Waarin de veldwachter rare dingen beleeft, de burgemeester
ongeloovig blijkt en de dorpelingen op onderzoek uitgaan, waarbij
ze allemaal raar terecht komen.
De veldwachter had natuurlijk van het heele verhaal, dat Klaas hem
gedaan had, geen steek begrepen. De goeie man was wel niet zoo’n
buitengewone slimmerd maar hij liet zich dan toch maar zoo niet op
klaarlichten dag wijs maken, dat er onzichtbare varkens konden bestaan.
En dan nog wel ’n varken dat onzichtbaar werd waar je bijstond! ’t Was
zeker ’n mop van die boerenjongens die hem er eens tusschen wouen
nemen. Doch dan moesten ze vroeger opstaan. D’r was er in de heele
gemeente niet een glad genoeg, die hem d’r in liet vliegen.
„Zoo, zoo,” zei de veldwachter lachend, „en is dat die groote zeug van
je vader?”
„Ja die is het,” antwoordde Klaas. „En moeder is d’r heelemaal kapot
van.”
„Dat wil ik wel gelooven,” zei de veldwachter nog altijd lachend. „Maar
weet jij wel Klaas dat het ’n strafbaar feit is als je bij de politie
met valsche aangiften aan boord komt?”
„Valsche aangiften?” zei Klaas. „Denk jij dat ik je wat sta voor te
liegen? Ga dan maar dadelijk mee dan kan je het zelf zien. ’t Varken is
nog niet heelemaal onzichtbaar. D’r loopen nog ’n paar pooten van ’m in
’t land.”
De veldwachter lachte opeens niet meer. Hij keek Klaas eens aan en vond
dat ie erg mal deed. Die arme jongen was bepaald stapelgek geworden. De
veldwachter knikte alsof ie ’t met zichzelf eens geworden was. Hij zou
Klaas naar huis brengen en dan konden ze de dokter laten komen. En daar
hij gelezen had, dat je zeer zachtzinnig met gekken moet omgaan,
besloot hij erg vriendelijk tegen hem te doen en hem maar gelijk te
geven al vertelde hij hem ook nog zulke dwaze dingen.
Maar voor alle gebeurlijkheden stak hij de handboeien in z’n zak en
deed ie z’n sabel om. Je kon nooit weten. Klaas mocht onderweg eens
onverwachts ’n woeste bui krijgen.
„Zoo Klaas,” zei hij toen hij even binnen geweest was om die dingen te
krijgen en z’n vrouw gezegd had wat ie ging doen, „dan ga ik maar
dadelijk met je mee. Ik wil dat onzichtbare varken toch ook wel es
zien.”
„Nou,” antwoordde Klaas terwijl ze stevig doorstapten, terwijl de vrouw
van de veldwachter achter de gordijntjes van de voorkamer hen nakeek,
„misschien is d’r nog wel ’n stukkie van over als we d’r gauw bij zijn.
Laten we maar dadelijk naar ’t land gaan waar ’t varken loopt.”
„Nee Klaas,” zei de veldwachter, „dat mot je nou es aan mij over laten.
We gaan eerst naar je huis. Ik moet je vader d’r eerst nog es over
spreken.”
„Moet jij weten,” zei Klaas weer. „Maar as je niet gauw maakt dat je er
bij bent, is al ’t slik d’r af en dan is ’t varken niet meer te zien.”
De veldwachter antwoordde maar niets. Op zoo’n onzin dee je maar beter
je mond te houen. Maar hij dacht: „Sjonge, sjonge, wat heit die Klaas
het te pakken. En wat is toch een mensch die ze niet meer alle vijf bij
mekaar heit!” Maar na ’n poosje zei ie: „Zeg Klaas zijn ze van jullie
niet in het roggeveld?”
„Jawel,” antwoordde Klaas.
„Nou, dan moesten we daar langs gaan. ’t Ligt toch bijna in onze weg.
We hoeven er om zoo te zeggen niks voor om te loopen.”
„Mij goed,” zei Klaas. „Dan kan vader meteen met ons meegaan.”
„De zaak marcheert boven verwachting,” dacht de veldwachter. „Ik heb ’t
er niks op begrepen om lang alleen met zoo’n jongen te loopen. Als ie
verkeerd wou, zat ik er leelijk mee. ’t Is ’n stevige knaap die Klaas
en ik zou de handen vol aan ’m hebben als ie verkeerd wou.”
Ze liepen stevig door en kwamen tot groote opluchting van de
veldwachter binnen ’n paar minuten aan ’t roggeveld waar de boer en
Dirk stevig aan de arbeid waren.
