NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarin de burgemeester er zich tòch mee bemoeit en het er voor

m’nheer Bruggemans leelijk uitgezien zou hebben als Koen en Piet

hem niet gered hadden.

De zes nachtelijke avonturiers en de drie politiemannen, die ’t er die

nacht allemaal even slecht afgebracht hadden, maar toch met

ondervinding over de verdwijningen op de boerderij konden spreken,

hadden dat natuurlijk ook gedaan. Aan ieder die ’t hooren wou, en

iedereen op het dorp wilde er van hooren, hadden ze hun ervaringen

verteld, behalve het laatste avontuur van de dorpsveldwachter, dat ten

eeuwige dage ’n diep geheim zou blijven voor z’n medemenschen. De

anderen sneden allemaal op over hun durf en dan kon hij toch niet gaan

vertellen, dat ie met doodelijke schrik over ’t onzichtbare varken

gevallen was.

Het gevolg was ’n buitengewone nieuwsgierigheid naar de geheimzinnige

dingen, die op en om de boerderij hadden plaats gehad en misschien nog

gebeurden, en als gevolg weer daarvan ’n groote toeloop toen het nog

dag was, van menschen die de paal en het varken kwamen bezichtigen. Het

woord bezichtigen was natuurlijk al heel slecht gekozen in dit geval

maar de menschen zeien allemaal dat ze gingen „kijken.”

Heel het dorp en de omtrek liep, om zoo te zeggen, leeg en trok uit

naar de boerderij, tot groote ergernis van m’nheer Bruggemans, die op

de Veluwe gekomen was om van de landelijke eenzaamheid en de stilte te

genieten. Nu stonden de nieuwsgierige dorpelingen niet alleen in

drommen om de paal en voor het hek van de wei, waar het onzichtbare

varken met de zichtbare biggen liep, maar ze gaapten ook de boerderij

aan en m’nheer Bruggemans in z’n hangmat.

Doch wat hem het meest hinderde was, dat de brutaalsten hem met

allerlei vragen aan boord kwamen, die hij niet kon of niet wilde

beantwoorden.

Koen en Piet vonden al die belangstelling wel leuk. Ze waren met hun

beiden door de boer op wacht gezet, bij het hek van de wei. De boer was

bang, dat de menschen in het land zouden gaan en wie weet wat ze dan

met het onzichtbare dier al niet zouden beginnen. Het waren vooral de

jongens die Koen en Piet in het oog moesten houden en dat deden ze dan

ook op vechten af. Koen en Piet waren geen van beiden vies van ’n

kloppartijtje en ’n enkele maal kwam het er zelfs toe. Ze hadden er al

gauw ’n paar bij de kop, die toch maar niettegenstaande de

waarschuwing, dat ze er niet in mochten, over het hek wilde klauteren.

Dat hielp voor ’n poosje, doch heel lang zouden ze het niet kunnen

bolwerken want de jongens die er niet in mochten, trokken partij voor

elkaar en zoo stonden Koen en Piet eindelijk voor ’n overmacht. Eerst

hielpen de groote menschen nog zoo’n beetje mee om de jongens in toom

te houden, maar ten slotte waren er zelfs volwassenen, die er ook over

wilden. Toen werd het kritiek voor de twee schildwachten.

Gelukkig kwam Klaas er eindelijk aan te pas en die sterke boer maakte

al heel gauw korte metten met ’n paar belhamels, die een paar

opstoppers kregen, die aan de rest ontzag inboezemden.

De nieuwsgierigen bleven uit het land en konden slechts uit de verte

het touw zien bewegen, wanneer het varken ’n eindje ging wandelen, als

’t liep te eten.

Maar zoodra dat gebeurde, rekten ze dan ook allen hun nekken uit om

maar goed te zien en dan riepen ze: „Daar gaat het weer,” of zooiets.

Bij de paal hadden ze ’t beter. Daar hield niemand de wacht en ze

konden er zoo dicht bij komen als ze wilden. Maar toen er ’n paar

gevoeld hadden, dat er werkelijk zooiets stond als ’n paal, maar dat je

niet zien kon, waren de overigen meest allen te bevreesd van aard om

dat akelige, onzichtbare ding aan te raken.

In ’n groote kring stonden ze er omheen, keken omhoog naar de

porceleinen isolators die bleven staan zoomaar nergens op naar het

scheen.

