LAATSTE HOOFDSTUK.

Waarin professor Wells z’n verdwijn-machine terugkrijgt en alles

weer zichtbaar wordt, behalve het sigarenpijpje van m’nheer

Bruggemans.

Professor Wells en Jim Pimpelmees arriveerden met de laatste trein in

Apeldoorn. De professor droeg zelf ’n klein koffertje, dat ie geen

oogenblik gedurende de reis uit het oog verloren had. Hij had ’t zelfs

niet eens losgelaten toen ’t naast hem op de bank stond. ’t Kistje leek

sprekend op dat wat in ’t kippenhok stond. ’t Was de andere helft van

de verdwijn-machine, die Jim Pimpelmees hem teruggegeven had.

Nu gingen ze het andere koffertje halen. Jim Pimpelmees had beloofd het

aan professor Wells te bezorgen en professor Wells had daarvoor Jim

beloofd hem weer gewoon zichtbaar te zullen maken.

Professor Wells had schik en Jim Pimpelmees ook.

Jim Pimpelmees had op z’n neus, die alleen uit verf bestond, ’n bril

met donkere glazen. Zoo leek hij als je niet al te nauwkeurig keek, op

’n gewoon mensch. Natuurlijk droeg ie ook handschoenen.

Jim Pimpelmees had in Apeldoorn willen overnachten, maar professor wou

van geen uitstel hooren. Hij huurde onmiddellijk ’n auto en Jim moest

wel mee al was ’t ook tegen z’n zin. Hij beweerde dat zoo’n eerlijke

zaak als het terughalen van die machine veel beter bij dag kon

gebeuren. Professor Wells voerde daartegen in, dat ie z’n machine zoo

gauw mogelijk weer in z’n bezit wou hebben. Hij had ’t nu al lang

genoeg zonder moeten doen en bovendien deed die machine in vreemde

handen meer kwaad dan goed naar het scheen. Jim Pimpelmees moest naast

de chauffeur gaan zitten. Jim sprak hollandsch en wist de weg.

Na vijf minuten vroeg professor Wells of ’t niet ’n beetje vlugger kon

en toen de chauffeur aan dat verzoek voldaan had, duurde het geen vijf

minuten of professor Wells vond dat het nog te langzaam ging. Maar de

chauffeur weigerde nog harder te rijden. Hij beweerde dat ie al

minstens tachtig kilometer reed en dat vond ie welletjes. Professor

Wells mopperde en zei dat ie nog nooit in zoo’n miserabele kar had

gezeten. Jim Pimpelmees lachte maar eens en zei tegen de chauffeur dat

de professor heel tevreden was.

Toen ze zoowat ’n kwartier gereden hadden, schakelde de chauffeur

plotseling de motor uit. De auto liep door z’n eigen vaart voort en

professor Wells riep:

„Wat is dat nou?”

„D’r is ginds wat op de weg,” zei de chauffeur. „Ik rijd niet graag de

een of ander overhoop.”

„Fietsen,” zei Jim Pimpelmees, „’t zijn carbidlampen.”

„Maar die rijen niet,” zei de chauffeur, „die lampen staan stil.”

„Nou wat zou dat dan?” vroeg Jim Pimpelmees.

„Rij op,” riep professor Wells... „Dat geleuter, daar schiet ik niks

mee op.”

De auto had nog ’n aardig vaartje en ze naderden nog tamelijk snel de

plek waar de fietslantarens brandden. De chauffeur zat gereed om te

remmen. Hij keek scherp voor zich uit. Jim Pimpelmees zat voorover

gebogen en deed ook z’n best om te zien wat daar voor hen op de weg

gebeurde. Professor Wells stond in de wagen en tuurde ook.

„Daar loopen lui hard heen en weer,” zei de chauffeur.

„Ze vechten,” riep Jim... „Kijk daar hebben ze er een te pakken.”

„Hij is weer los,” zei de chauffeur.

„Toen hoorden ze wat roepen en er klonk ’n schot.

„Ik ga terug,” zei de chauffeur.

„Dat zal je wel laten,” zei Jim.

Maar de chauffeur remde al.

„Doorrijen!” schreeuwde professor Wells. „Doorrijen! Vooruit

doorrijen.”

„Rijen!” gebood Jim.