Toen ze de veldwachter met Klaas zagen aankomen, lieten ze ’t werk
rusten en de boer begon dadelijk:
„Zoo veldwachter da’s aardig van je dâ je zoo dadelijk mee gekomen
bent. Ja man, d’r gebeuren hier rare dingen. Daar zal je van opkijken.
’t Begon met de witte haan en toen was de telefoonpaal weg. Maar dat
zal Klaas je al wel verteld hebben.”
De opluchting die de veldwachter gevoeld had, toen ie op ’t roggeveld
kwam, was ineens weg. Hij kreeg het tamelijk benauwd. Die boer had het
nog erger te pakken dan Klaas. Die had alleen maar gesproken van het
groote varken. Maar nou moest je die boer hooren.
„Ja, wat zal ik je zeggen,” zei de veldwachter. „Misschien was het ’t
beste dat ik er eerst de burgemeester van in kennis stelde, vindt je
ook niet?”
De veldwachter dacht: „Als ik maar eerst hier vandaan ben.”
Doch de boer antwoordde:
„Nee veldwachter ga jij nou eerst mee, dan kan je ’t zelf verbaliseeren
voor ’t varken heelemaal weg is.”
„Weet je wat,” dacht de veldwachter, „ik zal ’m z’n zin maar geven.
Tegen drie man ben ik toch niet opgewassen en als ’t heelemaal verkeerd
gaat, sla ik d’r met m’n lat op in.”
Hij ging dus mee.
Maar de boer nam hem niet dadelijk mee naar het land waar de zeug liep.
Hij ging eerst naar huis.
Dat was wel niet erg naar de zin van de veldwachter, die zich
voorgenomen had zoo gauw mogelijk te maken, dat ie weg kwam. Doch er
was niets aan te doen, hij durfde niet weigeren. Hij hoopte nu maar dat
de boerin tenminste nog goed bij d’r verstand zou zijn.
Maar dat viel hem niet mee. De boerin was volgens hem nog gekker dan de
rest. Ze begon ook al dadelijk over het varken en over de witte haan en
de telefoonpaal en de veldwachter was blij, toen m’nheer Bruggemans,
die hij ’n paar maal op het dorp gezien had, binnenkwam. Nu kreeg hij
in ieder geval hulp als ’t er op aankwam.
Toen m’nheer Bruggemans z’n mond evenwel opendeed, vond de veldwachter
dat m’nheer Bruggemans het nog erger te pakken had dan de overigen.
M’nheer Bruggemans zat hem namelijk uit te leggen, dat die
verdwijningen heel natuurlijk waren en de veldwachter, die er geen kop
of staart aan kon vastmaken, zei maar aldoor:
„Ja, dat zal wel,” of „daar heb je gelijk aan.”
Maar het zweet van benauwdheid stond hem op z’n voorhoofd en nog nooit
had hij zoo vurig gewenscht ergens vandaan te komen.
Om er ’n eind aan te maken, hij was vast van plan zoodra hij buiten
kwam gewoon op de vlucht te slaan, stelde hij maar voor, eens te gaan
kijken naar het varken en ze stonden allemaal haast tegelijk op om mee
te gaan. Met hun allen, m’nheer Bruggemans bleef ook niet achter,
liepen ze naar het land en de veldwachter zag geen kans aan z’n
voornemen om op de vlucht te gaan gevolg te geven, want ze omringden
hem alsof hij hun gevangene was. Tenminste dat dacht de veldwachter.
Piet en Koen waren ook al van de partij.
De veldwachter meende, dat ie in ’t land ’n gewoon kompleet varken zou
te zien krijgen en dat al die gekken hem zouden trachten wijs te maken
dat ze het geen van allen zagen. Doch hij was nog nauwelijks het hek
door of hij bleef verschrikt en beteuterd staan. Hij zag duidelijk
dertien biggen, doch daarvoor liep één donkere varkenspoot.
„Zie je ’t nou,” zei de boer. „D’r is nog één poot van zichtbaar omdat
er modder op zit.”
De veldwachter veegde met z’n groote rooie zakdoek langs z’n gezicht.
Zoo iets raars had ie nog nooit gezien. Doch er kwam geen woord over
z’n lippen. Hij begon in te zien dat die menschen die hij allemaal voor
gek versleten had, volkomen bij hun verstand waren. Maar wat ie daar
voor z’n neus zag, dat was nog erger dan ’n heel huis vol gekken. Wie
had daar nou ooit van gehoord, dat je op klaarlichten dag in ’n wei ’n
varkenspoot zou zien loopen met dertien biggen. En dan wou die stadsche
m’nheer ’m nog wijsmaken dat het de natuurlijkste zaak van de wereld
was en dat de een of ander het gedaan had met ’n verdwijn-machine.