De burgemeester begon het bedenkelijk te vinden, dat al z’n

dorpelingen, zooals hij meende, waren aangetast door dat malle

bijgeloof in onzichtbare dingen. Om daar nu maar in eens voor goed ’n

eind aan te maken, besloot hij zelf te gaan onderzoeken, wat er van aan

was en dan zou hij al die menschen wel eris aan het verstand brengen

wat voor domkoppen ze waren. Zooiets mocht in zijn gemeente niet

voorkomen. ’t Is waar, de burgemeester had nooit van professor Wells,

noch van diens wonderbare uitvinding gehoord en dus was het hem niet

kwalijk te nemen, dat ie er ook niets van gelooven wilde.

Na de middag ging hij er op z’n fiets heen en kwam het eerst bij de

troep, die nog altijd de onzichtbare paal aan stond te gapen. Telkens

gingen er sommigen weg doch dan kwamen er weer anderen in de plaats en

zoo bleef de hoop menschen zoowat even groot. Het waren er misschien

vijftig en net zooveel stonden er minstens voor het hek van het

weiland. Er waren er ook op de boerderij aangeland, die gehoord hadden

van de onzichtbare haan. Maar de boer had hen voor ’t grootste gedeelte

van het erf gejaagd. Alleen familieleden en kennissen hadden daar vrije

toegang en die waren natuurlijk allemaal bij de kippen, waar ze wel nu

en dan ’n vreemde beweging onder de kippetjes waarnamen, doch voor de

rest niemendal. Er is niet veel te zien van ’n onzichtbare haan.

Toen de burgemeester uit de verte die kijkende menigte zag, voelde hij

dat ie kwaad werd. Wat was me dat nou voor ’n manier van doen om je

dagelijksche bezigheden in de steek te laten om te staan gapen naar

iets onmogelijks. Doch toen hij nader kwam, miste hij ook de bekende

telefoonpaal en toen hij vervolgens deed, wat iedereen daar deed,

namelijk naar de zwevende potten in de lucht kijken, werd het hem toch

ook ’n beetje raar om het hart. De menschen maakten bereidwillig plaats

toen de burgemeester van de fiets stapte en naar de paal ging. Er was

plotseling stilte gekomen in de troep. Niemand zei ’n woord. Ze keken

allemaal aandachtig naar hun burgemeester, die langzaam om de paal heen

draaide, omhoog keek en ten slotte de hand uitstak om de paal te

betasten. Ze zagen, dat z’n gezicht veranderde toen hij de paal

werkelijk voelde en ze hoorden hem als tegen zichzelf zeggen: „Vreemd,

heel vreemd.”

Zonder ’n woord verder te zeggen, stapte hij weer op z’n fiets en reed

naar de boerderij.

De boer en z’n vrouw hadden hem blijkbaar zien aankomen en kwamen hem

in het tuintje tegemoet. De burgemeester groette beleefd mevrouw

Bruggemans die daar zat te lezen en ging met de boer en de boerin naar

binnen. Koen en Piet die waren afgelost door Dirk, omdat ze moesten

eten, waren er bij tegenwoordig toen de burgemeester de groote

huiskamer binnentrad, waar de vrouw hem dadelijk ’n leunstoel toeschoof

waar de burgemeester in plaats nam en begon:

„Ik wou het eerst niet gelooven, maar nu heb ik het gezien van die

paal. ’t Is ’n vreemde geschiedenis..... en hebben jullie nu ook nog ’n

onzichtbare haan?”

De boer en de boerin knikten met gezichten alsof er iemand van de

familie dood was en de boer antwoordde:

„Jawel burgemeester en de zeug heit ’t ook te pakken.”

„Tja daar heb ik van gehoord van de veldwachter... enne... je kan niet

gissen wie je dat lapt?”

„Nee burgemeester, we begrijpen d’r heelemaal niks van.”

„Maar ik vind het doodakelig,” zei de vrouw.

„Tja... dat kan ik me begrijpen.”

„M’nheer Bruggemans,” ging de boer voort, „zegt nou wel dat het

allemaal heel natuurlijk is en hij heeft ons in ’n krant laten lezen

van die amerikaansche uitvinding, waar dat allemaal in staat.”

„Wat zeg je? ’n amerikaansche uitvinding? Daar heb ik nog nooit van

gehoord.”

Koen dacht dat die burgemeester zeker geen tijd had om kranten te

lezen, dat ie dát nog niet wist, doch toen de burgemeester daarop zei,

dat ie die m’nheer Bruggemans wel eens wou spreken, werd het hem toch

wel ’n beetje benauwd om het hart.

„Daar zal je ’t hebben,” dacht ie.

