ACHTSTE HOOFDSTUK.

Waarin de veldwachter rare dingen beleeft, de burgemeester

ongeloovig blijkt en de dorpelingen op onderzoek uitgaan, waarbij

ze allemaal raar terecht komen.

De veldwachter had natuurlijk van het heele verhaal, dat Klaas hem

gedaan had, geen steek begrepen. De goeie man was wel niet zoo’n

buitengewone slimmerd maar hij liet zich dan toch maar zoo niet op

klaarlichten dag wijs maken, dat er onzichtbare varkens konden bestaan.

En dan nog wel ’n varken dat onzichtbaar werd waar je bijstond! ’t Was

zeker ’n mop van die boerenjongens die hem er eens tusschen wouen

nemen. Doch dan moesten ze vroeger opstaan. D’r was er in de heele

gemeente niet een glad genoeg, die hem d’r in liet vliegen.

„Zoo, zoo,” zei de veldwachter lachend, „en is dat die groote zeug van

je vader?”

„Ja die is het,” antwoordde Klaas. „En moeder is d’r heelemaal kapot

van.”

„Dat wil ik wel gelooven,” zei de veldwachter nog altijd lachend. „Maar

weet jij wel Klaas dat het ’n strafbaar feit is als je bij de politie

met valsche aangiften aan boord komt?”

„Valsche aangiften?” zei Klaas. „Denk jij dat ik je wat sta voor te

liegen? Ga dan maar dadelijk mee dan kan je het zelf zien. ’t Varken is

nog niet heelemaal onzichtbaar. D’r loopen nog ’n paar pooten van ’m in

’t land.”

De veldwachter lachte opeens niet meer. Hij keek Klaas eens aan en vond

dat ie erg mal deed. Die arme jongen was bepaald stapelgek geworden. De

veldwachter knikte alsof ie ’t met zichzelf eens geworden was. Hij zou

Klaas naar huis brengen en dan konden ze de dokter laten komen. En daar

hij gelezen had, dat je zeer zachtzinnig met gekken moet omgaan,

besloot hij erg vriendelijk tegen hem te doen en hem maar gelijk te

geven al vertelde hij hem ook nog zulke dwaze dingen.

Maar voor alle gebeurlijkheden stak hij de handboeien in z’n zak en

deed ie z’n sabel om. Je kon nooit weten. Klaas mocht onderweg eens

onverwachts ’n woeste bui krijgen.

„Zoo Klaas,” zei hij toen hij even binnen geweest was om die dingen te

krijgen en z’n vrouw gezegd had wat ie ging doen, „dan ga ik maar

dadelijk met je mee. Ik wil dat onzichtbare varken toch ook wel es

zien.”

„Nou,” antwoordde Klaas terwijl ze stevig doorstapten, terwijl de vrouw

van de veldwachter achter de gordijntjes van de voorkamer hen nakeek,

„misschien is d’r nog wel ’n stukkie van over als we d’r gauw bij zijn.

Laten we maar dadelijk naar ’t land gaan waar ’t varken loopt.”

„Nee Klaas,” zei de veldwachter, „dat mot je nou es aan mij over laten.

We gaan eerst naar je huis. Ik moet je vader d’r eerst nog es over

spreken.”

„Moet jij weten,” zei Klaas weer. „Maar as je niet gauw maakt dat je er

bij bent, is al ’t slik d’r af en dan is ’t varken niet meer te zien.”

De veldwachter antwoordde maar niets. Op zoo’n onzin dee je maar beter

je mond te houen. Maar hij dacht: „Sjonge, sjonge, wat heit die Klaas

het te pakken. En wat is toch een mensch die ze niet meer alle vijf bij

mekaar heit!” Maar na ’n poosje zei ie: „Zeg Klaas zijn ze van jullie

niet in het roggeveld?”

„Jawel,” antwoordde Klaas.

„Nou, dan moesten we daar langs gaan. ’t Ligt toch bijna in onze weg.

We hoeven er om zoo te zeggen niks voor om te loopen.”

„Mij goed,” zei Klaas. „Dan kan vader meteen met ons meegaan.”

„De zaak marcheert boven verwachting,” dacht de veldwachter. „Ik heb ’t

er niks op begrepen om lang alleen met zoo’n jongen te loopen. Als ie

verkeerd wou, zat ik er leelijk mee. ’t Is ’n stevige knaap die Klaas

en ik zou de handen vol aan ’m hebben als ie verkeerd wou.”

Ze liepen stevig door en kwamen tot groote opluchting van de

veldwachter binnen ’n paar minuten aan ’t roggeveld waar de boer en

Dirk stevig aan de arbeid waren.

