Waarin professor Wells de onzichtbare man tegenover zich heeft en
met hem op reis gaat om de verdwijn-machine terug te krijgen.
Professor Wells zat in z’n kamer en keek maar zoo’n beetje het raam
uit. ’t Begon al donker te worden en op de breede Amstel waar hij op
uitkeek, kwam al hier en daar ’n lichtje te voorschijn. Hij keek er
naar hoe die lichtjes zich als levende vuurslangen in het water
spiegelden en onderhand dacht ie er aan waar toch z’n twee detectives
gebleven mochten zijn. Hij had hen de heele dag niet gezien. Hij vond
het eigenlijk niet erg aangenaam, dat die politiemannen hem zoo overal
buiten lieten. Op die manier had hij evengoed in Amerika kunnen
blijven. Hij wou zelf meedoen, zelf ’n werkzaam aandeel hebben in het
terugkrijgen van z’n verdwijn-machine. Maar het leek er weinig op, dat
ie z’n machine gauw weer in z’n bezit zou hebben. Hij was er verder af
dan ooit te voren, peinsde hij. Zoolang hij in Amerika was, had ie
tenminste de eene helft er nog van, doch sedert z’n verblijf op dat
mooie oceaanschip had ie niemendal meer over van z’n wonderbare
uitvinding. Hij begreep nog maar altijd niet hoe die machine op het
schip gestolen kon zijn uit z’n hut. En de twee beroemde detectives
snapten er evenmin iets van, dat was zoo duidelijk als iets.
Midden in z’n overpeinzingen werd hij gestoord door ’n tik op de deur.
Professor Wells keek dadelijk op, want de deur ging tegelijk met het
tikken open. Degeen die geklopt had, vond het zeker niet noodig te
wachten tot professor Wells „binnen” riep.
’t Was in de kamer wel ’n beetje schemerig maar toch nog licht genoeg
om iemand te kunnen onderscheiden die binnenkwam. En dat was het nu
juist wat professor Wells ten zeerste verwonderde, hij zag wel de deur
open en dicht gaan, doch hij zag niemand binnen treden.
„Die heeft zich zeker vergist,” dacht hij en keek maar weer het venster
uit, doch slechts ’n oogenblik, want hij hoorde vlak bij zich „h-hm”
alsof daar iemand stond die ’n beetje verlegen was en niet goed wist
hoe hij beginnen moest.
Professor Wells zag niemand en hij had dat „h-hm” toch zoo duidelijk
gehoord. Hij keek de heele kamer door maar niets was er te ontdekken,
dat „h-hm” kon zeggen. Er was geen levende ziel. De kamer was leeg.
’n Mensch kan soms heel duidelijk droomen en dan hoor je dikwijls
stemmen, die er toch ook niet zijn. Maar dan slaap je. Als je wakker
bent, komt dat bij ’n gezond mensch niet voor. En professor Wells was
zoo gezond als ’n visch.
„Professor.”
Professor Wells vloog oogenblikkelijk uit z’n stoel overeind. Dat was
nou toch te gek. Hij hoorde duidelijk dat iemand hem aansprak, iemand
natuurlijk. Als je aangesproken werd met „professor” dan was er iemand,
maar hij zag niemand. Professor Wells was met twee stappen bij het
knopje van het electrische licht. Knip! De kamer was daghelder. Er was
niemand aanwezig dan hijzelf.
„Professor mag ik u even lastig vallen? ’n Oogenblikje maar.”
’t Was precies of iemand vlak voor hem stond die dat zei.
Professor Wells was niet heel bang, maar dat was nu toch eerlijk gezegd
’n klein beetje griezelig, dat er zoo maar uit de leege lucht ’n stem
tegen je zei: „Professor mag ik je even lastig vallen.” Hij kreeg er
kippevel van en hij voelde iets op z’n kale hoofd alsof daar z’n haren
recht overeind gingen staan. Hij wou iets antwoorden, doch er kwam geen
geluid over z’n lippen. Z’n tong leek wel aan z’n gehemelte
vastgekleefd en in z’n keel voelde hij ook iets. Bovendien begon z’n
hart ook nog erg hard te kloppen. En hij staarde met groote oogen ’n
beetje hulpeloos voor zich uit.
„Professor ik ben Jim Pimpelmees, de dief van uw verdwijn-machine.”
Nauwelijks had professor Wells het woord verdwijn-machine vernomen of
hij had al z’n tegenwoordigheid van geest weer terug. Hij draaide zich
plotseling om en deed de deur van z’n kamer op slot.
„Prachtig,” zei de onzichtbare. „Nu kan ik er niet uit.”
„Nee,” zei professor Wells, „en je komt er ook niet weer uit. Waar zijn
mijn machines?”