„Ik verdraai het,” zei de chauffeur. „Ik rij niet. Denk je dat ik ’n

kogel in m’n lichaam hebben wil? Dank je wel hoor.”

De wagen stond stil en de chauffeur stapte uit.

„Nou, als jij niet rijen wil, zal ik het wel doen,” zei Jim.

Hij ging doodbedaard op de chauffeur z’n plaats zitten, trapte even met

z’n voet op ’n pedaal en de auto ging weer vooruit. Maar nu sprong de

chauffeur op de treeplank en begon te remmen en Jim zag geen kans hem

met z’n eene hand dat heelemaal te beletten. Zoo kon je niet rijden.

Hij stopte dus maar weer.

„Maak nou maar geen herrie,” zei hij tegen de chauffeur. „We moeten

verder. We hebben geen zin om hier te blijven staan.”

„En ik rij niet,” riep de chauffeur, „’t zal niet gebeuren.”

Maar ze waren met de auto toch weer ’n eindje vooruitgekomen en zagen

bij hun sterke autolampen, dat daar voor hen werkelijk iets gebeurde

dat op ’n gevecht leek.

Jim Pimpelmees zei tegen professor Wells, dat ie er niets aan doen kon

of hij moest geweld gebruiken. Hij vond dat ze met hun beiden best die

chauffeur aan konden. ’t Was maar ’n klein kereltje. Doch daarvan wilde

professor Wells niets weten. Hij zei aan Jim Pimpelmees, dat ie de

chauffeur tien dollar extra zou geven als hij doorreed.

„Tien dollar!” zei de chauffeur toen Jim hem de woorden vertaald had in

’t hollandsch. „Tien dollar... dat is vijf en twintig gulden?”

„Juist, dat is vijf en twintig gulden. Zoo’n fooi krijg je niet iedere

nacht hè.”

„Ik doe ’t,” besloot de chauffeur. „Voor vijf en twintig gulden rijd ik

daar de heele vechtpartij onderste boven. Op zij.”

Jim Pimpelmees schoof op zij en de chauffeur ging weer voor ’t

stuurwiel zitten. Doch nauwelijks reed de auto weer, of professor Wells

riep: „Stop! Stop! Ze hebben Blubberdub en Maccassy te pakken. Stop

Jim. Stop.”

Maar Jim riep: „Rij door chauffeur, rij door! Doorrijen.”

Jim Pimpelmees had ook gezien wie ze daar op de weg te pakken hadden,

doch daar hij geen speciale vriend was van die twee detectives wou hij

maar doorrijen. Wat was er gebeurd?

Maccassy en Blubberdub waren op hun fietsen zonder licht weggeraced op

goed geluk af. Ze wisten de weg niet. Doch hun allereerste zorg was ’n

eind weg te komen; waarheen, dat deed er op ’t oogenblik minder toe. Ze

waren echter aan ’t dwalen geraakt in de duisternis en toen ze

eindelijk de groote weg weer te pakken kregen, reden ze ongelukkig

genoeg de burgemeester met de veldwachters in de armen.

Ze werden onmiddellijk herkend en zij van hun kant twijfelden er geen

oogenblik aan dat ’t om hen te doen was.

Die amerikaansche detectives waren echter voor geen klein geruchtje

vervaard, ze sprongen van hun fietsen en boksten er oogenblikkelijk op

los, maar toen de brigadier ’n revolver voor den dag haalde en ’n schot

in de lucht loste, begrepen ze dat ’t meenens werd en daar ze zelf geen

vuurwapens bij zich hadden, gingen ze er oogenblikkelijk vandoor. Aan

weerskanten van de weg waren dichte bosschen en ze sprongen vlug als

katten het kreupelhout in. Wat ze echter niet wisten, was dat heel veel

bosschen op de Veluwe door ijzergaas van manshoogte zijn afgesloten en

ze holden dus tegen zulk ijzergaas aan. En hoe ze ook liepen overal

stond dat ijzergaas voor hun neus. Ze konden niet weg. Ze probeerden er

over te klauteren, maar toen hadden de veldwachters hen weer te pakken.

Maccassy en Blubberdub moesten het onderspit delven.

Toen ’t zoover was, naderde net de auto en schreeuwde professor Wells:

„stop! stop!” en riep Jim Pimpelmees: „rij door! rij door!”