Toen ze de veldwachter met Klaas zagen aankomen, lieten ze ’t werk

rusten en de boer begon dadelijk:

„Zoo veldwachter da’s aardig van je dâ je zoo dadelijk mee gekomen

bent. Ja man, d’r gebeuren hier rare dingen. Daar zal je van opkijken.

’t Begon met de witte haan en toen was de telefoonpaal weg. Maar dat

zal Klaas je al wel verteld hebben.”

De opluchting die de veldwachter gevoeld had, toen ie op ’t roggeveld

kwam, was ineens weg. Hij kreeg het tamelijk benauwd. Die boer had het

nog erger te pakken dan Klaas. Die had alleen maar gesproken van het

groote varken. Maar nou moest je die boer hooren.

„Ja, wat zal ik je zeggen,” zei de veldwachter. „Misschien was het ’t

beste dat ik er eerst de burgemeester van in kennis stelde, vindt je

ook niet?”

De veldwachter dacht: „Als ik maar eerst hier vandaan ben.”

Doch de boer antwoordde:

„Nee veldwachter ga jij nou eerst mee, dan kan je ’t zelf verbaliseeren

voor ’t varken heelemaal weg is.”

„Weet je wat,” dacht de veldwachter, „ik zal ’m z’n zin maar geven.

Tegen drie man ben ik toch niet opgewassen en als ’t heelemaal verkeerd

gaat, sla ik d’r met m’n lat op in.”

Hij ging dus mee.

Maar de boer nam hem niet dadelijk mee naar het land waar de zeug liep.

Hij ging eerst naar huis.

Dat was wel niet erg naar de zin van de veldwachter, die zich

voorgenomen had zoo gauw mogelijk te maken, dat ie weg kwam. Doch er

was niets aan te doen, hij durfde niet weigeren. Hij hoopte nu maar dat

de boerin tenminste nog goed bij d’r verstand zou zijn.

Maar dat viel hem niet mee. De boerin was volgens hem nog gekker dan de

rest. Ze begon ook al dadelijk over het varken en over de witte haan en

de telefoonpaal en de veldwachter was blij, toen m’nheer Bruggemans,

die hij ’n paar maal op het dorp gezien had, binnenkwam. Nu kreeg hij

in ieder geval hulp als ’t er op aankwam.

Toen m’nheer Bruggemans z’n mond evenwel opendeed, vond de veldwachter

dat m’nheer Bruggemans het nog erger te pakken had dan de overigen.

M’nheer Bruggemans zat hem namelijk uit te leggen, dat die

verdwijningen heel natuurlijk waren en de veldwachter, die er geen kop

of staart aan kon vastmaken, zei maar aldoor:

„Ja, dat zal wel,” of „daar heb je gelijk aan.”

Maar het zweet van benauwdheid stond hem op z’n voorhoofd en nog nooit

had hij zoo vurig gewenscht ergens vandaan te komen.

Om er ’n eind aan te maken, hij was vast van plan zoodra hij buiten

kwam gewoon op de vlucht te slaan, stelde hij maar voor, eens te gaan

kijken naar het varken en ze stonden allemaal haast tegelijk op om mee

te gaan. Met hun allen, m’nheer Bruggemans bleef ook niet achter,

liepen ze naar het land en de veldwachter zag geen kans aan z’n

voornemen om op de vlucht te gaan gevolg te geven, want ze omringden

hem alsof hij hun gevangene was. Tenminste dat dacht de veldwachter.

Piet en Koen waren ook al van de partij.

De veldwachter meende, dat ie in ’t land ’n gewoon kompleet varken zou

te zien krijgen en dat al die gekken hem zouden trachten wijs te maken

dat ze het geen van allen zagen. Doch hij was nog nauwelijks het hek

door of hij bleef verschrikt en beteuterd staan. Hij zag duidelijk

dertien biggen, doch daarvoor liep één donkere varkenspoot.

„Zie je ’t nou,” zei de boer. „D’r is nog één poot van zichtbaar omdat

er modder op zit.”

De veldwachter veegde met z’n groote rooie zakdoek langs z’n gezicht.

Zoo iets raars had ie nog nooit gezien. Doch er kwam geen woord over

z’n lippen. Hij begon in te zien dat die menschen die hij allemaal voor

gek versleten had, volkomen bij hun verstand waren. Maar wat ie daar

voor z’n neus zag, dat was nog erger dan ’n heel huis vol gekken. Wie

had daar nou ooit van gehoord, dat je op klaarlichten dag in ’n wei ’n

varkenspoot zou zien loopen met dertien biggen. En dan wou die stadsche

m’nheer ’m nog wijsmaken dat het de natuurlijkste zaak van de wereld

was en dat de een of ander het gedaan had met ’n verdwijn-machine.