De boer wilde dadelijk m’nheer Bruggemans gaan halen, doch de

burgemeester zei, dat ie zelf wel naar die m’nheer toe zou gaan en

stond meteen op. Koen had graag meegegaan om te vernemen wat die

burgemeester wel aan z’n vader vragen zou, doch dat ging nu eenmaal

niet. Toen de burgemeester weg was, gingen Koen en Piet ook de kamer

uit en Piet stelde dadelijk voor om eens te gaan afluisteren wat de

burgemeester en m’nheer Bruggemans samen wel zouden bespreken. Maar

Koen wou niet. Afluisteren vond ie niet zooals ’t hoorde. Je hoefde je

ooren niet dicht te stoppen als je er toevallig bij was maar moedwillig

voor luistervink te spelen, dat mocht in geen geval. Piet begreep daar

niemendal van. Die vond zooiets naar het scheen heel gewoon. Koen bleef

echter op z’n stuk staan en er gebeurde dus niets van.

Heel veel verloor hij er niet bij, want de burgemeester wou enkel maar

van m’nheer Bruggemans weten, wat er in de krant gestaan had over die

uitvinding. M’nheer en ook mevrouw Bruggemans vertelden hem wat ze er

van wisten, lieten hem ook die krant lezen die ze van de boerin

teruggekregen hadden en daarna stapte de burgemeester weer op. Hij was

er ook niet veel wijzer van geworden, want al begreep hij nu wel, dat

er zooiets als ’n verdwijn-machine kon bestaan, hij wist toch evenmin

wat die machine te maken had met de rare dingen, die hij nu zelf

geconstateerd had (zooals de veldwachter dat noemde) op de boerderij.

Onder ’t heengaan, terwijl m’nheer Bruggemans ’n eindje met hem

meeliep, zei de burgemeester, dat ie van plan was de zaak eens zelf te

onderzoeken, want zooiets mocht toch maar niet.

De burgemeester liet er geen gras over groeien. Hij hield dadelijk op

het gemeentehuis ’n bespreking met de rijksveldwachter, de koddebeier

en z’n eigen politieman en het gevolg daarvan was, dat de drie

politiemannen naar de boerderij terug gingen en onmiddellijk begonnen

de nieuwsgierige dorpelingen naar huis te jagen. De menschen hadden

daar niet veel zin in, maar de politie trad nogal streng op en toen

gingen de menschen toch maar naar huis. Alleen de politie bleef in de

buurt van de boerderij om ’n oogje in ’t zeil te houden.

Natuurlijk verspreidde het nieuwtje van die onzichtbare paal, het

varken en de haan, zich al gauw in de omtrek. De menschen uit het dorp

waren er zoo vol van, dat ze er hun mond niet over konden houden en het

gevolg daarvan was, dat de volgende dag reeds menschen van elders

kwamen kijken en toen het ’n paar dagen later in de krant stond, begon

het eerst echt. De meeste menschen die het bericht lazen, geloofden er

niet veel van. Ze hielden het voor ’n aardigheid zooals er wel eens

meer in de krant stond. Doch er waren er ook die eens gingen kijken. Ze

gingen er even op hun fiets heen en die kwamen allemaal terug met het

verhaal van de porceleinen isolators van de telefoonpaal die je daar

zoo maar in de lucht zag zweven. Zoo verspreidde het nieuws zich

langzamerhand al verder en verder en het kwam ook te staan in andere

kranten. Er kwamen menschen in auto’s, in rijtuigen, per fiets en te

voet en het werd ’n drukte, die de drie veldwachters niet konden

beheerschen. De burgemeester was genoodzaakt andere rijksveldwachters

te laten komen om de orde te handhaven.

Toen kwam de slimme Piet op ’n idee. Hij ving de witte haan, deed hem

in ’n mand en liet ’m bekijken voor ’n kwartje. Het was eigenlijk

„voelen”, maar hij noemde het „kijken”.

De eerste dag dat ie dat deed, ontving hij al twintig kwartjes en de

volgende dag stond ie met z’n mand bij het hek, natuurlijk veilig er

achter, en naast zich tegen ’n boom had ie ’n papier gespijkerd waarop

Koen met groote mooie letters had geteekend:

DE ONZICHTBARE HAAN.

25 ct. entree!

Maïsvoeren 10 ct. extra.

M’nheer Bruggemans en mevrouw lachten luid toen ze dat lazen en m’nheer

vond die boerenjongen erg pienter. De boer vond z’n jongen ook erg bij

de hand, toen ie al de kwartjes zag, die Piet gebeurd had de eerste

dag. De tweede was de ontvangst nog veel grooter en de haan at zich

vet. Die kon nu en dan niet meer, ofschoon hij voor ’n klein beetje

maïs niet vervaard was. Maar de meeste menschen wilden hem zien eten en

Piet liet het telkens wel bij ’n paar korreltjes, doch er kwamen

zooveel nieuwsgierigen, dat de onzichtbare witte het soms toch niet

bolwerken kon.