Professor Wells bewerkte de chauffeur met z’n vuisten, toen deze niet

gauw genoeg deed wat ie verlangde en om geen ongeluk te krijgen liet de

chauffeur de auto met ’n ruk stilstaan. Jim Pimpelmees schoot er uit en

professor Wells hing over de chauffeur heen.

’t Was ’n rare vertooning. Maar Maccassy stevig door de veldwachter en

de burgemeester vastgehouden, herkende onmiddellijk de professor en

niet minder snel Jim Pimpelmees, al had ie ’n donkere bril op. Dit

kunnen detectives nu eenmaal.

M’nheer Bruggemans stond ’n eindje verder bij de brigadier, die met z’n

revolver Blubberdub in bedwang hield en wist niet hoe hij ’t had, toen

die auto daar zoo plotseling stopte en Jim Pimpelmees er uitvloog. Hij

wist natuurlijk niet wie dat was.

Professor Wells werkte zich uit z’n rare positie overeind en riep:

„Maccassy en Blubberdub wat gebeurt hier toch?”

Toen begreep m’nheer Bruggemans als bij ingeving, dat daar in die auto

professor Wells stond en hij trad op hem toe:

„Is u professor Wells van Yale?”

„Ja m’nheer, die ben ik.”

„Mijn naam is Bruggemans.... Ik had vanmiddag het genoegen met u te

telefoneeren.”

„O.... was u dat.... nu.... wat verder?”

„Als u toen de ware namen van deze twee heeren had genoemd, was dit

niet gebeurd. Ze zijn nu als dieven gevangen genomen, ontvlucht en weer

gepakt.”

„Prachtig,” zei Jim Pimpelmees.

Maar nog nauwelijks had ie dat gezegd of Blubberdub riep: „Pak die

vent, dat is de dief.”

Doch de veldwachters verstonden geen engelsch en ze pakten Jim niet.

En toen zei professor Wells: „Er hoeft hier niemand gepakt te worden

Blubberdub. Deze Jim Pimpelmees bezorgt me mijn machine terug en

daarmee is de zaak afgedaan.”

„Dat zullen we dan eerst nog eens zien,” mompelde Maccassy.

„Nee, nee,” zei professor Wells, „de zaak is hiermee uit.... Ik

verklaar dat Jim Pimpelmees geen gewone dief is, maar ’n... nu ja, wat

ie wel is, daar moet ik eerst nog eens over prakkezeeren.”

De heer Bruggemans haastte zich de heele zaak uit te leggen aan de

burgemeester en de veldwachters, die er maar half tevreden mee waren,

want ze hadden ze nu toch maar te pakken. De burgemeester zei echter,

dat ze onmiddellijk die twee Amerikanen moesten loslaten.

„Ziezoo,” zei professor Wells, „en nu gaan we de machine halen.”

„Wat?” zei m’nheer Bruggemans. „Waar is dat ding dan?”

„In ’t kippenhok,” zei Jim Pimpelmees lachend.

’n Kwartier later kwam de heele stoet op de boerderij aan en de

boerenfamilie wist niet wat er aan de hand was. De burgemeester en

m’nheer Bruggemans wilden net beginnen met hen de zaak duidelijk te

maken, toen de boer in de gaten kreeg, dat Jim Pimpelmees regelrecht op

het kippenhok aanstapte met professor Wells achter zich.

„Ho, ho,” zei de boer. „Wat mòt dat? Vooruit van m’n kippenhok

vandaan.”

„O jé,” fluisterde Koen tot Piet... „die vreemde kerel weet er alles

van. Nou zijn we d’r bij.”

„Ssst”.... deed Piet. „Hou je mond jô.”

M’nheer Bruggemans kwam nu tusschenbeide en Piet die de sleutel had,

moest ’t kippenhok open maken. Jim Pimpelmees ging er binnen en kwam ’n

oogenblik later met het koffertje te voorschijn, dat hij aan professor

Wells overhandigde. De vreugde stond op professor Wells z’n gezicht en

hij zei:

„Ziezoo.... dat heb ik terug en ik scheid er m’n heele leven niet meer

van. Hier hebben we niets meer te maken. Kom Maccassy en Blubberdub en

jij ook Jim, jullie rijdt in de auto mee terug. En morgen vertrekken we

naar Amerika.”