„M’nheer,” zei de veldwachter eindelijk, „je mag praten wat je wilt,
maar ik vind het de onnatuurlijkste zaak die je maar bedenken kunt. En
van je verdwijn-machine geloof ik geen steek. Weet je wat ik vind? Ik
vind het rechtaf akelig. En ik geloof heelemaal niet dat aan die poot
nog meer van ’n varken zit.”
„Maar dat heb je dan toch leelijk mis,” zei de boer. „Ik zal je
dadelijk overtuigen. Piet breng jij de zeug es hier.”
Piet en Koen gingen naar de poot en ’n oogenblik later had Piet het
touw vast dat aan ’n onzichtbare achterpoot gebonden was. Dat touw had
de veldwachter nog heelemaal niet gezien omdat het tusschen het gras
lag. De zeug liet zich gewillig door Piet en Koen voortdrijven, want
het beest was erg mak. Alleen de biggen holden weer weg. Even later
stonden ze allemaal om het varken heen en de veldwachter kon nu zelf
voelen dat de zeug werkelijk bestond. Eerst was hij ’n beetje huiverig
om ’t beest aan te raken, maar toen de anderen het ook deden, vermande
hij zich.
„’t Is warempel ’n heel varken,” prevelde hij, „’n compleet varken,
maar je ziet er geen spat van. En jullie zegt dat je zoo’n haan ook
hebt en dat die telefoonpaal ook zoo is? Dat wil ik dan ook wel eris
constateeren, want ik moet het dadelijk aan de burgemeester
rapporteeren.”
„Dat kan,” zei de boer, „ga maar mee.”
Ze lieten hem de onzichtbare haan betasten die Piet voor hem ving en
daarna gingen ze in optocht naar de paal.
„Sjonge, sjonge, daar heb ik niet van terug hoor,” verklaarde de
veldwachter. „En wat denken jullie nou te doen? Want neem me niet
kwalijk, maar volgens mij kan dat zoo niet voortgaan. Daar moet wat
tegen gedaan worden.”
„Juist,” antwoordde de boer. „Zoo mag ik het hooren. D’r moet wat tegen
gedaan worden. Jij bent van de politie en jij moest nou eris ’n paar
nachten de wacht hier houen. Misschien snap jij die lui. Jij hebt daar
meer verstand van dan wij.”
„Tja... dat zal niet gaan... Ik heb over dag m’n dienst zie je en ’s
nachts ben ik graag thuis, dat begrijp je ook wel. Maar ik zal d’r eens
met de burgemeester over parlementeeren en wat die gelast dat zullen we
dan doen.”
„Best veldwachter, dan ga ik vanavond zelf ook nog es naar de
burgemeester.”
„Nou... as ik jou was, dee ik dat niet... laat het maar liever aan mij
over.”
„Nee ik wil de burgemeester zelf d’r wel eris over onderhouen.”
„Zooals je wilt,” zei de veldwachter, „maar ’t is eigenlijk mijn werk.”
De veldwachter ging heen met z’n handen op z’n rug. Je kon aan hem
zien, dat ie over het vreemde geval liep na te denken.
„Zie je nou wel,” zei Piet toen ie met Koen alleen was. „Hij heeft niks
gevraagd.”
„Nee, maar dat zal de burgemeester wel doen als ie vanavond komt. Die
zal ’t wel anders aanpakken denk ik.”
„Dat zullen we afwachten. Jouw vader lijkt me niks bang voor
veldwachters, Koen. Ik ben nieuwsgierig hoe die tegen de burgemeester
doen zal. Geloof jij, dat ie vertellen zal, dat hij ’t gedaan heeft?”
„Dat weet ik niet Piet, maar liegen zal ie er niet om. Dat weet ik
vast.”
„Hoe weet jij dat nou?”
„Omdat vader ’n hekel heeft aan liegen. Hij werd altijd gloeiend nijdig
als wij ’t deden al was het ook nog zoo’n klein leugentje voor de
grap.”
„Dan zal hij er wel mee voor de dag moeten komen als de burgemeester
hem ondervraagt. De burgemeester is niet zoo stom als de veldwachter
zie je.”