Klaas wou toen ook zoo’n zaakje op touw zetten met het onzichtbare

varken, doch daar was niet zooveel animo voor. De stadsche menschen die

kwamen kijken, hadden niet veel zin om over het varken heen te aaien en

naar het vreten van het gulzige dier keken ze ook liever niet. Dat

leverde niet veel op en ’t varken, dat ’n dag in z’n hok was opgesloten

geweest, mocht weer naar de wei. Daar hadden de biggen ook veel meer

schik.

De haan won het op dat gebied ver van het varken en de spaarpot van

Piet voer er wel bij, tot de anderen er tegen opkwamen, dat Piet alles

alleen in z’n eigen spaarpot stopte. Ze wilden er ook wel wat van

hebben. De boerin die over dergelijke aangelegenheden de baas speelde,

gaf toen bevel, dat de opbrengst gedeeld moest worden, waarin Piet wel

moest toestemmen, maar dan moesten ook de anderen evengoed als hij bij

de mand staan, ieder op z’n beurt natuurlijk. Daar kwam de boer evenwel

tegenop. Hij kon de groote jongens niet uit het werk missen en toen zei

moeder, dat Piet en Mie om beurten bij de mand zouden staan om de

entrees in ontvangst te nemen. Zoo kwam het dat Mie en Berte ook met de

haan te kijk stonden na ’n paar dagen, wat Berte erg grappig vond.

Intusschen hadden de veldwachters nacht en dag de boerderij bewaakt en

niets ontdekt. Er kwam ’s nachts niemand daar in de buurt en van de

menschen uit het dorp of uit de omtrek was er niet een, die ’t gewaagd

zou hebben in het donker daar in de nabijheid te komen. Ze waren gewoon

bang. En iedere morgen ging de dorpsveldwachter naar het gemeentehuis

om rapport uit te brengen, en dat luidde onveranderlijk hetzelfde: Er

was niemendal voorgevallen en er was niets anders meer onzichtbaar

geworden.

De burgemeester had over de geheimzinnige zaak al die tijd nagedacht en

was met al dat nadenken zoover gekomen, het er voor te houden, dat die

m’nheer Bruggemans wel eens wat meer van het zaakje weten kon.

Dat onzichtbaar worden was begonnen na de komst van die man. Vroeger

was er nooit zooiets voorgevallen dus was het heel goed mogelijk, dat

m’nheer Bruggemans het gedaan had. Wat deed die man anders op zoo’n

stille plek in de Veluwe, waar anders nooit ’n stadsmensch kwam,

tenminste niet om er zoolang te wonen. Schilders hadden wel eens van

die kuren om op zoo’n stil plekje weken en weken te blijven hangen,

maar die deden het om er te werken. M’nheer Bruggemans deed niets van

die aard. Die deed de heele dag maar niemendal. De burgemeester had

eens geïnformeerd, wat ie de rest van ’t jaar in Amsterdam uitvoerde,

doch met die inlichtingen was ie ook al niet verder gekomen. M’nheer

Bruggemans was op ’n kantoor, directeur van ’n groote zaak. De

inlichtingen waren zeer gunstig. Er was op die m’nheer niets aan te

merken.

Maar toch bleef er bij de burgemeester ’n beetje argwaan tegen m’nheer

Bruggemans en hij gaf z’n veldwachter last, eens bizonder op die

m’nheer te letten.

Die avond had de dorpsveldwachter de wacht op de boerderij met ’n

rijksveldwachter en terwijl die twee op het achtererf stonden, vertelde

de dorpsveldwachter de ander wat de burgemeester hem had opgedragen.

„De burgemeester moest ons maar eens huiszoeking laten doen bij die

m’nheer daarvóór,” zei de rijksveldwachter. „Als hij in het bezit is

van die gekke machine, dan moeten we het ding toch in ’n ommezientje

ontdekken. Wij, (hij bedoelde zichzelf, de andere rijksveldwachter en

de koddebeier) hebben hem ook al lang in de smiezen. En we hebben hem

al nagegaan. Hij is in de laatste dagen niet van de boerderij gegaan

zonder dat wij het zagen en hij heeft niets van belang weg kunnen

brengen. Als die machine dus geen dingetje is, dat je in je vestzak

stoppen kan en àls hij het werkelijk heeft, dan moet het nog hier in

zijn bezit zijn.”

„Dat is zoo. Ik zal er morgen eens met de burgemeester over spreken.”

