Waarin professor Wells met twee detectives naar Amsterdam reist,
maar op de boot leelijk bestolen wordt en de twee politiemannen in
Nederland al dadelijk boffen.
M’nheer Bruggemans had twee brieven geschreven en dit was de derde.
Maar professor Wells had er geen een van in z’n handen gekregen. Midden
in de Atlantische Oceaan was ie vlak voorbij de twee brieven gevaren,
die in een van de honderden postzakken zaten, die ’n groote mailstoomer
naar Amerika bracht, terwijl professor Wells op het dek zat van ’n
andere stoomboot, die van Amerika naar Europa voer.
Die beide brieven waren ’n poosje later aan z’n huis in Yale in de
brievenbus gestopt of ze lagen misschien wel in de postbus aan ’t
postkantoor in Yale, waarvan de professor zelf ’t sleuteltje had en
waar dus niemand anders dan hij zelf de brieven kon uithalen.
In ieder geval lag de professor toen juist voor ’t eerst in Amsterdam
lekker onder de wol in het Amstelhotel, waar hij die dag juist was
aangekomen in gezelschap van zijn twee slimme detectives, die van plan
waren de volgende dag dadelijk met hun nasporingen te beginnen of
liever die voort te zetten, want ze waren er al lang van te voren in
Yale mee begonnen.
Nu is het bekend dat amerikaansche detectives de slimste zijn van de
heele aardbodem. Dat is zoo bekend, dat je niet eens het beroemde boek
van Mark Twain „De gestolen Witte Olifant” behoeft te lezen om dat te
weten. En van al die slimme speurders in z’n land had professor Wells
de twee beroemdste uitgezocht. Het waren James Maccassy van New York en
Jesekia Blubberdub van Chicago.
Er was geen misdadiger in New York of Chicago, die niet de heele dag
van streek was als hij ’s nachts van James Maccassy of Jesekia
Blubberdub gedroomd had. Alle boosdoeners in Amerika kenden dan ook die
twee, maar die twee kenden ook alle misdadigers. Dat wil zeggen
diegenen onder de dieven en roovers, die de moeite waard waren, want
met het kleine goed, van die diefjes die ’n stuk lood van je dak kwamen
stelen, of er met ’n baal koffieboonen vandoor gingen, die per ongeluk
’n goeie paraplu meenamen of uit de gang je beste overjas op de kop
tikten, daar hielden zij zich niet mee bezig. Als je bij James Maccassy
of Jesekia Blubberdub aankwam om te vertellen dat je fiets gestolen was
zoo maar onder je neus weg, terwijl je even in ’n winkel ging om ’n
doos sigaretten te koopen, dan antwoordde James Maccassy je
onveranderlijk, dat er op de hoek van de straat wel ’n politieagent zou
staan om zoo’n snertboodschap aan te hooren en Jesekia Blubberdub had
de gewoonte, om in zoo’n geval je ’n adreskaart te overhandigen van een
of andere fietsenwinkel, waar je je ’n nieuw rijwiel kon aanschaffen,
als je dan toch met alle geweld per fiets naar huis wou.
Doch kwam je bij hen met de treurige mededeeling dat er ’s nachts bij
je was ingebroken en dat de dieven al je kostbaarheden en al je geld
hadden gestolen en ook de zilveren lepels en vorken niet vergeten
hadden, dan kon je op ’n vriendelijke ontvangst rekenen. Je kon er ook
op rekenen, dat zoowel James Maccassy als Jesekia Blubberdub in dat
geval niet alleen bereid waren je tot het eind van je verhaal aan te
hooren maar ook, dat ze daarna dadelijk met je meegingen om de zaak bij
je thuis te onderzoeken en dan wisten ze je gewoonlijk onmiddellijk te
vertellen wie ’t gedaan had, want dat zagen ze aan de manier van werken
en omdat ze alle booswichten en hun manier van werken op hun duimpje
kenden, was dat voor hen maar ’n kleinigheid.