„M’nheer,” zei de veldwachter eindelijk, „je mag praten wat je wilt,

maar ik vind het de onnatuurlijkste zaak die je maar bedenken kunt. En

van je verdwijn-machine geloof ik geen steek. Weet je wat ik vind? Ik

vind het rechtaf akelig. En ik geloof heelemaal niet dat aan die poot

nog meer van ’n varken zit.”

„Maar dat heb je dan toch leelijk mis,” zei de boer. „Ik zal je

dadelijk overtuigen. Piet breng jij de zeug es hier.”

Piet en Koen gingen naar de poot en ’n oogenblik later had Piet het

touw vast dat aan ’n onzichtbare achterpoot gebonden was. Dat touw had

de veldwachter nog heelemaal niet gezien omdat het tusschen het gras

lag. De zeug liet zich gewillig door Piet en Koen voortdrijven, want

het beest was erg mak. Alleen de biggen holden weer weg. Even later

stonden ze allemaal om het varken heen en de veldwachter kon nu zelf

voelen dat de zeug werkelijk bestond. Eerst was hij ’n beetje huiverig

om ’t beest aan te raken, maar toen de anderen het ook deden, vermande

hij zich.

„’t Is warempel ’n heel varken,” prevelde hij, „’n compleet varken,

maar je ziet er geen spat van. En jullie zegt dat je zoo’n haan ook

hebt en dat die telefoonpaal ook zoo is? Dat wil ik dan ook wel eris

constateeren, want ik moet het dadelijk aan de burgemeester

rapporteeren.”

„Dat kan,” zei de boer, „ga maar mee.”

Ze lieten hem de onzichtbare haan betasten die Piet voor hem ving en

daarna gingen ze in optocht naar de paal.

„Sjonge, sjonge, daar heb ik niet van terug hoor,” verklaarde de

veldwachter. „En wat denken jullie nou te doen? Want neem me niet

kwalijk, maar volgens mij kan dat zoo niet voortgaan. Daar moet wat

tegen gedaan worden.”

„Juist,” antwoordde de boer. „Zoo mag ik het hooren. D’r moet wat tegen

gedaan worden. Jij bent van de politie en jij moest nou eris ’n paar

nachten de wacht hier houen. Misschien snap jij die lui. Jij hebt daar

meer verstand van dan wij.”

„Tja... dat zal niet gaan... Ik heb over dag m’n dienst zie je en ’s

nachts ben ik graag thuis, dat begrijp je ook wel. Maar ik zal d’r eens

met de burgemeester over parlementeeren en wat die gelast dat zullen we

dan doen.”

„Best veldwachter, dan ga ik vanavond zelf ook nog es naar de

burgemeester.”

„Nou... as ik jou was, dee ik dat niet... laat het maar liever aan mij

over.”

„Nee ik wil de burgemeester zelf d’r wel eris over onderhouen.”

„Zooals je wilt,” zei de veldwachter, „maar ’t is eigenlijk mijn werk.”

De veldwachter ging heen met z’n handen op z’n rug. Je kon aan hem

zien, dat ie over het vreemde geval liep na te denken.

„Zie je nou wel,” zei Piet toen ie met Koen alleen was. „Hij heeft niks

gevraagd.”

„Nee, maar dat zal de burgemeester wel doen als ie vanavond komt. Die

zal ’t wel anders aanpakken denk ik.”

„Dat zullen we afwachten. Jouw vader lijkt me niks bang voor

veldwachters, Koen. Ik ben nieuwsgierig hoe die tegen de burgemeester

doen zal. Geloof jij, dat ie vertellen zal, dat hij ’t gedaan heeft?”

„Dat weet ik niet Piet, maar liegen zal ie er niet om. Dat weet ik

vast.”

„Hoe weet jij dat nou?”

„Omdat vader ’n hekel heeft aan liegen. Hij werd altijd gloeiend nijdig

als wij ’t deden al was het ook nog zoo’n klein leugentje voor de

grap.”

„Dan zal hij er wel mee voor de dag moeten komen als de burgemeester

hem ondervraagt. De burgemeester is niet zoo stom als de veldwachter

zie je.”

