Waarin m’nheer Bruggemans ’n raar geweer te zien krijgt, ’n
telefoonpaal onzichtbaar wordt en de wondermachine zelf ook
verdwijnt.
De boerenfamilie had het de heele dag over niets anders gehad dan over
de witte haan, die hoewel uit het gezicht verdwenen er toch nog scheen
te zijn. De boer zelf zei het minst van allen. Hij wreef maar aldoor
langs z’n kin, wat ie altijd deed als hij over ’n moeilijkheid zat te
tobben. De groote jongens waren van oordeel dat het onmogelijk was,
maar dat je het toch gelooven moest als je zoo’n haan, die je niet zag,
dan toch maar tusschen je vingers had. Mie vond het eng voor zichzelf
en naar voor de witte. Moeders mond had er de heele dag niet over stil
gestaan en het slot was, dat ze verklaarde niet in ’n huis te willen
blijven waar zulke dingen plaats hadden. De boer had daarop maar
wijselijk geen antwoord gegeven, want je kon toch maar zoo je heele
hebben en houden niet in de steek laten, omdat er ’n onzichtbare witte
haan rondliep. D’r zijn zooveel onzichtbare dingen om je heen, waarvoor
je toch niet verhuizen gaat.
Piet was de eenige die heelemaal niets zei. Hij had het kunnen
verklaren, als ie gewild had, maar toen Koen hem aanspoorde het te
doen, gaf Piet ten antwoord dat z’n vader er dan onmiddellijk ’n finaal
einde aan maken zou door het tooverkistje op z’n minst stuk te trappen.
En toen legde Koen er zich maar weer bij neer, want het kistje van
professor Wells door ’n paar boerenklompen te laten behandelen, leek
hem toch wel wat kras.
Maar hij hield er z’n mond ook over tegen z’n eigen vader, waar Piet
ook al de oorzaak van was. Want die hield vol dat m’nheer Bruggemans
het weer niet verzwijgen zou voor de boer en dan ging het toch naar de
maan. Als zijn vader zich eenmaal voorgenomen had iets stuk te trappen,
dan werd het ook stukgetrapt.
„Maar heeft je vader dan gezegd, dat ie het zou stuktrappen?”
„Nee, dat heeft ie niet, maar dat kon ik aan z’n gezicht wel zien en
dat is net ’t zelfde.”
„Dan zal ik er ook maar niks van aan vader zeggen,” gaf Koen toe. „Maar
we doen er ook niks mee hoor.”
„Misschien wel niet,” antwoordde Piet... „Ik had anders iets
geprakkezeerd, waar we lol mee konden hebben. We zullen nog wel es zien
hè?”
„Wat had je dan geprakkezeerd?” vroeg Koen nieuwsgierig.
„Kom mee dan zal ik het je uitleggen.”
Ze wandelden samen het veld in.
Toen ze terugkwamen, zat de heele boerenfamilie bij de familie
Bruggemans in het tuintje voor het huis waar achter de groene doornheg
de dahlia’s bloeiden en de hooge zonnebloemen. Dat voortuintje was
zoolang de familie Bruggemans er was, voor deze bestemd. De boeren
kwamen er nooit anders dan om onkruid te wieden, behalve Mie natuurlijk
en Piet.
Er moest dus wat aan de hand zijn, volgens Koen en Piet, die de
vergadering al in de gaten hadden toen ze nog ’n eind van de boerderij
af waren.
„Ze hebben ’t over de witte,” zei Piet lachend. „Daar wil ik om
wedden.”
„Misschien hebben ze het kistje ontdekt,” zei Koen met ’n beetje angst.
„Als dat maar niet waar is,” zei Piet, die ook plotseling ’n beetje
benauwd werd.
„Ik ga niet naar huis,” verklaarde Koen.
„Maar ik wel,” zei Piet. „Ik wil best weten waar ze ’t over hebben.”
Toen ze in het tuintje kwamen, was m’nheer Bruggemans aan ’t woord.
