Waarin mijnheer Bruggemans met de verdwijn-machine begint te werken
en de boer en de boerin iets onmogelijks zien.
Zwijgend waren ze naar de boerderij teruggekeerd en langs het touw
hadden ze veilig hun zolderkamertje bereikt. Onder het uitkleeden had
Piet nog gezegd: „’t Is gestolen.”
En Koen had geantwoord: „We hadden het daar niet zoo alleen moeten
laten staan. ’t Was stom.”
Toen lagen ze allebei onder de wol en vergaten het heele kistje. Ze
hadden slaap.
Klaas zat nog altijd op de omgekeerde tobbe te slapen met het geweer
dwars op z’n knieën.
De eenige die nog op was en klaar wakker, dat was m’nheer Bruggemans en
die zat in de voorkamer bij het tuintje met de luiken dicht vlak bij de
tafel waarboven de petroleumlamp brandde en voor hem stond het leeren
koffertje met de verdwijn-machine van professor Wells en m’nheer zat
aandachtig te lezen in de papieren die Koen maar met moeite en ten
deele had kunnen ontcijferen. M’nheer Bruggemans had er niet zooveel
moeite mee als Koen. Hij las dat engelsch net zoo gemakkelijk als
hollandsch.
M’nheer Bruggemans was met z’n fietslantaarn er op uitgetrokken toen
Klaas op de tobbe zat en de twee jongens daar zoo doodstil onder de
struiken stonden. Hij had het half onzichtbare geweer maar thuis
gelaten en toen hij eenmaal het tuintje uit was had ie het in z’n hoofd
gekregen de lantaarn aan te steken.
Hij vond het wel wat erg donker en je kon nooit weten of die
geheimzinnige baas met de machine van professor Wells niet om de
boerderij rondsloop. Met het licht van z’n lantaarn wilde hij wel eens
de omtrek verkennen. Het was ’n sterke lantaarn die ’n heel eind de
omtrek verlichtte. Toen de lantaarn aan was voelde m’nheer Bruggemans
zich wel zoo op z’n gemak. Hij liet de lichtbundel voor zich uit langs
de weg spelen en kon wel twee honderd meter ver alles duidelijk
onderscheiden. Als ’n zoeklicht gleed de dikke lichtkegel eerst langs
de weg en daarna aan weerskanten over het veld. De lichtstralen raakten
de telefoondraden en toen werd mijnheer Bruggemans aandacht getrokken
naar de witte porceleinen isolators die op hun gegalvaniseerd ijzeren
stangen aan de paal waren bevestigd. Natuurlijk moest toen ook de
fietslantaarn de paal zichtbaar maken maar tot m’nheer Bruggemans
groote verwondering was er geen paal te bekennen. Toch liepen de draden
met ’n bocht omhoog naar de porceleinen dingen, die in de lucht leken
te hangen.
„Hé!” mompelde m’nheer Bruggemans en met groote stappen beende hij de
weg op tot ie met z’n neus haast tegen de onzichtbare paal aan liep.
Hij stak de hand uit en bevoelde de paal. Die was er. Maar zien kon je
er niets meer van. Het ijzeren plaatje met het nummer scheen daar boven
m’nheer Bruggemans hoofd in de lucht te zweven en nog wat hooger deden
de isolators hetzelfde. Maar het malste was dat je nu ook ’n gat in de
grond zag, ’n diep gat. Ook dat stuk van de telefoonpaal was
onzichtbaar geworden. Doch toen zag m’nheer Bruggemans ook de roode
knop en het touwtje waarmee Piet de knop tegen de paal gebonden had. En
natuurlijk ook het koffertje met het kistje erin.
In ’n ommezien zat m’nheer Bruggemans op z’n knieën en bekeek met z’n
neus bijna op het koffertje aandachtig het heele toestel. Z’n lantaarn
verlichtte nu enkel nog het kleine plekje op de grond waar het
koffertje stond.
