.”

„Natuurlijk, natuurlijk. We komen u dan wel halen als we voorbij

komen.”

M’nheer Bruggemans fietste naar de boerderij terug.

Het was eigenlijk al lang bedtijd voor de boerenfamilie, maar ze waren

allemaal nog op. Ze hadden het erg druk gehad over de twee

vreemdelingen, die gevangen zaten in de toren en ’t meest nog over die

alleenrijdende fiets. Koen en Piet hadden dat zelf gezien en konden er

dus over meepraten. Toen kwam m’nheer Bruggemans thuis en die vertelde

dat de lui ontsnapt waren.... Hij zei er meteen bij, dat ie niet

geloofde, dat ’t misdadigers waren, doch detectives, dus menschen van

de politie en dat ie met de burgemeester en de rijksveldwachter

meeging.

Mevrouw wou ’t niet hebben, maar m’nheer Bruggemans hield voet bij stuk

en toen hij het schellen hoorde van de burgemeester en de veldwachters,

die langs de boerderij reden, sprong hij op z’n fiets en ging mee.

Van de heele boerenfamilie ging er die avond niemand te ruste, als Mie

die met Berte naar bed gestuurd werd.

Ze hielden met hun allen de wacht.

De verdwijn-machine · 第 18 / 19 题