Koen was nu werkelijk ’n beetje ongerust over z’n vader. Maar m’nheer

Bruggemans zelf scheen heelemaal niet ongerust. Die deed net als

altijd. Hij lag in de hangmat te lezen maar hij ging ’n keer of wat

naar het varken kijken, doch niemand zag daar iets vreemds in. Zooiets

komt niet elken dag voor en dan is het zeer begrijpelijk als je er ’n

beetje nieuwsgierig naar bent. Heel veel was er echter aan het varken

niet meer te zien. Niet meer dan het touw dat achter het beest

aansleepte.

De veldwachter was naar de burgemeester gegaan om rapport uit te

brengen zooals hij dat noemde. Toen-ie begon, had de burgemeester kalm

geluisterd. Dat deed ie altijd als de veldwachter kwam om wat te

vertellen. Maar toen de veldwachter ’n poosje aan de praat was,

onderbrak de burgemeester hem en zei, dat ie met zulke malle smoesjes

niet bij hem moest aankomen. Daar was burgemeester niet van gediend.

Hij wist allang dat de boeren bijgeloovig waren. Maar ’n veldwachter

behoorde daaraan niet mee te doen. Die moest wijzer wezen.

„Maar burgemeester het is echt waar. Ik heb het toch zelf gezien,” zei

de veldwachter ’n beetje in z’n eer getast omdat de burgemeester er

blijkbaar geen woord van geloofde.

„Wat heb jij gezien? ’n Onzichtbaar varken? Dat kan je niet zien.”

„D’r liep nog één poot van burgemeester. Ik heb m’n oogen niet in m’n

zak. Wat ik zie, dat zie ik.”

„Dat kan wel, maar hou nou asjeblieft je mond. Als je me niks anders te

vertellen hebt, ruk je maar uit. Begrepen?.... Enne.... wat ik nog

zeggen wou.... je gaat naar die boer en je zegt hem, dat ik niet te

spreken ben voor hem als ie me ook met dat flauwe vertelseltje aan

boord wil komen. Daarvoor ben ik geen burgemeester om bakersprookjes

aan te hooren.”

De veldwachter kwam heelemaal uit het veld geslagen bij z’n vrouw.

Eerst zei hij geen stom woord, maar z’n vrouw, die wel zag dat er wat

aan haperde, begon hem uit te vragen, zooals ze altijd deed als er wat

bizonders aan de hand was, dat ze ook graag weten wou en toen kwam de

veldwachter langzamerhand los.

De vrouw smulde van het verhaal. Dat was nou eens iets echt griezeligs.

Zooiets hadden ze in geen jaren in de gemeente beleefd. Dat zou ze eens

gauw aan d’r buurvrouw vertellen.

Maar de veldwachter die al lang zenuwachtig was, sloeg opeens met z’n

vuist op de tafel, wat ie wel durfde bij z’n vrouw maar niet bij de

burgemeester, en hij verbood nijdig, dat z’n vrouw er iets van zou

vertellen tegen wie ook. „Het moest ’n geheim blijven.”

„Nou, nou,” suste de vrouw, „maak je maar niet overstuur. Jij bent

altijd nijdig hier als je met de burgemeester wat gehad hebt. Sla dáár

op de tafel.”

En ze liep meteen de deur uit om het toch maar te gaan vertellen aan de

buurvrouw. De veldwachter had gezegd, dat het ’n geheim was en dat zei

ze dan ook aan de buurvrouw. Ze vertelde het in vertrouwen en het moest

„onder ons” blijven.

Dat beloofde de buurvrouw onmiddellijk en toen de veldwachtersvrouw weg

was, ging ze er dadelijk mee het dorp in, zoodat de historie van de

onzichtbare haan, de telefoonpaal en het groote varken dezelfde avond

al tweemaal de ronde gedaan had in het dorp.

Iedereen was er van op de hoogte en toen de arbeid was afgeloopen en de

mannen, die van hun werk kwamen er ook mee in kennis gesteld waren, kon

je op het dorp overal groepjes menschen zien staan die het

wonderverhaal stonden te bespreken.

De grootste hoop stond voor de smidse, en de smid zelf was de president

van de vergadering. De zwarte smid stond tegen de deurpost van de

smederij geleund met z’n gespierde armen over elkaar. Andere avonden

ging hij zich altijd eerst wasschen voor hij buiten kwam, maar bij deze

gelegenheid had ie zich geen tijd gegund. Hij was zoo van achter het

aambeeld naar buiten gekomen.

Die smid was op het dorp ’n soort orakel, dat overal raad op wist. Hij

had volgens z’n eigen zeggen allerlei wonderlijke dingen beleefd en als

iemand ’s avonds een of andere griezelige historie vertelde, wist de

smid er altijd een die nog griezeliger was.