Na eenige oogenblikken richtte m’nheer Bruggemans zich ’n beetje op
liet het licht van z’n lantaarn de heele omtrek nauwkeurig langzaam
afspeuren. Hij bemerkte blijkbaar niets dat op onraad leek. Daarna
bukte hij zich weer over het koffertje, haalde ’n nagelschaartje uit
z’n vestzak en knipte voorzichtig het touw door waarmee de roode knop
tegen de paal gebonden was. Nog voorzichtiger plaatste hij de knop in
het kistje, alsof hij bang was dat het ding hem oogenblikkelijk
onzichtbaar zou maken. Toen blies hij z’n lantaarn uit, nam het
koffertje bij het hengsel en m’nheer Bruggemans draafde er bijna mee
naar huis.
Voor de deur die op ’n kier stond, trok hij z’n schoenen uit, stapte
onhoorbaar naar binnen en keek om de hoek van de deur of hij mevrouw
Bruggemans ook nog zag. Die was echter al naar bed en toen sloot
m’nheer Bruggemans de deur van de slaapkamer, ging weer naar buiten en
sloot de luiken.
„Ziezoo,” prevelde m’nheer Bruggemans, „nu zullen we eens zien wat we
daar opgedaan hebben. Het is bepaald het wondermachien van die
professor en degeen die het daar bij de paal gezet heeft zal wel raar
opkijken als ie terugkomt om z’n machientje te halen.”
Voorzichtig deed ie het koffertje weer open, nam het kistje er uit en
bekeek het nogeens nauwkeurig onder de lamp. Toen kreeg hij evenals
Koen de papieren in de gaten.
„Ah!” zei m’nheer Bruggemans bijna hardop. „Papieren!”
Een oogenblik later zat hij verdiept in de lectuur. En hij las al de
bladen achter elkaar door. Onder het lezen had ie verscheiden malen met
het hoofd geknikt alsof hij er alles van begreep en toen hij aan ’t
eind was, nam hij z’n notitieboekje en begon verschillende dingen uit
de papieren op te teekenen.
„Ziezoo,” zei m’nheer Bruggemans in zichzelf, „nu weet ik er alles van.
Morgen schrijf ik weer aan die professor dat z’n uitvinding terecht is.
Maar eerst zal ik er zelf toch eens ’n paar proeven mee nemen. Het is
haast te wonderlijk om het te gelooven en als ik die haan en dat geweer
en nu die telefoonpaal weer niet zelf onder m’n neus gehad had, zou ik
er om lachen.”
Hij zat ’n oogenblik in gedachten en keek onderzoekend de kamer rond.
Hij was nieuwsgierig om te weten hoe ’t in z’n werk ging en zocht nu
naar iets waarop hij de kracht van de machine zou kunnen beproeven. Wat
zou hij nemen? ’n Oogenblik keek hij naar ’n vaasje op de
schoorsteenmantel. Maar als dat onzichtbaar werd zouden ze het dadelijk
missen en m’nheer Bruggemans was niet van plan aan iemand anders dan
aan professor Wells iets van het vinden der machine te vertellen. Hij
had besloten de zaak geheim te houden, zelfs tegenover mevrouw
Bruggemans. Als hij er niemand iets van meedeelde, kreeg hij ook geen
last met de dieven, die ’t bij de paal gezet hadden en geen vervelende
drukte met de politie. Hoofdzaak was, dat Professor Wells z’n kistje
terugkreeg en daar zou hij voor zorgen.
Zoo dacht m’nheer Bruggemans erover en toen besloot hij maar iets
onzichtbaar te maken, dat hij in z’n zak kon bewaren. Dan merkte
niemand er iets van en hij had toch aan z’n nieuwsgierigheid voldaan.
Hij voelde in z’n zak en het eerste voorwerp dat hij aanraakte leek hem
al heel geschikt voor de proef. Het was ’n barnsteenen sigarenpijp.
M’nheer Bruggemans legde de pijp voor zich op tafel en begon de
bewerking zooals hij die gelezen had in de papieren uit het koffertje.
Het kwam precies allemaal uit zooals het in die papieren stond en de
pijp was binnen vijf minuten onzichtbaar. Toen was m’nheer Bruggemans
tevreden. Hij deed het kistje met de papieren weer in het koffertje en
daarna deed hij na eenig nadenken hetzelfde wat Koen en Piet gedaan
hadden. Hij verstopte het koffertje van professor Wells in ’n
kleerenkoffer.