Toen professor Wells dan ook eerst bij James Maccassy en daarna bij
Jesekia Blubberdub aanklopte, was hij er erg mee ingenomen dat ze
allebei tot dezelfde conclusie kwamen, namelijk, dat de wondermachine
gestolen moest zijn door Jim Pimpelmees, ’n Hollander van afkomst en de
raarste dief, die je maar bedenken kon. Jim Pimpelmees stal namelijk
nooit geld of kostbaarheden of zooiets, doch als er hier of daar iets
vreemds of buitengewoons vermist werd, kon je er op rekenen dat Jim er
achter zat. Maar Jim was verbazend slim ook nog en het was zelfs nooit
gelukt aan James Maccassy of Jesekia Blubberdub om Jim Pimpelmees te
pakken te krijgen.
Jesekia Blubberdub vertelde aan professor Wells als ’n bewijs van Jim’s
ongeëvenaarde slimheid, de geschiedenis van de beruchte diefstal bij
Barnum en Baily. Uit dat reuzecircus was in ’t jaar 1907 te Melbourne
in Australië de beroemde hond Gipsy vermist, die geen achterpooten had
en gewoon op z’n twee voorpooten liep. Dat was het eerste zaakje dat
James Maccassy en Jesekia Blubberdub samen opgeknapt hadden.
„Barnum en Baily hadden zich onmiddellijk gewend tot ons beiden,” zei
Blubberdub, „om die zaak tot klaarheid te brengen. We gingen dan ook
dadelijk aan ’t werk en hadden het geluk Jim Pimpelmees op ’t spoor te
komen. We reisden hem in ’t geheim na, want de kerel was te slim om
niet alle voorzorgsmaatregelen te nemen. We volgden hem van Melbourne
naar Kaapstad, vervolgens naar Buenos-Aires en dwars door Zuid-Amerika
heen naar Peru. Overal waar hij geweest was, namen wij informaties naar
hem en de hond zonder achterpooten. En in San Francisco kregen we hem
te pakken, ’t was immers San Francisco?”
„’t Was in San Francisco,” bevestigde James Maccassy, „ga voort.”
„Nu dan, in San Francisco kregen we hem te pakken. ’t Werd tijd, want
wat we van de hond zonder achterpooten vernamen, klonk niet erg
bemoedigend voor ons of voor Barnum en Baily.”
„Was ’t beest dood?” vroeg professor Wells nieuwsgierig.
„Nee, dat nu juist niet, ’t beest was springlevend, maar ’t was ’n
zeehond.”
„Hè?” zei professor Wells.
„Ja,” bevestigde James Maccassy, „’n gewone zeehond. En toen konden wij
hem natuurlijk niets maken. Want er was geen zeehond bij Barnum en
Baily gestolen, maar ’n gewone hond zonder achterpooten.”
„Maar die hond van Barnum en Baily dan?”
„Ja, dat is altijd ’n raadsel gebleven. Daar hebben ze nooit iets meer
van vernomen.”
„U ziet,” zei James Maccassy, „dat we te doen hebben met een
uitgeslapen gauwdief.”
Professor Wells was dat volkomen met hen eens. Hij vroeg aan de twee
beroemde detectives of ze bereid waren voor hem die Jim Pimpelmees op
te sporen.
„Met plezier, professor,” zeiden ze allebei.
Of ze er zeker van waren, dat die Jim de machine gestolen had?
„Zoo zeker als twee maal twee vier is,” verklaarden ze tegelijk.
„Goed,” zei de professor, „dan beginnen we dadelijk.”