Doch nu stond ie gebluft. Zoo iets wonderlijks als het verhaal van de

veldwachter, daar stond ie paf van. En toen zei ie maar, dat de

burgemeester wel gelijk zou hebben, dat er van het heele zaakje niets

aan kon zijn.

Maar ’n jonge kerel, die heel wat keertjes bij nacht en ontij er op uit

geweest was om konijnen te stroopen en dus niet bang was in ’t donker,

vond dat ze het zaakje met hun allen best eens konden gaan onderzoeken.

De telefoonpaal wisten ze allemaal te staan en nu vond hij het ’t

eenvoudigste om eens even te gaan zien of het ding er nog stond of

niet.

Dat waren verscheidene dorpelingen met hem eens, doch toen zei er een

dat ie ’s middags nog langs die weg gekomen was op de fiets en dat ie

toen niks gemerkt had.

„Zag jij de paal dan?” vroeg de smid.

„Nee dat niet... ik heb aan die heele paal niet gedacht. Maar als ie er

niet meer gestaan had, zou ik het gezien moeten hebben. Zooiets merk je

wel.”

„Da’s nog zoo zeker niet,” zei ’n ander. „Ik ga kijken, wie gaat er

mee?”

De smid was dadelijk bereid met nog ’n stuk of zes anderen. De rest

vond het wat te ver uit de buurt.

„Och wat,” zei de smid, „in twintig minuten zijn we d’r.”

Maar de anderen waren niet mee te troonen en dus gingen ze met hun

zessen op het pad. Toen ze het dorp doorgingen, sloten zich nog eenige

nieuwsgierigen bij hen aan en die wisten te vertellen dat de

veldwachter er al op uit was met de rijksveldwachter en de koddebeier.

Toen ze bij de paal kwamen, was het pikkedonker. Ze vonden allemaal dat

het nog zelden zoo donker geweest was als die avond. Maar de strooper

hield vol, dat ie nog heel goed alles kon onderscheiden.

„Dan heb jij zeker katteoogen,” zei de smid. „Ik zie geen snars.”

„Nou,” zei weer ’n ander, „als jij nog zoo goed kan zien, moet jij mij

es vertellen of je de telefoonpaal ziet of niet.”

„Nee,” antwoordde de strooper, „zien doe ik ’m niet maar ik voel ’m en

als jullie nou een van allen ’n lucifertje aansteekt, dan wed ik, dat

we ’m allemaal zien kunnen ook. Hier staat het ding nog net als altijd,

wat ik je brom.”

Er werden minstens vier lucifers tegelijk aangestoken en zoodra die

vlammetjes hun beetje licht gaven, riep de strooper:

„Verroest, ’t ding is d’r niet en toch hou ik er m’n hand tegen.”

Ze hadden allemaal die hand gezien met niets d’r in. En nu bleven ze

aan ’t lucifers aanstrijken en ze zagen het allemaal dat de paal weg

was. Toen kwam er een op de idee ’n krant, die hij in z’n zak had in

brand te steken en bij die flambouw konden ze de draden in de lucht

zien en de porceleinen potten die nergens houvast aan schenen te hebben

en toch daar maar hoog boven stijf bleven staan.

De man die de krant aangestoken had, brandde z’n vingers omdat ie al

maar naar boven keek. Hij riep „au” en liet het restje van de krant

vallen, dat even hoog opflikkerde en op de grond met ’n beetje roode

gloed uitdoofde. Daarna was het nog donkerder dan te voren en de zes

dorpelingen stonden daar doodstil in de plotselinge duisternis en zeien

geen stom woord.

Tot er een het lichtschijnsel uit de boerderij opmerkte en toen niets

beter te zeggen wist dan:

„In de boerderij hebben ze nog licht op.”

Het flauwe lichtschijnsel dat uit de kamer van m’nheer Bruggemans kwam,

die de luiken niet dicht had, kikkerde de zes moedige mannen dadelijk

’n heeleboel op. Toen ze zoo plotseling in de duisternis gestaan hadden

bij die onzichtbare paal, waren ze allemaal ’n tikje benauwd geweest.

Zelfs de strooper had het te pakken gekregen.

De smid verbrak het eerst het stilzwijgen:

„Nou weten we ’t en nou ga ik naar huis.”

De anderen dachten er net zoo over en ze togen weer huiswaarts.