„Professor u kan die deur gerust openmaken. Ik ben heel niet van plan
er van door te gaan. ’t Zou je trouwens niet helpen. Wat belet me u
onverwachts met ’n stoel op je hoofd te slaan? Kan u dat voorkomen? Nee
hè? Nu sta ik vlak achter je. Ik kan u maar zoo in uw nek grijpen als
ik dat wil, voel maar.”
En professor Wells sprong plotseling opzij, want hij voelde ’n
onzichtbare hand in z’n nek.
Professor Wells begreep het en zei:
„Je hebt gelijk, maar geef me eerst antwoord op m’n vraag: Waar zijn
m’n machines?”
„Dat komt terecht professor, laten we er bij gaan zitten. Hier neem
deze stoel.”
Er kwam ’n stoel naar hem toe en professor Wells nam plaats.
„Ziezoo,” zei de onzichtbare, „nu kunnen we praten. Heeft u ook soms ’n
goeie sigaar voor me? Dank u.... Ik heb de heele dag nog niet gerookt
en ik ben er ’n liefhebber van, zooals de meeste Hollanders. Mag ik nog
om ’n lucifer verzoeken ook. Dank u.”
Professor zat nu tegenover ’n sigaar, die met ’n vuurpuntje begon te
branden, hij zag ’n rookwolkje wegblazen.
„Goeie sigaar,” zei de onzichtbare, „dat smaakt hoor. Maar laat ik u
eerst de geschiedenis vertellen: Ik stal uw verdwijn-machine. De helft
maar.... Ik wist niet dat die andere kist er ook bij hoorde, anders had
ik die natuurlijk ook meegenomen.”
„Zoo, had je die dan ook meegenomen?”
„Natuurlijk, wat heb je aan die eene helft.... Dat ziet u aan mij. Ik
heb mezelf onzichtbaar gemaakt en nu kan ik me niet weer zichtbaar
maken.”
„Maar je hebt toch op de boot de andere helft ook gestolen?”
„Ja dat heb ik.... Doch ik weet niet hoe ik daar mee aan moet. D’r
waren geen papieren bij zooals bij die andere helft.”
„Ah, en nu kwam je hier maar brutaal binnen om de papieren te stelen?
Da’s mooi. Maar daar zal je geen plezier aan beleven Jim Pimpelmees,
die papieren liggen in Yale in de brandkast.”
„Nee professor ik kwam niet om te stelen. Ik kwam om u vriendelijk te
verzoeken mij weer zichtbaar te maken. Ik heb er genoeg van. ’t Lijkt
erg aardig.... maar als je voortdurend onzichtbaar moet blijven, is de
aardigheid er gauw af. Je kan voor niemendal met de spoor reizen
bijvoorbeeld. Dat lijkt erg leuk zou je zoo zeggen. Je stapt het
station binnen. Je hoeft heelemaal geen kaartje te koopen. Je kan zoo
maar voorbij de controleur heen wandelen. Op het perron wandel je ’n
poosje heen en weer tot de trein wegrijdt. Dan stap je gauw in ’n
eerste klas en je reist voor niemendal. Maar je kan niet rooken, want
waar moet je je sigaren of je pijp bergen?”
„In je sigarenkoker natuurlijk,” zei professor Wells.
„Ja... en die?”
„In je jaszak.”
„Dan moet je vooreerst ’n onzichtbare jas aanhebben ... je moet ’n
onzichtbare sigarenkoker hebben en je sigaren dienen ook onzichtbaar te
zijn.”
„Natuurlijk, natuurlijk... dat kan ook allemaal met mijn machine.”
„Jawel... maar kijk nu eens naar deze sigaar... die is heelemaal
zichtbaar... Wat zou u er van zien als ie onzichtbaar gemaakt was met
uw machine?”
„Niemendal.”
„Mis professor. Zoodra je zoo’n onzichtbare sigaar aansteekt, wordt het
vuur zichtbaar en dan de asch. Dat is niet meer hetzelfde als de sigaar
en daarom wordt het zichtbaar.”
„Drommels ja.... je hebt gelijk.... daar had ik zoo gauw niet aan
gedacht.”
„U ziet dus, rooken kan niet als je onzichtbaar wil blijven... en eten
ook niet.”
„Eten ook niet?”
„Welnee professor zoolang dat voedsel in je maag niet verteerd is,
blijft het zichtbaar. Ik eet alleen ’s avonds voor ik naar bed ga....
behalve als ik zichtbaar ben.”
„Wat vertel je me nu.... als je zichtbaar bent? En je kan niet
zichtbaar worden omdat je niet weet hoe je die machien moet hanteeren?”
„Dat weet ik ook niet en echt zichtbaar ben ik dan ook nooit. Maar ik
kan zichtbare kleeren aantrekken en ’n fijn gezicht kan ik schilderen.”