Dit gesprek hadden Koen en Piet woord voor woord kunnen volgen, terwijl

ze zich gereed maakten om in bed te stappen.

Koen zat op de rand van z’n bed en zei geen stom woord. Hij was er zóó

van geschrokken, dat ie geen woord kon uitbrengen. Piet echter was

onmiddellijk bij de hand met ’n idee.

„Zeg Koen, dat moet niet hoor.... Ze moeten dat kistje niet bij jouw

vader vinden..... Kan je niet meer praten?”

„Ja....we-wel,” stotterde Koen. „M-maar ik ben d’r toch zóó van

geschrokken!”

„Ik ook, maar ze moeten het niet vinden hoor.”

„Hoe kan dat nou.... Als ze bij vader de boel gaan nasnuffelen, vinden

ze ’t immers vanzelf. En ze hebben ’t zóó, want vader kan het nergens

in verstopt hebben als in z’n koffer, net als wij eerst. Ik heb alles

nagekeken om te zien waar het zijn kon.”

„En kunnen wij in die koffer komen?”

„Wij.... Welnee.... hoe zouen we?”

„Ja ’t moet toch.”

„Och jô, dat kan nooit. Ik zal ’t maar aan vader zeggen, dat zal ’t

beste zijn.”

„En waar moet ie dan dat ding laten? Vertel jij me dat es.”

„Weet ik ook niet..... Hij moet het maar naar Amerika sturen.”

„Net of dat kan. Die tuten loeren immers al lang op ’m. Nee jô, wij

moeten die machien weer zien te krijgen. Ik kan ’m verstoppen, dat ze

’t ding nog met geen honderd veldwachters vinden kunnen.”

„Maar hoe komen we d’r aan?”

„Ik zal d’r wel es over prakkezeeren. Nou ga ik maffen.”

Ze sliepen allebei dadelijk. Zelfs de onaangename gedachte, dat z’n

vader misschien morgen al door de veldwachters gesnapt kon worden als

degeen die de verdwijn-machine in z’n bezit had en dus verantwoordelijk

was voor het onzichtbaar maken van de haan, de paal en het varken en

bovendien nog gevaar liep voor ’n dief gehouden te worden, was niet in

staat hem wakker te doen liggen. Als die jongens hun bed maar roken,

sliepen ze al.

Maar de volgende morgen was hun eerste woord natuurlijk weer over die

gevaarlijke huiszoeking. Ze hadden misschien nog maar ’n halve dag

tijd. Eerst zou de veldwachter naar de burgemeester gaan en als die dan

deed wat die rijksveldwachter had voorgesteld, dan waren ze er

misschien ’s middags al. Tijd verliezen konden ze dus niet.

„Ze zijn bij jullie nog niet op hè?” zei Piet ofschoon ie dat net zoo

goed wist als Koen.

„Nee, waarschijnlijk niet voor ’n uur of acht.”

„’t Is nou half zes. Hebben we nog ruim twee uur. Als we het voor acht

uur niet te pakken krijgen, loopt je vader d’r tegen.”

„Ja.”

„En dan gaat ie in de kast.”

„Ik ga dadelijk naar vader om ’t ’m te zeggen,” zei Koen.

„Kan je zoo meteen nog wel doen. Dat is om acht uur nog vroeg genoeg,

als ’t dan moet. Laten we nou maar gauw naar beneden gaan, anders krijg

ik van vader op m’n kop.”

Ze gingen als elke morgen mee melken en toen ze terug waren zei Piet,

dat ie ’t kippenhok schoon ging maken. De boer en de boerin vonden dat

natuurlijk heel best. Dat kippenhok en de konijnenhokken, daar moest

Piet altijd voor zorgen. Piet had dat onder ’t melken bedacht, omdat ie

die morgen liever niet meeging met de anderen aan de gewone arbeid.

Koen begreep hem wel en die vond het wat aardig van Piet, dat ie hem nu

niet in de steek liet. Als ie ’t dan toch aan z’n vader zeggen moest,

had ie liever, dat Piet er bij was. Maar toen Piet aan dat kippenhok

begonnen was, ’n smerig werkje waar Koen liever naar keek dan dat ie

zelf meehielp, zei ie tegen Koen, dat ie eens moest gaan kijken in de

voorkamer of ie ook gemakkelijk bij die koffer van zijn vader komen

kon.

„Waarvoor?” zei Koen.

„Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Doe ’t maar.”

