Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor
m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet
hem niet gered hadden.
De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die
nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met
ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken,
hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en
iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen
verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten
eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De
anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan
vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken
gevallen was.
Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige
dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog
gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog
dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het
woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval
maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.”
Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit
naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op
de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te
genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in
drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare
varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij
aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat.
Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met
allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde
beantwoorden.
Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun
beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was
bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan
met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de
jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan
ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n
kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al
gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de
waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren.
Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen
bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor
elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst
hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom
te houden, maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over
wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten.
Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte
al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar
opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden.
De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte
het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als
’t liep te eten.
Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om
maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets.
Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze
konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar
gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je
niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om
dat akelige, onzichtbare ding aan te raken.
In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de
porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het
scheen.
De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n
dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle
bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n
eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan
was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen
wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet
voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells,
noch van diens wonderbare uitvinding gehoord en dus was het hem niet
kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde.
Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de
troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens
gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en
zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien
vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het
weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden
van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte
van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije
toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu
en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de
rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan.
Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij
dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je
dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar
iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende
telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed,
namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch
ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats
toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was
plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken
allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen
draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te
betasten. Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal
werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd,
heel vreemd.”
Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed
naar de boerderij.
De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem
in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw
Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar
binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten
eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote
huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof
waar de burgemeester in plaats nam en begon:
„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die
paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis..... en hebben jullie nu ook nog ’n
onzichtbare haan?”
De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de
familie dood was en de boer antwoordde:
„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.”
„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter... enne... je kan niet
gissen wie je dat lapt?”
„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.”
„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw.
„Tja... dat kan ik me begrijpen.”
„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het
allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen
van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.”
„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van
gehoord.”
Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te
lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei,
dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch
wel ’n beetje benauwd om het hart.
„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie.
De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de
burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en
stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die
burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal
niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer
uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de
burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar
Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je
ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig
voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar
niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef
echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van.
Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar
van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die
uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er
van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin
teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was
er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat
er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin
wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf
geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij.
Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem
meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te
onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet.
De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op
het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier
en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie
politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen
de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden
daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen
gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de
buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden.
Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het
varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp
waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het
gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders
kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon
het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er
niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens
meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze
gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het
verhaal van de porceleinen isolators van de telefoonpaal die je daar
zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich
langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere
kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te
voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden
beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters
te laten komen om de orde te handhaven.
Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem
in ’n mand en liet ’m bekijken voor ’n kwartje. Het was eigenlijk
„voelen”, maar hij noemde het „kijken”.
De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de
volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er
achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop
Koen met groote mooie letters had geteekend:
DE ONZICHTBARE HAAN.
25 ct. entree!
Maïsvoeren 10 ct. extra.
M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer
vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij
de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste
dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich
vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje
maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en
Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen
zooveel nieuwsgierigen, dat de onzichtbare witte het soms toch niet
bolwerken kon.
Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare
varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die
kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en
naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat
leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten
geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer
schik.
De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van
Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles
alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van
hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde,
gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel
moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij
de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel
tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei
moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de
entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de
haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.
Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en
niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de
menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd
zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon
bang. En iedere morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis
om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er
was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar
geworden.
De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en
was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die
m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.
Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger
was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat
m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n
stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam,
tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van
die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen,
maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van
die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had
eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde,
doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer
Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De
inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te
merken.
Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer
Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die
m’nheer te letten.
Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n
rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde
de dorpsveldwachter de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.
„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die
m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is
van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje
ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en
de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem
al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan
zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen
brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak
stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in
zijn bezit zijn.”
„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”
Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl
ze zich gereed maakten om in bed te stappen.
Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó
van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was
onmiddellijk bij de hand met ’n idee.
„Zeg Koen, dat moet niet hoor.... Ze moeten dat kistje niet bij jouw
vader vinden..... Kan je niet meer praten?”
„Ja....we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van
geschrokken!”
„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”
„Hoe kan dat nou.... Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden
ze ’t immers vanzelf. En ze hebben ’t zóó, want vader kan het nergens
in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles
nagekeken om te zien waar het zijn kon.”