De strooper wist ’n weggetje door het bosch waarlangs ze volgens hem in

tien minuten thuis konden zijn. Ze kenden allemaal dat paadje, maar de

strooper wist daar ook bij nacht bescheid. De anderen namen dat pad

weleens als ze die kant uit moesten overdag, doch niemand zou het in

z’n hoofd krijgen daar gebruik van te maken als het zoo donker was als

op die avond. Ze wilden echter wel graag gauw thuis zijn en ze wisten,

dat de strooper die smalle boschpaadjes goed kende, omdat ie er ’t

liefst gebruik van maakte als ie er ’s nachts op uit trok. Ze gingen

dan ook gerust met hun vijven achter hem aan.

Om op dat boschpaadje te komen moesten ze voorbij de boerderij en dat

was de oorzaak, dat, in plaats van vroeger thuis te komen, ze leelijk

aan ’t dwalen raakten.

Toen ze namelijk voorbij de boerderij kwamen stapten daar net heel

zacht de rijksveldwachter, de koddebeier en de dorpsveldwachter de

achterdeur uit. Zoodra die drie mannen van de wet het geloop van die

menschen hoorden, stiet de rijksveldwachter de anderen aan en hij

fluisterde: „Hooren jullie dat?”

De anderen hoorden het, wat geen wonder was want de zes dorpelingen

deden geen moeite om zich onhoorbaar te maken, wat de strooper anders

op z’n nachtelijke tochten wel deed. Ze hadden geen kwaad in de zin en

dus hoefden ze geen voorzorgen te nemen om niet ontdekt te worden.

Nu hadden de drie veldwachters met de boer en de boerin het

geheimzinnige geval lang en breed zitten bepraten terwijl ze aanhoudend

maar koffie dronken met schijven zoete koek. En het gevolg was dat de

politiemannen beloofd hadden ’n paar nachten de wacht te houden om te

probeeren of ze de dader of de daders niet te pakken konden krijgen. De

burgemeester wist er wel niets van, maar dat was volgens de

rijksveldwachter ook niet noodig.

De rijksveldwachter en de koddebeier waren geen van tweeën erg bang

uitgevallen. Die hadden al heel dikwijls samen van die nachtelijke

karweitjes opgeknapt. Het waren meestal stroopers die ze dan

achtervolgden en dat waren soms brutale heeren die ook voor geen klein

geruchtje vervaard waren. Ze hadden er zelfs wel eens om moeten vechten

wie de baas zou blijven en daar waren ze niet altijd zonder

kleerscheuren afgekomen. Maar ze hadden dan ook menige strooper

geknipt, en ze stonden er voor bekend, dat er niet met hen te

gekscheren viel.

„Hooren jullie dat?”

Toen de rijksveldwachter dat fluisterde, stonden de koddebeier, die ze

zoo noemden, maar hij heette eigenlijk jachtopziener, en de

rijksveldwachter zelf net als ’n paar jachthonden die wild ruiken met

hun neus in de wind.

De dorpsveldwachter, die meer gewoon was boodschappen voor de

burgemeester te doen als ’t nog dag was en ’s nachts liever behoorlijk

in bed lag, had evenwel niets van ’n jachthond op dat oogenblik. Hij

hoopte maar dat het niet tot ’n gevecht of zoo iets zou komen en hij

nam zich in stilte voor, als er iets van dien aard zou gaan gebeuren,

zich ’n klein beetje achteraf te houen.

„Hierheen,” fluisterde de rijksveldwachter, na ’n klein poosje

geluisterd hebben, „die snappen we.”

De dorpsveldwachter bleef in de achterhoede.

Het duurde niet heel lang of de strooper die de aanvoerder was der vijf

dorpelingen hoorde iets. Hij had scherpe ooren en was gewoon op alle

geluiden te letten.

„Stop,” zei hij heel zacht en toen ze stilstonden hoorden ze het ook

allemaal.

„Daar komt wat aan,” zei de strooper weer en aangezien hij liever niet

gesnapt werd bij nacht in dat bosch verdween hij onmiddellijk in de

struiken. De andere vijf met de dappere smid voorop gingen aan de haal

langs het smalle paadje. Ze dachten niet aan veldwachters, zooals de

strooper, het kwam heel niet in hun hoofden op dat er veldwachters hen

op de hielen konden zitten. Zij dachten meer aan de onzichtbare paal en

brachten het geluid van voetstappen, dat ze toch duidelijk gehoord

hadden in verband met dat geheimzinnige onzichtbare ding en ze

vluchtten weg met de schrik in hun beenen. Het leek hen of ze maar niet

vooruit kwamen en ze liepen toch als hazen. Al heel gauw begonnen ze te

struikelen over boomwortels en raakten nu en dan in de struiken verward

en na vijf minuten wist de een niet meer waar de ander was. Ze waren

elkaar kwijt en ieder zocht op z’n eigen houtje ’n goed heenkomen. Het

was ’n gekraak en gekreun zooals het bosch nog niet beleefd had en de

achtervolgers wisten niet meer hoe ze ’t hadden want ze hoorden aan

alle kanten geluid. Tot eindelijk de rijksveldwachter over iets heen

viel dat naderhand bleek de dorpssmid te zijn.