Reeds de volgende morgen kwamen ze hem meedeelen, dat ze de zaak hadden
onderzocht en dat ze er achter gekomen waren, dat Jim Pimpelmees naar
Europa was op reis gegaan en wel naar Amsterdam en dat ze van plan
waren hem onmiddellijk daarheen te volgen. Professor Wells was erg blij
met die goede tijding en besloot met hen mee te gaan. James Maccassy
vond het niet noodig en Jesekia Blubberdub ook niet, maar ze konden het
de professor moeielijk beletten, en dus spraken ze af dat ze elkaar
weer zouden ontmoeten aan boord van „De Prinses,” de nieuwste boot van
de Holland-Amerika-Lijn, die de volgende dag zou vertrekken.
Professor Wells kwam haast te laat. Dat was zoo z’n gewoonte overal net
op ’t nippertje te komen. Hij keek dadelijk uit naar James Maccassy en
Jesekia Blubberdub, maar die waren geen van beiden te vinden, ofschoon
professor Wells het dek bespiedde van voor naar achter en van achter
naar voor. Na ’n uur, toen ze al lang van de kade waren weggestoomd,
had ie nog geen spoor van z’n twee detectives ontdekt. Maar misschien
waren ze wel in hun hut en hij besloot eens bij ’n hofmeester te
informeeren. Die hofmeester was heel gedienstig. Hij ging de
passagierslijst raadplegen en kwam terug met de tijding, dat er geen
personen aan boord waren die James Mocassin of Jesekia Bulderput
heetten.
„Och man,” zei de professor gemelijk, „zoo heeten ze heelemaal niet. Ik
zal zelf de lijst wel eens nakijken.” En dat deed hij onmiddellijk,
terwijl de hofmeester naast hem stond. Maar de professor kon de namen
ook niet vinden.
„Wat is dat nou voor gekheid,” mompelde de professor, en daarna ging
hij zonder verder notitie te nemen van de hofmeester naar z’n hut, waar
hij bleef tot het tijd was voor het diner.
De heele middag had hij in z’n hut zitten mopperen over de afwezigheid
van z’n twee detectives. Hij begreep niet waarom ze zoo gedaan hadden.
En hij zat er nu maar mee. Wat moest hij alleen in Holland doen? Toen
besloot hij nog even voor het eten ’n telegram te zenden met betaald
antwoord aan James Maccassy te New York. Hij ging op ’n bank zitten op
het promenadedek en schreef op ’n blaadje uit z’n notitieboekje:
James Maccassy, New York, No. 11, 43ste étage.
Waarom is u niet hier?
Wells.
„Maar professor ik ben wel hier,” hoorde hij over z’n schouder zeggen,
en toen hij verrast omkeek over de leuning van de bank zag hem ’n
vriendelijke oude heer lachend aan. Hij had ’n mooie witte baard en
spierwit haar, dat ’m heel goed stond onder z’n groote panama. En naast
de spierwitte heer stond ’n soort Italiaan met pikzwarte krullen en ’n
dito snorretje met fijn opgedraaide punten en die zei op zijn beurt:
„Ik ben er ook. U hoeft niet naar Chicago te telegrafeeren.”
Professor Wells zat stom van verbazing. Dat moesten z’n twee detectives
zijn. Maar ze waren totaal onherkenbaar. Z’n eigen verdwijn-machine had
ze niet onkenbaarder kunnen maken.
„Wel,” zei professor Wells, maar verder kwam hij niet.
„Mijn naam is Bumpkins, Nataniel Bumpkins van Dawson-City. U staat me
zeker toe ’n oogenblik naast u op de bank plaats te nemen?”
Professor Wells zei niemendal en hij liet toe, dat de grijze heer naast
hem ging zitten. Hij zei ook niemendal toen de Italiaan zich aan hem
voorstelde als Octavio Spigoletti van Milaan en aan de andere kant
naast hem plaats nam.
„Zoo moeten wij dat in ons vak altijd doen,” fluisterde Bumpkins, „we
kunnen niet te voorzichtig zijn.”
„Nee,” zei de Italiaan uit Milaan zachtjes, „voorzichtigheid is de
moeder van de porceleinkast.”