Koen ging en hij deed het zoo voorzichtig als ie maar kon. Hij wist

wel, dat z’n vader en z’n moeder niet zoo heel gemakkelijk wakker

werden, ze sliepen nogal vast, maar hij zou toch niet graag betrapt

zijn bij dat onderzoek. Dat ie in de kamer kwam, was natuurlijk niets

vreemds, maar hij moest snuffelen, bespieden en daaraan had ie ’n

hekel.

Het raam van de kamer was open. Vader en moeder waren niet bang voor

dieven en lieten tot groote ergernis van de boer en de boerin nog

altijd het venster open. Dat vonden ze gezond en ofschoon de boer en de

boerin van zoo’n soort gezondheid niemendal begrepen, lieten ze de

familie Bruggemans maar begaan, omdat ze goed betaalden. Maar ’t land

hadden ze er aan.

Koen klom zonder leven naar binnen. Hij had het al heel gemakkelijk bij

z’n onderzoek. De kast stond open en de koffer stond vooraan. Maar ’t

mooiste was, dat de sleutel er ook was. Die stak in het slot. De

gelegenheid was te mooi voor Koen. Als ie nou eens gauw die koffer

opendeed en als ie dan daar het koffertje van professor Wells in vond

en hij nam het dan in eens maar mee en hij verborg het dan in z’n eigen

koffer, dan liep vader heel geen gevaar meer.

’t Zou er wel niet in zijn, dacht ie. Want hoe kwam vader dan zoo dom

om het niet te sluiten. Even kijken. Misschien was vader zelf al zoo

voorzichtig geweest het gevaarlijke koffertje ergens anders te bergen.

Koen sloop naar de kast, deed de koffer open... Hij schrok er zelf van.

Daar was de machine van professor Wells!

De verleiding was te groot. Hij kon z’n vader redden als ie dat ding

weg nam, meende hij. ’n Paar seconden talmde hij nog, maar toen stak ie

snel z’n beide handen uit, pakte het koffertje op, deed de groote

koffer weer toe en Koen was ’t raam uit in ’n ommezien.

Zonder dat iemand hem in de gaten kreeg, was ie met ’t koffertje in de

kippenschuur bij Piet, die de schop waar ie mee aan ’t werk was, liet

vallen van opwinding toen ie zag wat Koen daar bij zich had.

„Ha!” zei Piet, „heb je ’t al?”

Koen knikte alleen maar. Hij was te opgewonden om wat te zeggen, en dan

was ie ook nog ’n beetje buiten adem, want hij had zich erg gehaast om

weer in de kippenstal te komen. Piet vond, dat Koen ’t er voor ’n

amateur-inbreker prachtig had afgebracht. Hij zei dat wel niet zoo,

want het woord amateur had ie waarschijnlijk nooit gehoord, maar

bedoelen deed ie ’t zeker toen ie fluisterde: „Fijn jô.”

En meteen had Piet het koffertje al weggeborgen onder wat oude rommel.

„Hoe heb je ’m dat gelapt?” informeerde hij daarna toen hij weer aan ’t

werk was in de kippenmest.

Koen vertelde het en voegde er in één adem bij dat ie stelen ’n

„beroerd” werk vond.

„Stelen?” zei Piet, „maar dat is toch geen stelen?”

„Niet, wat is het dan?”

„Dat weet ik niet, maar stelen is ’t niet.”

„’t Is insluipen, inbreken, dievenwerk.”

„’t Kan me eigenlijk ook niks schelen wat het is,” zei Piet lachend.

„Maar ’t moet ’n knappe veldwachter zijn die bij jouw vader nou dat

kistje vinden zal hè?”

„Da’s waar en daarom heb ik er ook geen spijt van. Ze zouen vader voor

’n dief gehouen hebben als ze ’t bij hem gevonden hadden en ik weet

zeker dat ie naar die professor in Amerika geschreven heeft om het hem

terug te bezorgen.”

„Vader zou hem leelijk onder handen genomen hebben om dat varken, en

dat is nog veel erger dan voor dief aangezien te worden.”

„Zou het?”

„Dat zou je niet vragen als je wel es ’n pak slaag van mijn vader gehad

had,” antwoordde Piet lachend.

Koen moest ook lachen, want hij dacht aan die reuzenhanden van de boer,

van die eeltige, bottige, harde instrumenten, die wel op je moesten

neerkomen als hamers, wanneer je er mee bewerkt werd. Alles goed

bekeken, was ie nu toch maar blij, dat ie ’t gedaan had, want het

kistje was nu in ieder geval veilig ook. Dat kon de boer ook al niet

bewerken met z’n klompen nu Piet het had. Die zou wel ’n plekje weten

voor het machientje waar het veilig bewaard kon worden tot de eigenaar

het terug kwam halen.