Koen was nu werkelijk ’n beetje ongerust over z’n vader. Maar m’nheer
Bruggemans zelf scheen heelemaal niet ongerust. Die deed net als
altijd. Hij lag in de hangmat te lezen maar hij ging ’n keer of wat
naar het varken kijken, doch niemand zag daar iets vreemds in. Zooiets
komt niet elken dag voor en dan is het zeer begrijpelijk als je er ’n
beetje nieuwsgierig naar bent. Heel veel was er echter aan het varken
niet meer te zien. Niet meer dan het touw dat achter het beest
aansleepte.
De veldwachter was naar de burgemeester gegaan om rapport uit te
brengen zooals hij dat noemde. Toen-ie begon, had de burgemeester kalm
geluisterd. Dat deed ie altijd als de veldwachter kwam om wat te
vertellen. Maar toen de veldwachter ’n poosje aan de praat was,
onderbrak de burgemeester hem en zei, dat ie met zulke malle smoesjes
niet bij hem moest aankomen. Daar was burgemeester niet van gediend.
Hij wist allang dat de boeren bijgeloovig waren. Maar ’n veldwachter
behoorde daaraan niet mee te doen. Die moest wijzer wezen.
„Maar burgemeester het is echt waar. Ik heb het toch zelf gezien,” zei
de veldwachter ’n beetje in z’n eer getast omdat de burgemeester er
blijkbaar geen woord van geloofde.
„Wat heb jij gezien? ’n Onzichtbaar varken? Dat kan je niet zien.”
„D’r liep nog één poot van burgemeester. Ik heb m’n oogen niet in m’n
zak. Wat ik zie, dat zie ik.”
„Dat kan wel, maar hou nou asjeblieft je mond. Als je me niks anders te
vertellen hebt, ruk je maar uit. Begrepen?.... Enne.... wat ik nog
zeggen wou.... je gaat naar die boer en je zegt hem, dat ik niet te
spreken ben voor hem als ie me ook met dat flauwe vertelseltje aan
boord wil komen. Daarvoor ben ik geen burgemeester om bakersprookjes
aan te hooren.”
De veldwachter kwam heelemaal uit het veld geslagen bij z’n vrouw.
Eerst zei hij geen stom woord, maar z’n vrouw, die wel zag dat er wat
aan haperde, begon hem uit te vragen, zooals ze altijd deed als er wat
bizonders aan de hand was, dat ze ook graag weten wou en toen kwam de
veldwachter langzamerhand los.
De vrouw smulde van het verhaal. Dat was nou eens iets echt griezeligs.
Zooiets hadden ze in geen jaren in de gemeente beleefd. Dat zou ze eens
gauw aan d’r buurvrouw vertellen.
Maar de veldwachter die al lang zenuwachtig was, sloeg opeens met z’n
vuist op de tafel, wat ie wel durfde bij z’n vrouw maar niet bij de
burgemeester, en hij verbood nijdig, dat z’n vrouw er iets van zou
vertellen tegen wie ook. „Het moest ’n geheim blijven.”
„Nou, nou,” suste de vrouw, „maak je maar niet overstuur. Jij bent
altijd nijdig hier als je met de burgemeester wat gehad hebt. Sla dáár
op de tafel.”
En ze liep meteen de deur uit om het toch maar te gaan vertellen aan de
buurvrouw. De veldwachter had gezegd, dat het ’n geheim was en dat zei
ze dan ook aan de buurvrouw. Ze vertelde het in vertrouwen en het moest
„onder ons” blijven.
Dat beloofde de buurvrouw onmiddellijk en toen de veldwachtersvrouw weg
was, ging ze er dadelijk mee het dorp in, zoodat de historie van de
onzichtbare haan, de telefoonpaal en het groote varken dezelfde avond
al tweemaal de ronde gedaan had in het dorp.
Iedereen was er van op de hoogte en toen de arbeid was afgeloopen en de
mannen, die van hun werk kwamen er ook mee in kennis gesteld waren, kon
je op het dorp overal groepjes menschen zien staan die het
wonderverhaal stonden te bespreken.
De grootste hoop stond voor de smidse, en de smid zelf was de president
van de vergadering. De zwarte smid stond tegen de deurpost van de
smederij geleund met z’n gespierde armen over elkaar. Andere avonden
ging hij zich altijd eerst wasschen voor hij buiten kwam, maar bij deze
gelegenheid had ie zich geen tijd gegund. Hij was zoo van achter het
aambeeld naar buiten gekomen.
Die smid was op het dorp ’n soort orakel, dat overal raad op wist. Hij
had volgens z’n eigen zeggen allerlei wonderlijke dingen beleefd en als
iemand ’s avonds een of andere griezelige historie vertelde, wist de
smid er altijd een die nog griezeliger was.