„Als ze wisten, dat James Maccassy en Jesekia Blubberdub op weg waren
naar Amsterdam,” fluisterde de grijze weer, „dan konden we er zeker van
zijn, dat Jim gevlogen was als wij er aankwamen.”
„Met uw kostbare machine,” mompelde de Italiaan.
„Zoo,” zei professor Wells, „zoo... zit dat zoo in elkaar. Hoe heeten
jullie ook weer?”
„Bumpkins, om u te dienen, van Dawson-City.”
„En u?”
„Spigoletti van Milaan.”
„Wij kennen elkaar heel niet,” zei Bumpkins. „Ik ken Spigoletti niet en
ik ken professor Wells niet en u kent ons niet.”
„O!”
„En als we in Holland zijn, heeten we weer anders.”
„O... en zien jullie er dan weer anders uit ook?”
„Natuurlijk.”
„Maar hoe ken ik jullie dan?”
„Heel eenvoudig,” fluisterde de Italiaan, „we houen u op de hoogte.”
„We zijn altijd bij u, ook al denkt u dat we er er niet zijn.”
„Zooals vandaag,” zei de Italiaan weer.
„Jullie zullen het wel het beste weten,” zei professor Wells, „en dus
leg ik me er maar bij neer. Ik laat de leiding verder dan maar
heelemaal aan de heeren over.”
„Dat is ook onze bedoeling,” zei Bumpkins en ze lieten de professor
alleen op z’n bank.
Professor Wells vond dat nu eigenlijk wel ’n beetje vervelend. Hij had
gedacht zich op de boot de tijd te korten met de verhalen van de
lotgevallen en de avonturen der twee beroemde detectives. En nu moest
ie ’n dag of zes, zeven op dat schip doorbrengen zonder ’n enkele
kennis. Er was niemand op het schip die hij ooit tevoren gezien had.
Hij besloot z’n tijd dus maar te besteden aan een of andere nieuwe
uitvinding. In z’n hut of op het dek of ergens anders op die mooie boot
kon hij best ’n hoekje vinden, waar hij ongestoord kon nadenken. Er
waren nog ’n massa dingen die nog niet waren uitgevonden. Hij hoefde
dus z’n tijd niet te verluieren.
Professor Wells zag dus Bumpkins en de Italiaan maar zelden. Alleen als
er gegeten werd. En dan deden ze net of ze elkaar wildvreemd waren. Ze
zaten altijd ’n heel eind van elkaar af.
Op de derde dag van de reis echter zag professor Wells hen de heele dag
niet. Ze waren zeker ongesteld. Hij mocht wel niet tegen hen spreken,
maar hij kon hen toch iedere dag zien en nu had hij hen al de heele dag
gemist. Dat was ’n beetje onplezierig. Professor Wells wist niet hoe
het kwam, maar hij vond het alles behalve aangenaam. ’t Was net of hem
’n ongeluk boven het hoofd hing.
Dat voorgevoel bedroog hem niet. Er was iets vreemds gebeurd, wel geen
ongeluk maar iets dat misschien nog veel erger was.
Het was al donker toen er zonder kloppen iemand bij hem binnentrad in
de hut. ’t Was James Maccassy in eigen persoon. Niet de heer Nataniel
Bumpkins uit Dawson-City met z’n witte baard en zilveren haar, maar de
detective uit New York met z’n eigen glad geschoren gezicht en z’n
eigen kortgeknipte zwarte haar.
„Wel!” zei professor Wells ten hoogste verwonderd.
„St!” kwam James Maccassy en hij hield z’n vinger voor z’n lippen.
Professor Wells zweeg verder als ’n mof en keek James Maccassy alleen
maar verbaasd aan. Deze sloot zorgvuldig de deur van de hut en zei
daarna bijna onhoorbaar:
„Jim Pimpelmees is hier aan boord.”
„Jim Pim.... de man die volgens u mijn verdwijn-machine gestolen
heeft?”
„Ja, dezelfde.”