Doch nu kwam m’nheer Bruggemans nog eens tusschenbeide:

„Professor,” zei hij, „ik heb nog ’n vriendelijk verzoek aan u. Zoudt u

die telefoonpaal en de haan en het groote varken niet eerst weer

zichtbaar willen maken? Die menschen hier hebben veel onrust uitgestaan

door uw machine en de boer wilde toch zoo graag met het varken naar de

tentoonstelling.”

„Wel,” antwoordde professor Wells, „met plezier. Waar is die haan?”

„In ’t kippenhok natuurlijk,” zei Piet toen m’nheer Bruggemans de

woorden van professor Wells in ’t hollandsch had overgebracht.

„Haal ’m er uit zei,” de professor.

„Ik kan ’m niet vinden,” zei Piet. „’t Is nou te donker.”

„Eerst ’t varken,” zei de boer, en bij ’t licht van ’n carbidlamp

gingen ze allemaal naar het land. Professor Wells had beide koffertjes

bij zich. Hij had er wel maar één noodig, doch dat andere wilde hij

niet uit ’t oog verliezen. Toen ze ’t touw hadden gegrepen, dat aan ’t

onzichtbare varken z’n poot zat, dreven ze het naar professor Wells toe

en die begon dadelijk. Er gebeurde eigenlijk niemendal. Alleen hield

hij weer zoo’n knop tegen het varken aan. Maar iedereen kon zien, dat

’t langzamerhand zichtbaarder werd en na ’n half uur was ’t beest weer

kant en klaar.

„’t Is grooter geworden, zou ik zeggen,” zei Klaas.

„Grooter niet, maar wel vetter,” zei de boer. „Jongens daar krijgen we

de volgende week vast de eerste prijs mee.”

De rest kon de boer niemendal schelen. Hij keek er niet naar uit toen

professor Wells de paal weer zichtbaar maakte.

Maar de haan bleef onzichtbaar. Piet zei dat ie ’m niet vinden kon en

professor Wells wou de volgende dag niet terugkomen.

„Ik kon ’m wel vinden,” zei Piet de volgende dag tegen Koen, „want hij

zit altijd vooraan.”

„Waarom dee je ’t dan niet?”

„Och jô.... ’n zichtbare haan kan je niet voor geld laten kijken, maar

’n onzichtbare wel. Begrijp je ’t nou?”

„O,” zei Koen, „zit ’t zoo. Wij zijn er anders goed afgekomen hè?”

„Ja,” zei Piet. „Als je je mond maar kan houen, kom je er altijd goed

af.”

„Toch vind ik, dat we verkeerd gedaan hebben, we hadden ’t moeten

zeggen, dadelijk al.”

„Je moet es in m’n spaarpot kijken,” zei Piet, „allemaal centen van die

witte.”

„Ja als ’t om centen te doen is.”

De burgemeester gaf de veldwachter ’n nieuwe sabel en hij hield de

onzichtbare. Maar hij bewaarde hem in ’n vochtige kast er toen hij ’m

’n poos daarna aan iemand wou vertoonen, zat de sabel dik onder de

roest en was toen toch weer zichtbaar.

M’nheer Bruggemans had z’n onzichtbare pijp heel stiekem bewaard en nam

’m mee naar Amsterdam. Maar reeds de eerste avond liet hij ’t pijpje in

’n aschbakje liggen en de volgende morgen was ’t weg. De meid had het

aschbakje leeggemaakt zonder ’n pijp te zien natuurlijk.

Jim Pimpelmees werd door professor Wells weer gewoon zichtbaar gemaakt

en maakte toen dat ie wegkwam. Hij was ’n beetje bang voor Maccassy en

Blubberdub vanwege de vreemde dingen, die hij van vroeger nog op z’n

geweten had.

Zoo was dan de witte haan nog ’t eenige onzichtbare ding in Nederland.

Doch reeds na ’n maand kreeg Koen ’n briefkaart van Piet en die luidde:

Waarde Vriend,

Deze is dienende om u te melden, alsdat de witte haan door Klaas

doodgegooid is. Hij smeet met z’n klomp naar de kat, die uit de

melkemmer likte en hij raakte de witte. Hij lag op z’n rug vlak bij

de emmer, want toen ie dood was, kon je ’m weer zien. Het is erg

jammer. Vele groeten van

Piet.

De verdwijn-machine · 第 19 / 19 题