Doch nu stond ie gebluft. Zoo iets wonderlijks als het verhaal van de
veldwachter, daar stond ie paf van. En toen zei ie maar, dat de
burgemeester wel gelijk zou hebben, dat er van het heele zaakje niets
aan kon zijn.
Maar ’n jonge kerel, die heel wat keertjes bij nacht en ontij er op uit
geweest was om konijnen te stroopen en dus niet bang was in ’t donker,
vond dat ze het zaakje met hun allen best eens konden gaan onderzoeken.
De telefoonpaal wisten ze allemaal te staan en nu vond hij het ’t
eenvoudigste om eens even te gaan zien of het ding er nog stond of
niet.
Dat waren verscheidene dorpelingen met hem eens, doch toen zei er een
dat ie ’s middags nog langs die weg gekomen was op de fiets en dat ie
toen niks gemerkt had.
„Zag jij de paal dan?” vroeg de smid.
„Nee dat niet... ik heb aan die heele paal niet gedacht. Maar als ie er
niet meer gestaan had, zou ik het gezien moeten hebben. Zooiets merk je
wel.”
„Da’s nog zoo zeker niet,” zei ’n ander. „Ik ga kijken, wie gaat er
mee?”
De smid was dadelijk bereid met nog ’n stuk of zes anderen. De rest
vond het wat te ver uit de buurt.
„Och wat,” zei de smid, „in twintig minuten zijn we d’r.”
Maar de anderen waren niet mee te troonen en dus gingen ze met hun
zessen op het pad. Toen ze het dorp doorgingen, sloten zich nog eenige
nieuwsgierigen bij hen aan en die wisten te vertellen dat de
veldwachter er al op uit was met de rijksveldwachter en de koddebeier.
Toen ze bij de paal kwamen, was het pikkedonker. Ze vonden allemaal dat
het nog zelden zoo donker geweest was als die avond. Maar de strooper
hield vol, dat ie nog heel goed alles kon onderscheiden.
„Dan heb jij zeker katteoogen,” zei de smid. „Ik zie geen snars.”
„Nou,” zei weer ’n ander, „als jij nog zoo goed kan zien, moet jij mij
es vertellen of je de telefoonpaal ziet of niet.”
„Nee,” antwoordde de strooper, „zien doe ik ’m niet maar ik voel ’m en
als jullie nou een van allen ’n lucifertje aansteekt, dan wed ik, dat
we ’m allemaal zien kunnen ook. Hier staat het ding nog net als altijd,
wat ik je brom.”
Er werden minstens vier lucifers tegelijk aangestoken en zoodra die
vlammetjes hun beetje licht gaven, riep de strooper:
„Verroest, ’t ding is d’r niet en toch hou ik er m’n hand tegen.”
Ze hadden allemaal die hand gezien met niets d’r in. En nu bleven ze
aan ’t lucifers aanstrijken en ze zagen het allemaal dat de paal weg
was. Toen kwam er een op de idee ’n krant, die hij in z’n zak had in
brand te steken en bij die flambouw konden ze de draden in de lucht
zien en de porceleinen potten die nergens houvast aan schenen te hebben
en toch daar maar hoog boven stijf bleven staan.
De man die de krant aangestoken had, brandde z’n vingers omdat ie al
maar naar boven keek. Hij riep „au” en liet het restje van de krant
vallen, dat even hoog opflikkerde en op de grond met ’n beetje roode
gloed uitdoofde. Daarna was het nog donkerder dan te voren en de zes
dorpelingen stonden daar doodstil in de plotselinge duisternis en zeien
geen stom woord.
Tot er een het lichtschijnsel uit de boerderij opmerkte en toen niets
beter te zeggen wist dan:
„In de boerderij hebben ze nog licht op.”
Het flauwe lichtschijnsel dat uit de kamer van m’nheer Bruggemans kwam,
die de luiken niet dicht had, kikkerde de zes moedige mannen dadelijk
’n heeleboel op. Toen ze zoo plotseling in de duisternis gestaan hadden
bij die onzichtbare paal, waren ze allemaal ’n tikje benauwd geweest.
Zelfs de strooper had het te pakken gekregen.
De smid verbrak het eerst het stilzwijgen:
„Nou weten we ’t en nou ga ik naar huis.”
De anderen dachten er net zoo over en ze togen weer huiswaarts.