„Maar lieve help, man hoe weet je dat? Heb je ’m gezien?”
„Nee... gezien hebben we hem geen van beiden, maar hij heeft vannacht
mijn witte baard en mijn pruik gestolen en van Jesekia Blubberdub heeft
ie z’n zwarte Italiaansche snor en z’n zwarte haren gekaapt.”
„Maar man... jullie hebt die dingen zeker gisterenavond in ’n verkeerd
valies opgeborgen. Wat heeft iemand er nu aan om pruiken en snorren te
stelen?”
„Dat is het juist... Niemand heeft er wat aan en geen enkele dief zou
het ooit in z’n hoofd krijgen in iemands hut in te breken om zulke
zaken te stelen. Daardoor weten we dat Jim Pimpelmees aan boord is. Die
steelt altijd van die malle dingen.”
„Dus die Jim Pimpelmees wist dat jullie hier aan boord waren en ook hoe
je vermomd was?”
„Dat is juist het wonderbaarlijke. Hij kon dat niet weten. Niemand wist
er iets van. Geen mensch in heel Amerika weet zelfs dat we op reis zijn
naar Nederland.”
„Dan begrijp ik er niks van. Hoe ziet die Jim Pimpelmees d’r uit?”
„O, da’s ’n leelijke vent met rood haar. Maar nu ie hier op de boot is,
ziet ie er natuurlijk heel anders uit. We hebben alle lui goed bekeken.
Noch onder de passagiers, noch onder het scheepsvolk hebben we hem
gezien. En toch moet ie er zijn. Dat kan niet anders.”
„Maar wat zou hij hier op de boot doen? Is ie er toevallig?”
„Dat weten we niet. Maar toeval zal ’t wel niet zijn. Daarom kwam ik
juist hier. We kunnen ons nu overdag niet laten zien nu we onze pruiken
en haren kwijt zijn en daarom heb ik gewacht tot het avond was.”
„Dat begrijp ik niet... Je kunt je toch wel laten zien zooals je nu
bent?”
„Nee, dat kan juist niet. We zijn ingeschreven als Bumpkins en
Spigoletti en als we nu verschenen als Maccassy en Blubberdub, die
iedereen kent, dan eh ...”
„Ja wat dan?”
„Wel dan deden we iets, dat heelemaal in strijd is met de beginselen
van ons vak. ’n Detective die ’n dief wil vangen mijnheer, doet dat
altijd vermomd. Dat kan u in alle boeken vinden waarin detectives
voorkomen.”
„Maar als jullie niet voor de dag kan komen hoe krijg je dan eten?”
„O, professor daar hebben we al voor gezorgd. We hebben ’n hofmeester
in het geheim genomen. We betalen hem goed en dus houdt ie z’n mond.
Maar om nu op Jim Pimpelmees terug te komen, de meest voor de hand
liggende reden van z’n aanwezigheid hier aan boord kan natuurlijk niets
anders zijn dan z’n verlangen om ook de andere helft van uw
wondermachine te pakken te krijgen. Die heeft professor toch bij zich?”
„Zeker heb ik die bij me. Die zit veilig achter slot daar in die
koffer. Kijk maar.”
Terwijl professor Wells de sleutel van z’n koffer zocht uit de sleutels
die hij uit zijn zak opdiepte, zei hij nog:
„Maar dan begrijp ik toch niet wat die Jim-hoe-heet-ie-ook-weer er mee
voor had jullie pruiken en baarden te stelen, als het hem te doen is om
mijn machine. Hij heeft daardoor toch z’n aanwezigheid hier verraden?”
„Ja dat heeft ie. Maar die Jim doet altijd van die rare dingen.”
Professor Wells opende z’n koffer, doch liet hem van schrik weer dicht
vallen. Ook James Maccassy had met z’n scherpe oogen waarmee hij over
de linkerschouder van professor Wells in de koffer gekeken had, gezien
waardoor de professor zoo geschrokken was. De detective haalde z’n
eigen gestolen pruik en z’n baard en de zwarte haren en het
Italiaansche snorretje van z’n collega er uit, maar de machine vonden
ze niet meer in de koffer.