„Nou moeten jullie je niet overstuur maken,” legde m’nheer uit. „Ik
geef toe dat het vreemd is. Maar er is zooveel vreemds in de wereld. We
weten niet hoe het met die haan in z’n werk gegaan is. Doch als we
daarachter komen, zullen we wel weer zien dat het heel natuurlijk was.”
„Noemt u dat natuurlijk?” zei de boerin. „Nou ik noem het heel
onnatuurlijk.”
„Laat mij jullie nou es vertellen wat ik er van weet. Toevallig vond ik
vandaag de krant waar het in stond. D’r is ’n professor in Amerika die
’n toestel heeft uitgevonden, waarmee naar hij beweerde, de dingen
onzichtbaar konden worden. Ik wou ’t eerst niet gelooven, maar nou die
haan van jullie onzichtbaar geworden is, geloof ik het wel. Vanzelf
wordt een haan niet onzichtbaar, da’s duidelijk hè. Dus moet er iemand
met zoo’n toestel hier aan ’t werk geweest zijn.”
Toen Koen z’n vader zoo hoorde praten, voelde hij zich allesbehalve op
z’n gemak. Het ontbrak er nog maar aan dat ie zei: „Koen heeft het”.
Piet gaf hem ongemerkt ’n duwtje en dat kon niet anders beteekenen dan
„Houd je mond”. En het plannetje dat Piet hem had medegedeeld was zoo
verlokkend, dat ie toch ook maar liever z’n mond dicht hield. Als z’n
vader tenminste het kistje al niet gevonden had.
Doch toen mijnheer Bruggemans doorpraatte, werd die vrees weggenomen.
M’nheer Bruggemans wist niemendal.
„Ik zou jullie aanraden eens goed op te letten,” ging hij voort, „of er
geen vreemd volk op de boerderij komt. Het kon wel eens wezen dat de
een of de ander die in het bezit van dat instrument is, er hier proeven
mee neemt. Dat moet wel want de onzichtbare haan is er het bewijs van.
Ik zelf zal ook ’n oogje in ’t zeil houden en ik zal onmiddellijk aan
die Amerikaan schrijven, want die is het ding kwijt.”
„Als het is als je zegt m’nheer,” zei de boer, „van dat toestel, dan
zou ik wel es willen weten wie d’r hier op de werf zou willen komen met
zoo’n ding zonder dat we hem in de gaten krijgen! Heeft een van jullie
iemand vreemds hier gezien moeder? Jullie bent de heele dag bij huis.”
De boerin verklaarde dat er buiten de postbode en ’n koopman die ze
heel goed kende, niemand op de werf geweest was.
„Ho, ho,” zei m’nheer Bruggemans, „ze zullen wel zoo dom niet zijn er
overdag mee hier te komen. Als ze zoo iets doen, doen ze het ’s nachts,
dat begrijp je toch zeker wel.”
„Dan zullen we vannacht maar eens de wacht houen,” zei de boer.
„Laat mij dat maar es opknappen,” zei de oudste zoon. „De eerste de
beste die ik onder m’n vingers krijg, komt er niet heel meer tusschen
uit.”
„Behalve als die je onderhand onzichtbaar maakt,” zei Piet opeens.
„Jakkes,” riep de boerin, „waar haalt die jongen ’t vandaan.”
Maar de anderen zaten zwijgend, totdat de oudste eindelijk zei: „Nou
dat mot ie dan maar es probeeren.”
„Flink!” zei m’neer Bruggemans, „met jou kan ik praten.”
Zoo werd er dan besloten dat Klaas die nacht de wacht zou houden en
m’nheer Bruggemans gaf de boerin de ouwe krant mee waarin ze zelf lezen
kon over de uitvinding van professor Wells.
Toen de boerenfamilie weg was, zei m’nheer Bruggemans: „Die menschen
zouden in staat zijn aan hekserij te gaan gelooven.”
„’t Ligt voor de hand hè,” antwoordde mevrouw, „als er zulke
geheimzinnige dingen in je huis gebeuren. Gelukkig maar dat je die
krant nog had. Nu hoeven ze zich niet zoo ongerust te maken. Maar ’n
beetje griezelig vind ik het zelf toch ook.”