M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en rookte die uit z’n onzichtbare
pijp. Hij vond het toch buitengewoon. Z’n sigaar scheen ’n eindje voor
z’n mond in de lucht te zweven en als hij ’n trekje deed zag hij ’n dun
rookstreepje. Dat pijpje was ’n wonderding, dat ie zuinig zou bewaren.
Wat zouden z’n kennissen in de stad daar gek van opkijken als hij op
die manier ’n sigaar zat te rooken.
Slaap had m’nheer Bruggemans heelemaal niet. Hij zat te denken over de
uitvinding van professor Wells en hij keek zoo af en toe eens in z’n
notitieboekje, waarin hij aanteekeningen gemaakt had uit de papieren in
het koffertje. „Sjonge, sjonge,” dacht m’nheer Bruggemans, „je kan er
alles mee onzichtbaar maken... En met die andere machine die hij ook
heeft uitgevonden kan je daarna de dingen weer zichtbaar maken ook. Als
ik die andere machine ook had zou ik het wel eens willen probeeren met
mezelf. Het moet toch verbazend leuk zijn als je onzichtbaar rondloopen
kon. Kom, ik schrijf nog maar dadelijk aan die professor in Yale. Die
man zal blij zijn met mijn brief.”
M’nheer Bruggemans ging aan ’t pennen en schreef door tot het heele vel
papier vol was. Hij had de professor alles meegedeeld, hoe hij het
koffertje gevonden had en dat ie zoo vrij geweest was de papieren eens
door te lezen. Dat ie daarna ’n sigarenpijp onzichtbaar gemaakt had,
maar hij schreef ook dat er al ’n onzichtbare haan op het boerenerf
rondliep en dat er ’n onzichtbare telefoonpaal aan de weg stond.
Degenen die het kistje voor hem in bezit gehad hadden waren er dus ook
al mee aan ’t werk geweest en m’nheer Bruggemans schreef dat het
vermoedelijk de dieven waren die het kistje gestolen hadden, maar dat
het nu veilig in ’n koffer opgeborgen was en dat hij het veilig zou
bewaren tot de eigenaar het terug kwam halen.
„Ziezoo, morgen vroeg gaat die brief op de post en dan heeft hij ’m
over acht dagen.”
M’nheer Bruggemans deed de brief in ’n envelop, schreef er het adres op
en stak hem in z’n portefeuille. Daarna blies hij de lamp uit en ging
naar bed.
Toen Piet en Koen wakker werden liepen de kippen al over het erf en had
de onzichtbare witte al ’n paar keeren z’n zwarte tegenstander bij de
kam gehad.
De jongens hadden zich ’n beetje verslapen. Op ’n andere tijd zou
vader, Klaas of iemand anders gestuurd hebben om Piet uit bed te
trommelen, want verslapen was iets waar vader niet van hield. Er was ’n
tijd van opstaan en aan ’t werk gaan en daar had ieder op de boerderij
zich maar aan te houden. Doch die morgen was Klaas half uitgeslapen op
z’n omgekeerde tobbe wakker geworden en herinnerde zich dadelijk alles
van de vorige avond. Toen was ie gauw om het huis heen geloopen en vond
daar de voordeur open, die m’nheer vergeten had te sluiten, en het half
onzichtbare geweer tegen de muur in de gang. Deuren openlaten is iets
verschrikkelijks bij de boeren. Overdag mag je open laten wat je wil,
maar als je naar bed gaat, moet alles potdicht.
Klaas bedacht gauw dat ie van die open voordeur maar niks aan vader zou
zeggen, want dan kreeg hij natuurlijk op z’n kop. Ook zou ie ’t maar
verzwijgen dat ie bijna de heele nacht had zitten slapen op de tobbe.
Dat wist toch geen mensch dacht ie. Maar het rare geweer nam ie mee en
toen hij weer bij het achterhuis kwam, hoorde hij al gestommel binnen.
De lui waren dus op.
Klaas ging naar binnen en ’t eerste wat ie deed was z’n vader, z’n
moeder, z’n broer en Mie het geweer onder de neus te houden. En die
keken mal!
„Wa’s dat nou weer?” informeerde moeder.
En Klaas legde haar uit dat het zijn geweer was.