„Wel, dat is brutaal,” zei James Maccassy en hij snelde de hut uit en
was ’n oogenblik later terug met Jesekia Blubberdub en nog ’n oogenblik
later hadden ze hun pruiken en verdere haren weer aangedaan en stonden
ze weer voor de oogen van de ontdane professor als Bumpkins van
Dawson-City en Signor Spigoletti van Milaan.
Spigoletti nam het eerst het woord.
„Professor, dat is ’n zeer geheimzinnig geval.”
„Zeer geheimzinnig,” echode Bumpkins.
„Er moet iemand in uw hut geweest zijn,” vervolgde Spigoletti. „Heeft u
er ’n idee van wie dat geweest kan zijn?”
„Ik?” zei de professor Wells. „Welnee behalve ikzelf is er niemand hier
geweest als de hofmeester.”
„Ah!” zei Bumpkins, „welke hofmeester?”
„’n Nette man, zwart haar, klein zwart snorretje, blauwe oogen.”
„Dat moet dezelfde zijn die wij in ’t geheim genomen hebben,” zei
Bumpkins. „Die kan ’t dus niet wezen.”
„Nee,” zei Spigoletti, „die kan ’t niet wezen, maar om zeker te zijn
kunnen we hem even hier laten komen. Professor mag ik even de
hofmeester schellen?”
„Ga je gang.”
Spigoletti drukte op de knop van het electrische schelletje en ’n
oogenblik later verscheen de hofmeester, dezelfde aan wie professor
Wells gevraagd had of de twee detectives aan boord waren.
„Ah,” zei de hofmeester met ’n verheugd gezicht toen hij binnentrad,
„hebben de heeren het vermiste al terug! Zeer verheugd.”
„Ja,” zei Bumpkins, „onze baarden hebben we terug, maar nu is de
professor ’n zeer waardevol voorwerp kwijt. Onze pruiken en baarden
lagen in zijn koffer en zijn daarin gelegd blijkbaar door de dief zelf,
die meteen het bedoelde voorwerp daaruit genomen moet hebben.”
„Zoo... hm... tja.” Anders scheen de hofmeester op dat moment niet te
weten.
„Professor beweert dat jij de eenige persoon bent, die hier binnen
geweest is,” zei Spigoletti.
„Als dat waar is heeren,” zei de hofmeester met ’n glimlach, „dan moet
ik ook bij u de baarden gestolen hebben en de pruiken.”
„Dat moet dan wel,” zei Bumpkins, „maar dan moest je ook Jim Pimpelmees
zijn, en dat ben je niet.”
„Wie zegt u?” vroeg de hofmeester.
„Jim Pimpelmees.”
„Jim Pimpelmees. Jim Pimpelmees... Waar heb ik die naam meer gehoord,”
prevelde de hofmeester. „Komt me zeer bekend voor.”
„Zal wel waar zijn,” zei Spigoletti lachend, „dat is de gekste dief uit
heel de Vereenigde Staten, je hebt z’n naam zeker wel eens in ’n krant
gelezen.”
„Dat zal ’t zijn,” antwoordde de hofmeester met ’n zeer nadenkend
gezicht. „En denkt u dat die man hier aan boord is?”
„Vast,” zei Bumpkins.
„Sekuur,” zei Spigoletti.
„Hoe ziet hij er uit?” vroeg de hofmeester.
„Leelijke kerel, rood haar, maar hier ziet hij er anders uit, dat
begrijp je wel hè.”
„Dan zal ’t moeilijk zijn hem te ontdekken.”
„Heel moeielijk, maar we ontdekken hem.”
„Dat doen we zeker,” bevestigde Bumpkins. „En stellig nu de professor
niemand hier in of nabij z’n hut gezien heeft die er verdacht uitzag.”