De rijksveldwachter greep onmiddellijk toe en hield vast.

„Jou heb ik tenminste,” mompelde hij.

De smid was te verbouwereerd om iets te antwoorden, of zich te

verzetten. Maar na ’n paar sekonden kwam hij weer ’n beetje bij van de

schrik en daarmede ook tot het besef, dat ie toch iets doen moest om

zich vrij te maken van degeen die hem zoo overvallen had. Hij had er

geen idee van dat het de rijksveldwachter was, anders had ie hem wel

gauw verteld, wie hij was. Nu zei hij maar niemendal en begon te

worstelen om los te komen. Sterk was ie en de rijksveldwachter begon al

gauw in te zien, dat ie de handen vol zou krijgen om dat ventje er

onder te houden. De rijksveldwachter dacht er evenmin aan dat ie ’n

eerzaam dorpeling als de smid te pakken had. Hij meende, dat ie ’n

goeie slag geslagen had en dat het minstens iemand was die in verband

stond met die vreemde geschiedenis op de boerderij.

Het was ’n rare worstelpartij in de duisternis en niet erg aangenaam,

noch voor de smid, noch voor de rijksveldwachter, want de takken der

struiken sloegen hen telkens in het gezicht. De rijksveldwachter begon

te voelen, dat ie ’t niet lang meer zou kunnen bolwerken. Hij werd moe

en hijgde naar adem. Maar loslaten wou hij niet, terwijl z’n gevangene

niets anders deed dan probeeren los te komen.

Toen kwam de rijksveldwachter op de idee om te zeggen wie hij was.

„Geef je over,” hijgde hij, „ik ben de rijksveldwachter.”

Dat hielp. De smid ontspande z’n sterke knuisten, waarmee hij de ander

stevig te pakken had en liet hem los.

„O, ben jij de rijksveldwachter,” antwoordde de smid, „had me dat

eerder gezeid.”

„Ben jij de smid?” zei de rijksveldwachter op zijn beurt, toen hij de

bekende stem hoorde, „wat doe je hier?”

„Wel, we waren gaan kijken naar die paal.... met ons zessen.”

„O.... zit dat zoo....”

„Ja we waren hier heen gegaan om gauwer thuis te zijn,” zei de smid

lachend. „Ik denk dat we allemaal wel later thuis zullen komen.”

„Dat denk ik ook wel,” zei de rijksveldwachter. „Ik zal even met m’n

electrische lantaarn bijlichten, dan kunnen we zien of we ’t pad terug

kunnen vinden.”

Daar was de smid erg blij mee. En bij het licht van het lantaarntje

gelukte het hen nog al gauw het pad weer te vinden, maar ze wisten geen

van beiden of ze links of rechts moesten. Ze besloten toen maar op goed

geluk samen te gaan.

’n Poosje later ontmoetten ze de koddebeier, die op het licht afkwam.

Hij had niemand te pakken kunnen krijgen en was zeer verwonderd de smid

te zien. Hij lachte ook maar toen de smid vertelde hoe de hark aan de

steel zat en gingen met hun drieën verder.

De smid trof het. Ze waren voor hem de goede kant uitgegaan en tien

minuten later stond hij voor zijn smederij. De twee politiemannen

gingen weer naar de boerderij terug die ze bewaken zouden.

De dorpsveldwachter was toen de jacht begon ’n beetje achtergebleven.

Hij moest niks van al die gekheid hebben. Maar in het donker wist ie

niet al te best de weg en hij bevond zich ook op het boschpaadje. Hij

besloot maar rechtsomkeert te maken en het gewisse voor het ongewisse

te nemen. Verdwalen daar had ie geen zin in en wie weet wat je op dat

paadje nog tegen kon komen ook. Hij vond het erg vervelend dat het zoo

pikkedonker was. Je zag geen hand voor je oogen. Na ’n poos voelde hij

eens met z’n voet of ie nog op ’t pad was en toen dat geen oplossing

gaf, ging hij op z’n hurken zitten om met z’n hand de grond te

betasten. Hij kon er niet uit wijs worden. Dan maar ’n lucifertje

aansteken. Hij zou ’t wel voorzichtig doen, want je moest in zoo’n

bosch altijd de noodige voorzorgen nemen met vuur. Je had gauw genoeg

’n boschbrand.