„Je laat het toch hier niet staan?” vroeg Koen.

„Kan je denken. Nee ’t gaat weer met ons naar boven.”

„O.... Zeg ik dee het liever ergens anders.”

„Nee jô.... ze krijgen ’t nou niet meer uit m’n vingers.... niet voor

die vent uit Amerika d’r om komt. Dan zeggen we alles. Maar hij krijgt

het niet terug of hij moet de haan en ’t varken weer zichtbaar maken.

Dat kan die immers?”

„Ik geloof het wel.”

„Je had het toch gelezen?”

„Ja, dat wel.... maar als hij die machine nou niet bij zich heeft als

ie eindelijk hier komt.”

„Dan gaat ie ’m eerst maar halen.”

„Amerika is niet naast de deur, jô.”

„Mijn ’n zorg, maar hij krijgt z’n kistje als wij ’t varken en de haan

terug krijgen. Da’s toch eerlijk hè?”

Koen wist niet of ’t nu wel precies eerlijk was. Die professor had met

het onzichtbaar worden van die twee beesten niets uit te staan. Dat

hadden zij gedaan. Maar Koen twijfelde er niet aan of die Amerikaan zou

met plezier die twee dieren weer zichtbaar maken met de telefoonpaal er

bij, als hij z’n kostbare verdwijn-machine maar terug had.

Toen Piet met z’n kippenhokken klaar was, bleef de verdwijn-machine

voorloopig in het kippenhok. Daar kwam toch niemand en de jongens

gingen gerust heen.

In de namiddag kwam werkelijk de burgemeester met z’n veldwachter en ’n

rijksveldwachter op de boerderij om ’n onderzoek in te stellen. En de

burgemeester begaf zich regelrecht naar m’nheer Bruggemans, die in de

hangmat lag zooals gewoonlijk. Mevrouw Bruggemans was met Berte en Mie

naar het bosch gegaan en m’nheer Bruggemans moest dus z’n hangmat uit

om de burgemeester zelf te ontvangen. Koen en Piet die de burgemeester

hadden zien aankomen, waren naar ’t voortuintje gegaan want ze wilden

de afloop van die zaak van nabij meemaken. Ze hoopten maar, dat m’nheer

Bruggemans hen niet zou wegzenden.

Dat deed m’nheer Bruggemans ook niet. Hij lette heelemaal niet op de

jongens. Hij was uit de hangmat gestapt en had de burgemeester

gevraagd, wat de reden van z’n bezoek was. Vlak achter de burgemeester

stonden de twee politiemannen met effen, strakke gezichten. De

rijksveldwachter had van nature ’n streng gezicht, maar de

dorpsveldwachter moest daar altijd heel veel moeite voor doen om zoo’n

gezicht te kunnen zetten. En dan ging het hem nog slecht af. Z’n neus

die ’n beetje rood en knobbelig was, zat hem daarbij altijd leelijk in

de weg. Dat reukorgaan wou maar nooit bij ’n strenge uitdrukking van de

rest passen. Die neus bedierf gewoon alles en de menschen moesten

altijd hoe langer hoe harder lachen als de dorpsveldwachter strenge

gezichten begon te zetten.

Zoo ging het ook Koen en Piet, die ’n eindje achter m’nheer Bruggemans

stonden en voortdurend die neus van de tuut in de gaten hielden, en dus

ook hoe langer hoe vroolijker gezichten trokken. De man had dat al lang

in de gaten en zou die jongens graag eventjes onder handen genomen

hebben, maar omdat de burgemeester met m’nheer Bruggemans bezig was,

ging dat eenvoudig niet en dus trachtte hij nog maar strakker te kijken

en wierp daarbij nu en dan woedende blikken naar de jongens, die

heelemaal geen respect voor hem schenen te willen krijgen. Ze zouden

wel anders piepen, dacht ie, als hij en z’n collega, de

rijksveldwachter, zoometeen aan die huiszoeking begonnen, en wie weet,

misschien die stadsche m’nheer tusschen hen in gevankelijk zouden

wegvoeren.

De burgemeester trachtte langs ’n omwegje tot z’n doel te geraken. Hij

vond het toch wel ’n beetje vervelend om die m’nheer uit Amsterdam

lastig te moeten vallen, maar plicht is plicht en het moest maar. Hij

begon over het varken, kwam op de haan en de telefoonpaal en tenslotte

op de machine. Daarna legde hij m’nheer Bruggemans uit, dat hij

verplicht was, ofschoon geheel tegen zijn zin, ’n nauwkeurig onderzoek

in te stellen en hij verzocht m’nheer Bruggemans hem daarbij niets in

de weg te leggen. Hij veronderstelde en hoopte, dat m’nheer begrijpen

zou, dat het allemaal noodig was om die duistere zaak tot klaarheid te

brengen. En toen verzocht hij hem of hij met z’n veldwachters ’n

onderzoek mocht instellen naar de aanwezigheid van die machine, want

het was mogelijk dat m’nheer Bruggemans dat ding in z’n bezit had.