„Ho, dat heb ik niet gezegd,” zei professor Wells. „Ik heb wel vijftig
menschen hier in de buurt gezien en nu ik m’n machine kwijt ben, moet
ik zeggen dat ze er allemaal even verdacht uitzagen.”
„Maar ik heb wel iemand gezien, die op verdachte wijze hier in de buurt
rondsloop,” zei de hofmeester. „En nu ik me goed herinner, leek het me
dat ie iets in de hand had in papier gewikkeld.”
„Onze haren,” zei Bumpkins, „’t papier ligt nog in de koffer van
professor Wells.”
„Hoe zag die persoon er uit?” vroeg de andere detective.
„Heel gewoon ’n derde klasse-passagier of zooiets. ’k Heb hem verder
niet zoo nauwkeurig opgenomen.”
„Daar hebben wij niet veel aan, hè Bumpkins?”
„Nee, de aanwijzing is te vaag. We zullen hem zelf moeten opsporen,” en
toen, zich wendend tot professor Wells, die met ’n verdrietig gezicht
het onderhoud gevolgd had: „Moed houen professor, u krijgt uw beide
machines terug, alle twee, zoowaar ik Bumpkins heet!”
„Maar zoo heet je niet,” zei de professor.
„Professor,” zei Bumpkins van Dawson-City, plechtig, „hier heet ik
Bumpkins. James Maccassy is nog altijd in New York, ligt met ’n zware
verkoudheid in bed en is voor niemand te spreken.”
„En Jesekia Blubberdub mag in Chicago eveneens z’n bed niet uit, want
hij heeft z’n voet verstuikt,” zei Spigoletti.
„Slim ... buitengewoon slim,” zei de hofmeester met ’n glimlach ...
De hofmeester ging heen en ’n oogenblik later verdwenen ook Bumpkins en
Spigoletti. Die gingen ’n plan verzinnen om Jim Pimpelmees te pakken te
krijgen en professor Wells bleef alleen achter in ’n zeer naargeestige
stemming. De onderneming begon dan al heel slecht. In plaats dat ie z’n
gestolen machine terugkreeg, was nu de andere helft ook verdwenen.
Mistroostig staarde hij in z’n koffer. Maar wat hielp hem dat?
Niemendal. Al keek hij nog zoolang in die koffer, daarmee zou hij de
verloren machine, waaraan hij jaren lang gewerkt had, niet terug
krijgen. Hij bukte zich om de koffer te sluiten en daarbij viel z’n oog
op ’n enveloppe met z’n adres erop. Toen hij ’t opnam, merkte hij dat
het ’n ongeopende brief was. Hoe kwam die nu in z’n koffer. Hij had er
’n eed op durven doen dat ie geen brief in z’n koffer had gedaan en dan
nog wel een, die niet geopend was! Bevend van haast en nieuwsgierigheid
scheurde hij de omslag open, nam het netjes gevouwen vel papier er uit
en las:
Hooggeachte professor,
Ondergeteekende is zoo vrij geweest ook deze helft van uw
wondermachine voor eenige tijd van u te leenen. De andere helft
heeft hij al geleend zooals u nu wel begrijpen zult.
Ondergeteekende stelt zeer veel belang in uw uitvinding en alleen
uit een overgroot verlangen om er zelf proeven mee te nemen, kwam
hij er toe zich zonder uw toestemming van beide machines meester te
maken. U kan er op rekenen ze allebei ongeschonden terug te
ontvangen, zoodra ondergeteekende met z’n proefnemingen klaar is.
Als hij u een goeden raad mag geven, laat dan die ezel van ’n
Bumpkins en dat schaap van ’n Spigoletti er verder buiten en zeg
hen niets van dit briefje. Ze zijn alleen maar in staat de boel te
bederven en ze zijn lang niet slim genoeg om ondergeteekende te
pakken te krijgen.