De strooper wist ’n weggetje door het bosch waarlangs ze volgens hem in
tien minuten thuis konden zijn. Ze kenden allemaal dat paadje, maar de
strooper wist daar ook bij nacht bescheid. De anderen namen dat pad
weleens als ze die kant uit moesten overdag, doch niemand zou het in
z’n hoofd krijgen daar gebruik van te maken als het zoo donker was als
op die avond. Ze wilden echter wel graag gauw thuis zijn en ze wisten,
dat de strooper die smalle boschpaadjes goed kende, omdat ie er ’t
liefst gebruik van maakte als ie er ’s nachts op uit trok. Ze gingen
dan ook gerust met hun vijven achter hem aan.
Om op dat boschpaadje te komen moesten ze voorbij de boerderij en dat
was de oorzaak, dat, in plaats van vroeger thuis te komen, ze leelijk
aan ’t dwalen raakten.
Toen ze namelijk voorbij de boerderij kwamen stapten daar net heel
zacht de rijksveldwachter, de koddebeier en de dorpsveldwachter de
achterdeur uit. Zoodra die drie mannen van de wet het geloop van die
menschen hoorden, stiet de rijksveldwachter de anderen aan en hij
fluisterde: „Hooren jullie dat?”
De anderen hoorden het, wat geen wonder was want de zes dorpelingen
deden geen moeite om zich onhoorbaar te maken, wat de strooper anders
op z’n nachtelijke tochten wel deed. Ze hadden geen kwaad in de zin en
dus hoefden ze geen voorzorgen te nemen om niet ontdekt te worden.
Nu hadden de drie veldwachters met de boer en de boerin het
geheimzinnige geval lang en breed zitten bepraten terwijl ze aanhoudend
maar koffie dronken met schijven zoete koek. En het gevolg was dat de
politiemannen beloofd hadden ’n paar nachten de wacht te houden om te
probeeren of ze de dader of de daders niet te pakken konden krijgen. De
burgemeester wist er wel niets van, maar dat was volgens de
rijksveldwachter ook niet noodig.
De rijksveldwachter en de koddebeier waren geen van tweeën erg bang
uitgevallen. Die hadden al heel dikwijls samen van die nachtelijke
karweitjes opgeknapt. Het waren meestal stroopers die ze dan
achtervolgden en dat waren soms brutale heeren die ook voor geen klein
geruchtje vervaard waren. Ze hadden er zelfs wel eens om moeten vechten
wie de baas zou blijven en daar waren ze niet altijd zonder
kleerscheuren afgekomen. Maar ze hadden dan ook menige strooper
geknipt, en ze stonden er voor bekend, dat er niet met hen te
gekscheren viel.
„Hooren jullie dat?”
Toen de rijksveldwachter dat fluisterde, stonden de koddebeier, die ze
zoo noemden, maar hij heette eigenlijk jachtopziener, en de
rijksveldwachter zelf net als ’n paar jachthonden die wild ruiken met
hun neus in de wind.
De dorpsveldwachter, die meer gewoon was boodschappen voor de
burgemeester te doen als ’t nog dag was en ’s nachts liever behoorlijk
in bed lag, had evenwel niets van ’n jachthond op dat oogenblik. Hij
hoopte maar dat het niet tot ’n gevecht of zoo iets zou komen en hij
nam zich in stilte voor, als er iets van dien aard zou gaan gebeuren,
zich ’n klein beetje achteraf te houen.
„Hierheen,” fluisterde de rijksveldwachter, na ’n klein poosje
geluisterd hebben, „die snappen we.”
De dorpsveldwachter bleef in de achterhoede.
Het duurde niet heel lang of de strooper die de aanvoerder was der vijf
dorpelingen hoorde iets. Hij had scherpe ooren en was gewoon op alle
geluiden te letten.
„Stop,” zei hij heel zacht en toen ze stilstonden hoorden ze het ook
allemaal.
„Daar komt wat aan,” zei de strooper weer en aangezien hij liever niet
gesnapt werd bij nacht in dat bosch verdween hij onmiddellijk in de
struiken. De andere vijf met de dappere smid voorop gingen aan de haal
langs het smalle paadje. Ze dachten niet aan veldwachters, zooals de
strooper, het kwam heel niet in hun hoofden op dat er veldwachters hen
op de hielen konden zitten. Zij dachten meer aan de onzichtbare paal en
brachten het geluid van voetstappen, dat ze toch duidelijk gehoord
hadden in verband met dat geheimzinnige onzichtbare ding en ze
vluchtten weg met de schrik in hun beenen. Het leek hen of ze maar niet
vooruit kwamen en ze liepen toch als hazen. Al heel gauw begonnen ze te
struikelen over boomwortels en raakten nu en dan in de struiken verward
en na vijf minuten wist de een niet meer waar de ander was. Ze waren
elkaar kwijt en ieder zocht op z’n eigen houtje ’n goed heenkomen. Het
was ’n gekraak en gekreun zooals het bosch nog niet beleefd had en de
achtervolgers wisten niet meer hoe ze ’t hadden want ze hoorden aan
alle kanten geluid. Tot eindelijk de rijksveldwachter over iets heen
viel dat naderhand bleek de dorpssmid te zijn.