„En kunnen wij in die koffer komen?”
„Wij.... Welnee.... hoe zouen we?”
„Ja ’t moet toch.”
„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t
beste zijn.”
„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”
„Weet ik ook niet..... Hij moet het maar naar Amerika sturen.”
„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij
moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze
’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”
„Maar hoe komen we d’r aan?”
„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”
Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n
vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als
degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk
was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en
bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in
staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken,
sliepen ze al.
Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die
gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag
tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en als die dan
deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er
misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet.
„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo
goed wist als Koen.
„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.”
„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht
uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.”
„Ja.”
„En dan gaat ie in de kast.”
„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen.
„Kan je zoo meteen nog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg,
als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg
ik van vader op m’n kop.”
Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet,
dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat
natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest
Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie
die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid.
Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu
niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest,
had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok
begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie
zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de
voorkamer of ie ook gemakkelijk bij die koffer van zijn vader komen
kon.
„Waarvoor?” zei Koen.
„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.”
Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist
wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker
werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt
zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets
vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n
hekel.
Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor
dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog
altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de
boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de
familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land
hadden ze er aan.
Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij
z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t
mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De
gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer
opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond
en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen
koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer.
’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom
om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo
voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen.
Koen sloop naar de kast, deed de koffer open... Hij schrok er zelf van.
Daar was de machine van professor Wells!
De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding
weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie
snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote
koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien.
Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de
kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet
vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had.
„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?”
Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan
was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om
weer in de kippenstal te komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n
amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo,
want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar
bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.”
En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel.
„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t
werk was in de kippenmest.
Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n
„beroerd” werk vond.
„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?”
„Niet, wat is het dan?”
„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.”
„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.”
„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend.
„Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat
kistje vinden zal hè?”
„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor
’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet
zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem
terug te bezorgen.”
„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en
dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.”
„Zou het?”
„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad
had,” antwoordde Piet lachend.
Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer,
van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten
neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed
bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het
kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet
bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten
voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar
het terug kwam halen.
„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen.
„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.”
„O.... Zeg ik dee het liever ergens anders.”
„Nee jô.... ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.... niet voor
die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt
het niet terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken.
Dat kan die immers?”
„Ik geloof het wel.”
„Je had het toch gelezen?”
„Ja, dat wel.... maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als
ie eindelijk hier komt.”
„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.”
„Amerika is niet naast de deur, jô.”
„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan
terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?”
Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met
het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat
hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou
met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er
bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had.
Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine
voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens
gingen gerust heen.
In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n
rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de
burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de
hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie
naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit
om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester
hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden
de afloop van die zaak van nabij meemaken. Ze hoopten maar, dat m’nheer
Bruggemans hen niet zou wegzenden.
Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de
jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester
gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester
stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De
rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de
dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n
gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus
die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in
de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de
rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten
altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge
gezichten begon te zetten.
Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans
stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus
ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang
in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen
hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was,
ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken
en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die
heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden
wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de
rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet,
misschien die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden
wegvoeren.
De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij
vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam
lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij
begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte
op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij
verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek
in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in
de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen
zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te
brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n
onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want
het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had.
M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie
niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel
in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht
kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er
was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin
dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien
zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t
wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man
van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie
er niet achter ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet
doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als!
M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee
naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n
onderzoek.
En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans
en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het
venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de
slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw
weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens
begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat
m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer
stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg
wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en
wat andere rommel. Wilt u kijken?
„Nee.... of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.”
M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De
burgemeester keek over zijn schouder.
„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets
verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer
Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester
nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.... ’t was
maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.”
„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer Bruggemans, en hij
liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer
en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles
overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken
of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten
op z’n knieën.
Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had
opgemerkt.
„Hoe was ie?” vroeg Piet.
„Prachtig... Zag je vader voor die koffer zitten?”
„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend.
„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er
toch maar fijn doorgerold.”
„En of.”
Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het
dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets.
Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas:
De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde
Staten van Noord-Amerika.
„Da’s de derde,” zei Koen.
„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend.
„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen
antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.”
„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?”
„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n
machine wel waard zijn.”