M’nheer Bruggemans was er ’n beetje van geschrokken, maar dat liet ie

niet blijken. Hij herinnerde zich nu plotseling ook, dat ie de sleutel

in z’n koffer had laten zitten en dat ie nu niet goed die koffer dicht

kon laten, als die burgemeester met het onderzoek zou beginnen. Maar er

was niets aan te doen. Hij hoopte, dat ze het leeren koffertje, waarin

dat machientje zat, voor ’n gewoon koffertje zouden aanzien. Misschien

zou die burgemeester wel niet vragen dat ook nog te openen en als ie ’t

wel deed ja, dan begon het gevaarlijk te worden, doch wat wist die man

van verdwijn-machines? Niemendal. Als ie die papieren niet las, kwam ie

er niet achter ook en zoo streng zou hij het onderzoek wel niet

doorvoeren om ook nog die papieren te gaan lezen als hij ze vond. Als!

M’nheer Bruggemans noodigde de burgemeester heel vriendelijk uit om mee

naar binnen te gaan. Hij zou hem niets in de weg leggen bij z’n

onderzoek.

En nu begon het. Gevolgd door de veldwachters traden m’nheer Bruggemans

en de burgemeester binnen en Koen en Piet waren zoo vrij door het

venster de zaak mee aan te zien. M’nheer Bruggemans liet eerst de

slaapkamer bekijken, doch daar werd niets gevonden. Ze kwamen er gauw

weer uit. De veldwachters waren niet mee daarbinnen geweest. Vervolgens

begon het onderzoek in de groote voorkamer en de jongens zagen, dat

m’nheer Bruggemans het langst wachtte met de kast, waarin z’n koffer

stond. Doch eindelijk kwam die ook aan de beurt. De burgemeester vroeg

wat er in die koffer zat en mijnheer Bruggemans antwoordde, kleeren en

wat andere rommel. Wilt u kijken?

„Nee.... of ja laat u toch maar even zien, als u wilt.”

M’nheer Bruggemans knielde bij de koffer en deed die open. De

burgemeester keek over zijn schouder.

„’k Zie het al,” hoorden de jongens de burgemeester zeggen. „Niets

verdachts. Doet u de koffer maar weer dicht.” En toen m’nheer

Bruggemans uit z’n knielende houding was opgerezen, zei de burgemeester

nog: „Dank u wel voor uw bereidwilligheid m’nheer Bruggemans.... ’t was

maar ’n formaliteit. Ik hoop dat u ’t mij niet kwalijk zult nemen.”

„Heelemaal niet burgemeester,” antwoordde m’nheer Bruggemans, en hij

liet de burgemeester uit. Doch daarna stond ie weer midden in de kamer

en keek naar z’n koffer. Hij deed hem weer open en haalde alles

overhoop wat er in was, stopte het daarna weer er in zonder te kijken

of hij het netjes deed en bleef toen ’n heele tijd in gedachten zitten

op z’n knieën.

Koen en Piet gingen heen zonder dat m’nheer Bruggemans hen had

opgemerkt.

„Hoe was ie?” vroeg Piet.

„Prachtig... Zag je vader voor die koffer zitten?”

„O, die begrijpt er niks van,” zei Piet lachend.

„Denk ik ook,” antwoordde de ander eveneens lachend. „Maar hij is er

toch maar fijn doorgerold.”

„En of.”

Nog geen uur later moest Koen voor z’n vader ’n brief posten in het

dorp. Hij en Piet gingen samen op de fiets.

Het adres van de brief luidde, zooals Koen ’t aan Piet voorlas:

De heer D. Wells, professor aan de universiteit, Yale, Vereenigde

Staten van Noord-Amerika.

„Da’s de derde,” zei Koen.

„En daar staat in, dat de machine weer verdwenen is,” zei Piet lachend.

„Ik zou wel es willen weten,” zei Koen na ’n poosje, „waarom vader geen

antwoord kreeg op die eerste twee. ’t Had al hier kunnen zijn.”

„Maar Amerika is toch ’n heel eind weg?”

„Nou maar die vent had toch kunnen telegrafeeren. Dat zou mij zoo’n

machine wel waard zijn.”

De verdwijn-machine · 第 12 / 19 题