„Och kom,” zei m’nheer. „Groote gekheid. ’t Is heel natuurlijk. Maar we
moeten de dader zien te ontdekken.”
Daarna ging m’nheer Bruggemans in huis om papier voor z’n brief aan
professor Wells in Amerika te halen.
Koen en Piet gingen de tuin uit en toen ze buiten het gehoor van de
familie waren zei Koen:
„Nou wordt het toch gevaarlijk, Piet, om dat ding nog langer geheim te
houden en er verder proeven mee te nemen. Dat zal je zelf moeten
toestemmen.”
„Hoezoo gevaarlijk?” zei Piet met ’n onnoozel gezicht. „’t Is niks
gevaarlijker dan gisteren.”
„Ik meen het gevaar van ontdekt te worden.”
„O, meen je dat. Nou, als ze ’t ontdekken dan is ’t nog niet erg. Ze
komen er vandaag of morgen toch achter.”
„Begin je dat ook in de gaten te krijgen? Laten we het dan nu maar
dadelijk aan vader gaan zeggen, dan kan ie dat meteen aan die
amerikaansche professor schrijven.”
„Ben je mal jô... We vertellen er heelemaal nog niks van. Waarom zouen
we dat nou al doen? ’t Wordt nou pas lollig. Je zal eens zien hoe fijn
ik er m’n broer vannacht mee tusschen neem.”
„Wat??... Moeten we ’t nou nog al niet vertellen? Maar ik laat me door
jou niet langer tegenhouen. Ik ga ’t zeggen.”
„Da’s flauw hoor. Maar als jij ’t vertellen wil, ga je gang. Je zal
zien dat je vader ’t kistje inpakt en dadelijk wegstuurt.”
„Nou, dat is toch ook de bedoeling dat die professor z’n eigendom weer
terugkrijgt.”
„Krijgt ie ’t dan niet terug als wij er eerst nog die telefoonpaal mee
onzichtbaar maken, zooals we afgesproken hebben?”
„Jawel, maar nou vader d’r zoo ver achter is, dat het instrument hier
in de buurt moet zijn, hield ik er maar liever mee op.”
„Laten we ’t dan morgenochtend vertellen. Ik zou ’t zoo lollig vinden
als we er die opschepper van ’n Klaas eerst nog eens mee konden foppen.
Je hebt zelf gehoord wat ie zei.”
„Ja ’n beetje opschepperig was het wel,” gaf Koen lachend toe. „Met dat
machientje zouen wij ’m onzichtbaar kunnen maken, zonder dat ie er zelf
wat van merkte.”
„O zoo. Maar dat wil ik nog niet eens. Laat mij maar es begaan met ’m.
Je kan d’r op rekenen, dat ie niet in slaap zal vallen en om ’m zelf
onzichtbaar te maken zou die minstens moeten slapen, want anders had ie
ons met ’t kistje zoo in de smiezen.”
„Da’s nog al duidelijk.”
„Maar we kunnen misschien wel wat anders onzichtbaar maken. Help jij?”
„Ik wel. Maar ik ben toch ’n beetje bang voor je broer, dat wil ik je
wel zeggen.”
„O, ik ook, daar niet van. Je kan er op aan als ie iemand in z’n
knuisten kreeg vannacht, zou die ’t slecht hebben. Klaas is zoo sterk
als ’n os. En bang is ie ook niet. Dat zijn we bij ons geen van allen.
Als we wat met hem uithalen, moet ie er niks van in de gaten krijgen.
Maar die paal moet er eerst aan gelooven. Dat doen we vanavond als
Klaas slaapt.”
„En hij zou waken?”
„Doet ie ook, maar dan gaat ie eerst ’n paar uur maffen. Hij zal wel
opstaan als de anderen naar bed gaan. Met die paal komen we klaar
zonder dat we d’r bij zijn.”
„Zonder dat we d’r bij zijn?”