„Je gezicht schilderen?”
„Ja, zooals ze op ’t tooneel doen en zooals Maccassy en Blubberdub doen
als ze zich vermommen.”
„O... bedoel je dat? Ja dat zou kunnen.”
„Als professor zoo vriendelijk wil zijn even de deur open te maken, dan
kan ik laten zien hoe dat gaat. Maccassy en Blubberdub hebben alles wat
daarvoor noodig is in hun kamers.”
„Nee dat doe ik niet. Je komt hier niet vandaan. Je wilt ontvluchten.”
„Heelemaal niet professor. Bovendien heb ik u al gezegd dat ik u de
baas ben. Ik kan u onvoorziens aangrijpen en ben sterker dan u.”
„Nu goed dan,” antwoordde professor Wells. „Ik zal de deur opendoen,
maar ik ga met je mee.”
„Best professor.”
Ze gingen nu samen naar de kamer van Blubberdub die het dichtst bij was
en daar nam de onzichtbare Jim Pimpelmees ’n doos en bracht die naar de
kamer van professor Wells. Die doos zette hij geopend voor zich op
tafel. Het leek ’n soort kapdoos met ’n spiegel aan de binnenkant van
het deksel. In de doos waren potjes en doosjes en ’n heeleboel
verfstiften.
Professor Wells keek met verbazing toe toen de onzichtbare aan ’t werk
ging. Eerst zag hij ’n vleeschkleurige stift omhoog gaan, zich heen en
weer bewegen en langzaam kwam de vorm van ’n voorhoofd te voorschijn.
Daarna ontstonden ’n paar oogleden en ’n neus. Toen wangen en ’n kin.
Daarna, maar dat duurde wat langer, ’n paar ooren. De onzichtbare nam
vervolgens ’n roode stift en begon zich ’n paar roode lippen te maken
en van hetzelfde rood smeerde hij ook ’n weinig op zijn wangen die nog
’n beetje bleek schenen. Ze kregen nu ’n mooi blosje. Met z’n
onzichtbare vingers wreef hij de kleuren ’n beetje door elkaar,
professor Wells zag opeens ’n paar gekleurde vingertoppen, en daarna
maakte Jim zich met ’n dun bruin stiftje ’n paar mooie wenkbrauwen.
„Ziet u,” zei Jim, „als ik echte haren wenkbrauwen bij de hand had, kon
ik het veel natuurlijker maken. Doch nu moet het maar zoo.”
Professor Wells zat met verbazing te staren naar dat gezichtsmasker
zonder oogen dat zich daar voor hem in de lucht scheen te bewegen.
„Nu ga ik m’n hals verven,” zei het masker en professor Wells zag het
gebeuren.
„En nu ga ik ’n pruik van Blubberdub opzetten. Die detectives hebben
altijd van die vermommingen bij de hand. Ik ken ze al zoo lang. En dan
zal ik als u het goedvindt ook maar zoolang wat kleeren van Maccassy
aantrekken. Die is net zoo groot als ik. Ze passen me precies.”
„En dan ga je er vandoor hè?”
„Nee professor... ik ga er niet vandoor. Tenminste niet voor ik u de
machines terug bezorgd heb. Ik ben nooit van plan geweest om die dingen
te houden. Ik wou er alleen maar proeven mee nemen op mezelf. Zooals u
ziet heb ik dat gedaan, maar ’t is ’n beetje verkeerd uitgevallen.”
„Vooruit dan maar,” zei professor Wells, „ik zal je maar gelooven. En
ik beloof je dat ik je weer zichtbaar zal maken, zoodra ik de twee
machines terug heb.”
„Afgesproken,” zei het masker en ging naar de deur.
Professor Wells ging nu niet mee. Hij had besloten die onzichtbare Jim
Pimpelmees maar ’n beetje te vertrouwen, omdat het toch niet anders
kon. Misschien ging ie er vandoor. Maar daar kon hij toch ook niets aan
doen. Je had geen houvast aan zoo’n onzichtbare inbreker.
Maar Jim Pimpelmees was na ’n paar minuten alweer terug en ditmaal
geleek hij op ’n gewoon mensch. De kleeren van Maccassy pasten hem
precies alsof ze voor hem gemaakt waren. Hij had ’n pruik op en
handschoenen aan. En ’n donkere bril met groote glazen verborg tamelijk
goed die leege oogkassen.
„Ziezoo professor, als u nu niet al te nauwkeurig kijkt, kan ik er mee
door. Ik wil u wel zeggen, dat ik me al veel plezieriger voel nu ik
maar zoo nagemaakt zichtbaar ben. Het is niks gedaan voor ’n mensch om
onzichtbaar te zijn.”