Vader betastte het en Dirk de andere broer ook. Maar moeder wou het
voor geen geld aanraken en Mie deed het toen ook maar niet. Klaas deed
onderhand ’n omstandig verhaal van z’n wacht, dat ie niks verdachts
gezien of gehoord had en dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan
was.
Toen ie zoover was, kwamen Koen en Piet binnen. Ze zeiden maar
niemendal. Dat was het veiligst en ze snapten al gauw dat Klaas althans
van het koffertje niets afwist. Ze bekeken het rare geweer alsof ze het
nooit van hun leven gezien hadden en Piet deed zoo verbaasd als ie maar
kon. Zoo ’n huichelaar! Niemand had dan ook het minste argwaan tegen
die twee.
Klaas sprak niet van de onzichtbare telefoonpaal. Hij scheen daar dus
ook niets van te weten. Als je uit het venster van de kamer keek kon je
die paal net nog boven ’n paar appelboomen uit zien steken. Koen en
Piet hadden dat tersluiks al gedaan. Ze zagen de draden en de witte
porceleinen potten in de lucht hangen, doch de anderen hadden het zoo
druk over het geweer en Klaas z’n wachthouderij dat ze niet een enkele
keer het venster uitkeken. Als ze het gedaan hadden zouden ze misschien
toch de paal niet dadelijk gemist hebben. Dingen die je altijd voor je
neus hebt staan, zie je niet meer en je mist ze ook niet onmiddellijk
als ze weg zijn.
Terwijl de oudere jongens de melkemmers opnamen om te gaan melken in
het weiland dat het verst van de boerderij lag, stonden Piet en Koen al
op vader te wachten die altijd zelf de koeien molk die dichtbij liepen
in ’n stuk land in de buurt van de telefoonpaal. Piet molk al mee en
Koen stond er gewoonlijk bij te kijken. Hij had dat melken ook al eens
geprobeerd, maar dat was hem niet erg meegevallen. Vooreerst had ie ’t
al niet erg lekker gevonden dat je zoo met je hoofd tegen zoo’n koeien
lijf zat en toen de koe hem ’n oogenblik later tot groot vermaak van
Piet ondersteboven gooide had Koen het melken maar voor goed opgegeven.
Toch ging hij iedere morgen graag mee en nu ze langs die onzichtbare
paal moesten deed ie ’t nog liever. Dat kon goed worden.
Als de boeren ’s morgens gaan melken hoor je wel het geklos van hun
klompen zoolang ze nog niet in ’t zachte gras loopen en het gerinkel
van de emmers aan de kettingen van het juk. Maar praten hoor je de
boeren zelden. Ze hebben elkaar niet veel te vertellen en misschien
zijn ze ook nog niet heelemaal goed wakker. Vader liep ook zwijgend
vooruit, puffend aan z’n pijp. De blauwe rookwolken krinkelden boven
z’n pet uit. Piet droeg het juk met de emmers. Als ze vol waren droeg
vader ze zelf. Piet en Koen waren vol aandacht voor de boer die
zwijgend en dampend voor hen uitliep. Hij naderde hoe langer hoe meer
de paal. Nou moest ie ’t toch gauw merken dat ’t ding weg was. Maar tot
groote verwondering van Koen en Piet stapte de boer de onzichtbare paal
voorbij zonder op te kijken.
„Wa’s dat nou?” zei Koen zacht. „Hij ziet het niet!”
„Wacht maar even” zei Piet even zacht.
Vlak voor de paal bleef Piet staan en Koen natuurlijk ook. Piet keek
aandachtig in de lucht. De boer liep door.
„Vader!”
De boer draaide zich om.
„Nou? Kom, vort!”
Kom vort beteekende: kom vooruit, maar Piet kwam niet, keek aldoor in
de lucht.
„Wat sta je te kijken?”
„De paal!” zei Piet.
„Paal?”
De boer kwam met groote stappen terug. Hij begreep wat er aan de hand
was.
„De paal is weg,” zei Piet.
„Hij staat er nog,” zei Koen, „maar hij is onzichtbaar.”
„Dat bedoel ik ook,” zei Piet weer.
„Te deksel,” mompelde de boer, „’t wordt erg. Piet ga je moeder
roepen.”