„Ja zeker, ’t zal me nog al geen tijdje duren eer zoo’n dikke paal
verdwenen is. Als wij daar bij moesten blijven met dat ding, dan hadden
we alle kans dat we ontdekt werden. Moet ik niks van hebben.”
„Dus je wou dat kistje bij de paal zetten vanavond?”
„Ja dat wou ik en we binden die rooie knop aan de paal vast. Dan kan ie
op z’n eentje onzichtbaar worden.”
„Maar als de een of andere op die manier het kistje eens ontdekte?”
„Ook niet erg... zijn we meteen overal af. Hoeven we heelemaal niks te
zeggen.”
„Dan wou ik maar dat vader het kistje daar vond.”
„Ik niet hoor. Je zal morgenochtend eens wat beleven als die paal
verdwenen is zonder dat Klaas er iets van gemerkt heeft.”
„Maar hoe wou jij dat kistje weer in huis halen als je broer overal
rondsluipt, misschien wel met ’n geweer. Daar heb jij zeker ook niet
aan gedacht.”
„Jawel... komt wel in orde. Dat doen we waar Klaas bij is.”
„Je maakt me nieuwsgierig Piet.... maar ’t lijkt me toch wel lollig
ook. Hoe doe je dat dan?”
„Ga maar mee dan zal ik ’t je vertellen.”
Zij gingen samen naar huis terug en naar het zolderkamertje waar het
geheimzinnig kistje klaar gezet moest worden voor het gebruik dat ze er
die avond van dachten te maken. Piet liep op z’n teenen eerst even naar
de stal om te kijken of Klaas soms al sliep. Maar de slaapplaats op de
stal was nog leeg. Piet lachte stilletjes en nam vlug het geweer mee
dat boven het bed van Klaas hing.
Koen keek verwonderd toen hij Piet terug zag komen met het geweer, maar
hij begreep al gauw wat de bedoeling was toen hij zag dat Piet het
kistje voor de dag haalde.
„Ga je dat geweer onzichtbaar maken?” vroeg hij lachend.
„En of en meteen eens probeeren of het ding werkt als je er niet bij
bent. Kijk nu bind ik die rooie knop tegen het geweer. Maak jij nou
maar de machine aan de gang. Ziezoo en nou hangen we er wat voor of we
leggen er wat overheen en dan gaan we naar beneden.”
„Wat moeten we er overheen gooien... die blauwe kiel van jou?”
„Leg maar over, dat ding van jou ook maar, hoe heet dat ook weer.”
„M’n cape.”
„Nou kan geen mensch er meer wat van zien. Ga nou maar mee.”
„’t Is gevaarlijk,” vond Koen. „Als er eens iemand boven kwam, werd het
zoo ontdekt.”
„Loop rond,” zei Piet. „D’r komt toch ’s avonds nooit iemand hier
boven.”
Toen ze in het groote woonvertrek kwamen, zat de heele familie koffie
te drinken, wat ze natuurlijk iedere avond om die tijd deden. Nadat dat
afgeloopen was, begonnen moeder en Mie voor het avondeten te zorgen en
daarna werd er gegeten en dan ging de heele familie naar bed. Klaas was
er niet bij die avond. Die was ’n uurtje op één oor gaan liggen, zei
Mie. Als de anderen naar bed gingen, zou hij geroepen worden om op
wacht te trekken.
„Is ie naar bed?” vroeg Piet, die heel goed wist dat ie niet naar bed
was.
„Welnee,” zei de andere broer, „hij ligt in ’t hooi.”
„Waarom doet ie dat?” vroeg Koen.
„Wel jongen,” zei de boerin, „je komt makkelijker uit het hooi dan uit
je bed.”
„Hij liever dan ik,” zei de broer. „Ik mot er niks van hebben om zoo’n
nachtje op te blijven als er zulke rare dingen gebeuren.”
Na het koffiedrinken verdwenen Koen en Piet weer stilletjes naar het
zolderkamertje om te gaan kijken of het geweer van Klaas al onzichtbaar
geworden was.
Doch daar deden ze ’n vreemde ontdekking. De kolf was verdwenen maar de
rest van het geweer was nog net even zichtbaar als te voren.