„En vertel me nu eens hoe je van plan bent om me die verdwijn-machine
terug te bezorgen. Maccassy en Blubberdub zijn er zooals je misschien
weet ook al op uit.”
„Ja dat weet ik professor.... ik heb ze vandaag allebei nog gezien. Ze
zijn er achter gekomen in welke buurt uw machine uithangt. Maar dat was
geen kunst, want het stond in de kranten.”
„In de kranten? Wat weten de kranten daarvan?”
„O dat kan ik u wel ophelderen. De een of ander heeft uw
verdwijn-machine gevonden, ik had het kistje namelijk in ’n bosch
verstopt, en die heeft er mee gewerkt. Die heeft er ’n telefoonpaal mee
laten verdwijnen en ’n varken en nog meer dingen geloof ik en dat wordt
gauw ruchtbaar.”
„Dus is de machine niet meer waar jij hem verstopt hebt?” zei professor
Wells opgewonden.
„Nee professor... Toen ik er naar ging kijken, was ie weg.”
„Maar man,” riep professor Wells, „wat ben je toch voor ’n idioot....
hoe kan je mij nu mijn machine terug brengen als je niet weet waar ie
is.”
„Ho even professor,” zei Jim lachend, „ik was daar onzichtbaar, nog
voor Maccassy en Blubberdub er waren en zoo kon ik op die boerderij
waar die dingen onzichtbaar geworden waren alles op m’n gemak
nasnuffelen. Uw verdwijn-machine staat veilig opgeborgen in het
kippenhok.”
Professor Wells zei daar niets op. Hij zat na te denken. Kon hij die
rare snuiter die daar met ’n geschilderd gezicht tegenover hem zat,
vertrouwen? Natuurlijk niet. ’t Was ’n dief, misschien ’n
vreemdsoortige dief, die altijd alleen maar vreemdsoortige dingen stal
en geen geld of kostbaarheden. Maar ’n inbreker was ie en bleef ie. Kon
je nu zoo’n vent vertrouwen?
„Waarom heb je die verdwijn-machine maar niet dadelijk hier heen
gebracht, toen je ’t kistje in dat kippenhok ontdekt had?” vroeg
professor Wells eindelijk.
„Wel professor dat ging toch niet? Hoe kon ik nu zoo onzichtbaar als ik
was met dat ding gaan loopen? Bovendien wordt die boerderij dag en
nacht bewaakt door de politie.... neen, neen, dat ging absoluut niet.”
„Hoe kan ik weten, dat je me niet bedriegt?”
„Ja, dat weet ik niet. Maar professor u kan er de proef van nemen. We
gaan samen naar die boerderij. Ik wijs u de plaats waar de
verdwijn-machine is en u neemt uw eigendom weer in bezit. Als u zegt
wie u bent dan kan niemand u dat beletten. Maar u maakt me eerst weer
zichtbaar. De andere helft van uw machine heb ik hier in de buurt.”
„Nee,” zei professor Wells. „Ik maak je niet eerst zichtbaar. Eerst
breng je me de machine die je op het schip gestolen hebt. Dan gaan we
samen naar die boerderij en je bezorgt me ook die andere machine terug
en dan maak ik je weer tot ’n gewoon mensch.”
„Daar komt niets van,” zei Jim Pimpelmees. „Ik heb er genoeg van om
onzichtbaar rond te loopen of zoo half zichtbaar als ik nu ben. Toe
professor doe ’t maar. Binnen vijf minuten heb ik die machine hier.”
„Ik doe het niet Jim Pimpelmees. Eerst die andere machine of jij blijft
tot aan je dood onzichtbaar. Kom man, we gaan dadelijk op reis, wij
samen en morgen ben je weer zichtbaar, zoo waar als ik Wells heet.”
„Hebt u ’n spoorboekje hier,” vroeg Jim Pimpelmees na ’n oogenblikje
nadenken.
„Jawel hier is het.”
Jim Pimpelmees bladerde haastig in het boekje en zei toen: „Als we ons
haasten, kunnen we net nog de laatste trein halen.”
„Waar moeten we heen?”
„Naar Apeldoorn.”
„Best. Ik ben klaar. Maar jij haalt eerst die machine. Kan dat?”
„Jawel professor,” antwoordde Jim lachend. „Ik logeer hier ook in het
hotel.”
„Wat? Hier in het Amstelhotel.... vlak in de buurt van Maccassy en
Blubberdub?”
„Jawel Professor, voor die twee was ik niet bang. Maar ik wou graag in
uw nabijheid blijven, ziet u, vanwege dat zichtbaar maken.”
„Vooruit dan. Ik wacht je hier.”
’n Kwartier later zaten ze in de trein naar Apeldoorn.