„Moeten we eerst niet gaan melken?” vroeg Piet.
„Doe wat ik je zeg, ga je moeder halen.”
Piet holde weg en ’n oogenblik later kwam ie alweer aanhollen, terwijl
de boerin ’n beetje langzamer achter hem aankwam. Maar dat ze zich
haastte, kon je wel zien. Ze droogde d’r handen aan haar voorschoot af
onder het loopen.
Toen ze bij de paal stond, ze stonden er met hun vieren omheen,
herhaalde de boer nog eens: „’t Wordt te erg.”
En de boerin zei haast huilend: „Als ’t zoo door gaat, is er over ’n
week niks meer.”
Piet streek eens met z’n hand langs de onzichtbare paal en zei: „Je kan
’m alleen maar niet meer zien, maar anders is ie nog net als vroeger.
Voel zelf maar.”
Doch de boerin had er geen zin in, maar de boer pakte resoluut de paal
beet.
„Piet heeft gelijk moeder,” zei de boer en toen zei Piet weer:
„Kijk maar moeder ik kan er in klimmen,” en hij begon ook meteen maar.
Koen zag hem omhoog gaan en dat leek ’m nou net iets om na te doen.
Klimmen in ’n paal die je niet zag. Hij deed het meteen.
De boer en z’n vrouw zagen met sprakelooze verbazing de jongens omhoog
gaan langs niemendal. ’t Was zoo’n gek gezicht, dat ze geen van tweeën
’n woord konden uitbrengen.
Toen liet Koen zich naar beneden glijden en Piet kwam vlak achter hem
aan. De boerin gaf ’n gil en de boer zei: „Hè!” Maar Piet en Koen
lachten allebei.
„Dat moest vader zien,” zei Koen, „maar hij is nog niet op.”
„Kom,” zei de boer, „de koeien staan al te wachten.”
„Ik kan niet zeggen hoe akelig ik het vind” zei de boerin. „Ik blijf
hier geen dag meer. ’t Was net of die jongens zoo maar uit de lucht
kwamen vallen.”
De boer gaf daar geen antwoord op. Hij stak z’n pijp aan en Piet nam de
melkemmers weer op. De boer marcheerde zwijgend naar het weiland en
liet de vrouw gewoon staan. Maar die bleef daar niet. Ze maakte
rechtsomkeert en liep haastig naar huis terug.
Piet molk zwijgend ’n paar koeien. Hij was er nog niet zoo vlug mee als
vader of de oudere broers. De boer molk er in dezelfde tijd wel vier.
Maar die zei onder het werk óók niemendal. Bij dat werk werd nooit
gepraat. Alleen hoorde Koen die in de buurt wat rondscharrelde zoo nu
en dan de stem van de boer of van Piet als die grommig wat riepen tegen
de koe die niet rustig wou blijven. Koen liep te denken over het
verdwijnen van de verdwijn-machine. Wie zou dat ding op de kop getikt
hebben? Het was toch wel heel toevallig dat er net iemand langs die
telefoonpaal moest komen en nog wel in de donker dat koffertje moest
ontdekken. Als z’n vader met Klaas het gevonden hadden, dan was het
begrijpelijk. Maar Klaas had van het koffertje niet gerept en van de
onzichtbare telefoonpaal wist ie ook niets af. En Klaas had nog gezegd
dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan was. Dat hadden ze net
nog gehoord toen ze die morgen de kamer binnenkwamen. Koen z’n vader
had het dus ook niet ontdekt zonder dat Klaas er bij was. Misschien had
’n voorbijkomende fietser het bij het licht van z’n fietslantaarn in de
gaten gekregen. Wie weet. Maar in ieder geval waren ze ’t kwijt en
professor Wells kreeg het nu misschien nooit terug. En opnieuw had Koen
spijt dat ie zich telkens door Piet had laten overhalen om er z’n vader
voorloopig niets van te vertellen. Hij kon niet ontkennen dat het nu
zijn schuld was als de eigenaar het nooit meer terugzag. Piet had ook
meegedaan, dat was waar, maar hij had het gevonden en hij had daarvan
dadelijk kennis moeten geven aan z’n vader. Nu was het evenwel te laat.
Er was niets meer aan te doen.