De rijksveldwachter greep onmiddellijk toe en hield vast.
„Jou heb ik tenminste,” mompelde hij.
De smid was te verbouwereerd om iets te antwoorden, of zich te
verzetten. Maar na ’n paar sekonden kwam hij weer ’n beetje bij van de
schrik en daarmede ook tot het besef, dat ie toch iets doen moest om
zich vrij te maken van degeen die hem zoo overvallen had. Hij had er
geen idee van dat het de rijksveldwachter was, anders had ie hem wel
gauw verteld, wie hij was. Nu zei hij maar niemendal en begon te
worstelen om los te komen. Sterk was ie en de rijksveldwachter begon al
gauw in te zien, dat ie de handen vol zou krijgen om dat ventje er
onder te houden. De rijksveldwachter dacht er evenmin aan dat ie ’n
eerzaam dorpeling als de smid te pakken had. Hij meende, dat ie ’n
goeie slag geslagen had en dat het minstens iemand was die in verband
stond met die vreemde geschiedenis op de boerderij.
Het was ’n rare worstelpartij in de duisternis en niet erg aangenaam,
noch voor de smid, noch voor de rijksveldwachter, want de takken der
struiken sloegen hen telkens in het gezicht. De rijksveldwachter begon
te voelen, dat ie ’t niet lang meer zou kunnen bolwerken. Hij werd moe
en hijgde naar adem. Maar loslaten wou hij niet, terwijl z’n gevangene
niets anders deed dan probeeren los te komen.
Toen kwam de rijksveldwachter op de idee om te zeggen wie hij was.
„Geef je over,” hijgde hij, „ik ben de rijksveldwachter.”
Dat hielp. De smid ontspande z’n sterke knuisten, waarmee hij de ander
stevig te pakken had en liet hem los.
„O, ben jij de rijksveldwachter,” antwoordde de smid, „had me dat
eerder gezeid.”
„Ben jij de smid?” zei de rijksveldwachter op zijn beurt, toen hij de
bekende stem hoorde, „wat doe je hier?”
„Wel, we waren gaan kijken naar die paal.... met ons zessen.”
„O.... zit dat zoo....”
„Ja we waren hier heen gegaan om gauwer thuis te zijn,” zei de smid
lachend. „Ik denk dat we allemaal wel later thuis zullen komen.”
„Dat denk ik ook wel,” zei de rijksveldwachter. „Ik zal even met m’n
electrische lantaarn bijlichten, dan kunnen we zien of we ’t pad terug
kunnen vinden.”
Daar was de smid erg blij mee. En bij het licht van het lantaarntje
gelukte het hen nog al gauw het pad weer te vinden, maar ze wisten geen
van beiden of ze links of rechts moesten. Ze besloten toen maar op goed
geluk samen te gaan.
’n Poosje later ontmoetten ze de koddebeier, die op het licht afkwam.
Hij had niemand te pakken kunnen krijgen en was zeer verwonderd de smid
te zien. Hij lachte ook maar toen de smid vertelde hoe de hark aan de
steel zat en gingen met hun drieën verder.
De smid trof het. Ze waren voor hem de goede kant uitgegaan en tien
minuten later stond hij voor zijn smederij. De twee politiemannen
gingen weer naar de boerderij terug die ze bewaken zouden.
De dorpsveldwachter was toen de jacht begon ’n beetje achtergebleven.
Hij moest niks van al die gekheid hebben. Maar in het donker wist ie
niet al te best de weg en hij bevond zich ook op het boschpaadje. Hij
besloot maar rechtsomkeert te maken en het gewisse voor het ongewisse
te nemen. Verdwalen daar had ie geen zin in en wie weet wat je op dat
paadje nog tegen kon komen ook. Hij vond het erg vervelend dat het zoo
pikkedonker was. Je zag geen hand voor je oogen. Na ’n poos voelde hij
eens met z’n voet of ie nog op ’t pad was en toen dat geen oplossing
gaf, ging hij op z’n hurken zitten om met z’n hand de grond te
betasten. Hij kon er niet uit wijs worden. Dan maar ’n lucifertje
aansteken. Hij zou ’t wel voorzichtig doen, want je moest in zoo’n
bosch altijd de noodige voorzorgen nemen met vuur. Je had gauw genoeg
’n boschbrand.