’t Lucifertje brandde en de veldwachter keek gauw, maar hij zag wel het

vlammetje, doch verder ook niemendal. Het gaf geen licht genoeg om hem

bij te lichten.

Dan nog maar eentje geprobeerd en dat hield ie vlak bij de grond. Op ’n

pad was hij nog wel, maar of hij nog op ’t rechte was, dat wist ie ook

niet. Hij hoopte maar van wel en dan moest ie gauw genoeg de boerderij

bereiken. Doorloopen maar. Hij nam groote stappen en raakte gelukkig

het bosch uit. Maar van de boerderij zag hij geen spoor. Wel liep hij

al gauw tegen prikkeldraad aan. Dat kon nergens anders wezen dan bij de

wei waar het onzichtbare varken liep. Hij had dus toch ’n verkeerd pad

genomen en was nu ergens aangeland waar hij om de waarheid te zeggen

voor geen geld wezen wou. Stel je voor dat ie daar nou die poot van dat

groote varken tegenkwam. Het was bij dag al akelig genoeg geweest om er

naar te kijken maar bij nacht was het iets om van weg te loopen, al was

het dan ook volgens die stadsche m’nheer de natuurlijkste zaak van de

wereld. Van zulke natuurlijke zaken had hij niet terug.

De dappere dorpsveldwachter stond stil voor het prikkeldraad. Wat moest

ie doen? Hij kon er best overheen stappen en dat zou hij anders ook wel

dadelijk gedaan hebben. Hij meende in de verte het witte hek te zien

schemeren. Daar had ie ’n gemakkelijke weg. Hij kon nu ook wel langs

het bosch, zoo tusschen prikkeldraad en bosch in, de weg bereiken, maar

dan moest ie voortdurend in kreupelhout en bremstruiken marcheeren en

daar had ie ook niet veel zin in. Na rijp overleg besloot hij maar over

het prikkeldraad heen te stappen. Hij kon de kant van het weiland

houden. Dat was toch precies ’t zelfde of hij nu aan deze of aan de

andere kant van het prikkeldraad liep.

Hij stapte dus over de draadversperring heen, die bestond uit kippegaas

van onder, met ’n prikkeldraad er bovenlangs.

Hij liep haastig door. Zag hij daar niet ’n geschemer van lichte dingen

en waren dat niet de biggen? Kwamen ze naar hem toe? Hij stond even

stil. Jawel ’t kwam op hem af. ’t Was te donker om te zien of de biggen

dichtbij waren, doch dat moest wel anders kon hij ze in de duisternis

niet gewaarworden. Doorloopen, gauw doorloopen. Hij moest er eerder

zijn dan de biggen, want die zouden wel achter dat akelige, onzichtbare

beest aanloopen. Plotseling schrok hij zich haast halfdood. Hij

struikelde ergens over en hij rolde in het gras, terwijl ’n harde

varkensschreeuw gevolgd door nijdig geknor vlak bij hem als uit de

grond oprees. Hij was over het onzichtbare varken gevallen en ofschoon

hij dat ook gedaan zou hebben al was het varken nog net geweest als

vroeger, omdat ie ’t in het donker evenmin zou gezien hebben, nu schrok

hij er geweldig van. Z’n haren gingen op z’n hoofd onder z’n pet

rechtop staan en er ging ’n rilling langs z’n rug.

Maar gauw overeind was ie en heel gauw weg ook. En hij wipte over ’t

hek als ’n jongen. Hij wist zelf niet, dat ie nog tot zulke gymnastiek

in staat was. En toen ging het er vandoor, niet naar de boerderij maar

naar huis en ’n kwartier lang liep hij op ’n draf en was doornat en

bek-af toen hij met moeite de sleutel in het slot van z’n huisdeur

stak.

De strooper was ook gauw thuis geweest. Die kende het bosch van buiten.

Maar de andere vier kwamen een voor een toen het dag was erg verhavend

en een, de kleermaker, zelfs zonder pet, in het dorp terug.

Die dag wist het heele dorp wat er ’s nachts was voorgevallen en de

burgemeester liet zich, zoodra hij ervan hoorde, verslag uitbrengen

door de veldwachter, die alles haarfijn wist te vertellen, omdat ie er

zelf bij was geweest en alleen maar oversloeg, wat hem zelf was

overkomen in het land met de biggen.

De verdwijn-machine · 第 11 / 19 题