’t Lucifertje brandde en de veldwachter keek gauw, maar hij zag wel het
vlammetje, doch verder ook niemendal. Het gaf geen licht genoeg om hem
bij te lichten.
Dan nog maar eentje geprobeerd en dat hield ie vlak bij de grond. Op ’n
pad was hij nog wel, maar of hij nog op ’t rechte was, dat wist ie ook
niet. Hij hoopte maar van wel en dan moest ie gauw genoeg de boerderij
bereiken. Doorloopen maar. Hij nam groote stappen en raakte gelukkig
het bosch uit. Maar van de boerderij zag hij geen spoor. Wel liep hij
al gauw tegen prikkeldraad aan. Dat kon nergens anders wezen dan bij de
wei waar het onzichtbare varken liep. Hij had dus toch ’n verkeerd pad
genomen en was nu ergens aangeland waar hij om de waarheid te zeggen
voor geen geld wezen wou. Stel je voor dat ie daar nou die poot van dat
groote varken tegenkwam. Het was bij dag al akelig genoeg geweest om er
naar te kijken maar bij nacht was het iets om van weg te loopen, al was
het dan ook volgens die stadsche m’nheer de natuurlijkste zaak van de
wereld. Van zulke natuurlijke zaken had hij niet terug.
De dappere dorpsveldwachter stond stil voor het prikkeldraad. Wat moest
ie doen? Hij kon er best overheen stappen en dat zou hij anders ook wel
dadelijk gedaan hebben. Hij meende in de verte het witte hek te zien
schemeren. Daar had ie ’n gemakkelijke weg. Hij kon nu ook wel langs
het bosch, zoo tusschen prikkeldraad en bosch in, de weg bereiken, maar
dan moest ie voortdurend in kreupelhout en bremstruiken marcheeren en
daar had ie ook niet veel zin in. Na rijp overleg besloot hij maar over
het prikkeldraad heen te stappen. Hij kon de kant van het weiland
houden. Dat was toch precies ’t zelfde of hij nu aan deze of aan de
andere kant van het prikkeldraad liep.
Hij stapte dus over de draadversperring heen, die bestond uit kippegaas
van onder, met ’n prikkeldraad er bovenlangs.
Hij liep haastig door. Zag hij daar niet ’n geschemer van lichte dingen
en waren dat niet de biggen? Kwamen ze naar hem toe? Hij stond even
stil. Jawel ’t kwam op hem af. ’t Was te donker om te zien of de biggen
dichtbij waren, doch dat moest wel anders kon hij ze in de duisternis
niet gewaarworden. Doorloopen, gauw doorloopen. Hij moest er eerder
zijn dan de biggen, want die zouden wel achter dat akelige, onzichtbare
beest aanloopen. Plotseling schrok hij zich haast halfdood. Hij
struikelde ergens over en hij rolde in het gras, terwijl ’n harde
varkensschreeuw gevolgd door nijdig geknor vlak bij hem als uit de
grond oprees. Hij was over het onzichtbare varken gevallen en ofschoon
hij dat ook gedaan zou hebben al was het varken nog net geweest als
vroeger, omdat ie ’t in het donker evenmin zou gezien hebben, nu schrok
hij er geweldig van. Z’n haren gingen op z’n hoofd onder z’n pet
rechtop staan en er ging ’n rilling langs z’n rug.
Maar gauw overeind was ie en heel gauw weg ook. En hij wipte over ’t
hek als ’n jongen. Hij wist zelf niet, dat ie nog tot zulke gymnastiek
in staat was. En toen ging het er vandoor, niet naar de boerderij maar
naar huis en ’n kwartier lang liep hij op ’n draf en was doornat en
bek-af toen hij met moeite de sleutel in het slot van z’n huisdeur
stak.
De strooper was ook gauw thuis geweest. Die kende het bosch van buiten.
Maar de andere vier kwamen een voor een toen het dag was erg verhavend
en een, de kleermaker, zelfs zonder pet, in het dorp terug.
Die dag wist het heele dorp wat er ’s nachts was voorgevallen en de
burgemeester liet zich, zoodra hij ervan hoorde, verslag uitbrengen
door de veldwachter, die alles haarfijn wist te vertellen, omdat ie er
zelf bij was geweest en alleen maar oversloeg, wat hem zelf was
overkomen in het land met de biggen.