„Da’s gek,” zei Piet. „Kijk es je kan die ijzeren schroeven allemaal
zien zitten en dat glimmende ijzer onder tegen de kolf ook. ’t Is net
of het allemaal in de lucht zweeft.”
„Net als met de mais,” zei Koen. „Om ’t heelemaal onzichtbaar te
hebben, zouen we die stukken metaal ook nog eens moeten behandelen. Ik
merk dat je met die machine alleen dingen onzichtbaar kunt maken die
uit één stuk zijn, een geheel zie je.”
„Dat kan wel Koen, maar ’t wordt op die manier ’n raar geweer. Maar nou
ga ik ’t eerst eventjes weer boven Klaas z’n bed hangen.”
„Och jô, hij ziet het toch dadelijk, nou ’t er zoo uitziet.”
„Mô je niet gelooven. Als Klaas z’n geweer gaat halen, is ’t
pikkedonker. En zoek dan onderhand ’n stuk touw op, want we moeten zoo
meteen het kistje uit het raam laten zakken.”
„Wat is dat nou weer?”
„O, wil jij ’t soms onder je arm nemen en er zoo de deur mee uit
wandelen als we naar de telefoonpaal gaan?”
„Nee dat kan niet, daar heb je gelijk aan.”
Even later had Koen ’n flink eind touw en Piet had het rare geweer
boven het bed gehangen.
Ze zaten nu in het kamertje, terwijl het al begon te schemeren, een
gunstig oogenblik af te wachten om er met het kistje vandoor te gaan,
zonder dat iemand het merkte. Het werd om de boerderij al stiller en
stiller. M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten zeker met Berte aan de
andere kant van het huis in het tuintje. Daar zaten ze iedere avond
soms heel lang. En de andere menschen waren in de groote
boeren-huiskamer. Dat was ook iedere avond zoo.
„Nou moeten we ’t maar es probeeren,” zei Piet. „Ik ga naar beneden en
dan laat jij het ding zakken. Maar ik zal eerst es kijken of het veilig
is.”
Piet sloop weg en ’n oogenblik later zag Koen hem beneden op het erf
rondloeren. Even daarna wenkte Piet naar boven en Koen liet het leeren
koffertje met ’t wonderkistje er in behoedzaam uit het venster zakken.
Piet greep het en was er in ’n ommezien mee tusschen de struiken. Koen
ging nu ook naar beneden en volgde Piet op z’n geheimzinnige tocht door
het kreupelhout. Op die manier kwamen ze zonder door iemand gezien te
worden bij de paal van de rijkstelefoon die op ’n afstand van ’n paar
honderd meter van het huis verwijderd aan de weg stond.
„’t Zal wel lang duren,” meende Koen. „’t Is ’n heel stuk hout zoo’n
paal.”
„Hindert niet,” antwoordde Piet. „We zetten het heele toestel hier maar
neer en we binden die rooie knop tegen de paal aan. Wij gaan naar
huis.”
„En wou jij dan het koffertje hier laten?”
„Wel ja, waarom niet? D’r komt hier geen mensch voorbij en al kwam er
iemand dan zien ze in het donker het ding nog niet.”
„En wanneer halen wij ’t dan weer terug?”
„Vanavond laat. Laat mij daar maar voor zorgen.”
„Als Klaas hier rondloopt met z’n geladen geweer?”
„Ja. Ik ga hem ’n poosje gezelschap houen. Dat vindt ie wel lollig.”
„Dus jij wilt vroeg opstaan om het kistje te halen.”
„Nee ik wil niet vroeg opstaan, tenminste niet vroeger dan anders. Ik
ga niet naar bed.”
„O, zeg die knop zit prachtig tegen die paal hè?”
„Fijn hoor. Laten we nou maar hard naar huis hollen, anders krijgen we
weer ’n standje. Ze zullen al wel aan de pap zitten.”
Bij de boer aten ze elke avond pap met stroop en Koen deed er trouw aan
mee, al was ’t heelemaal geen stadsche gewoonte. Maar Koen vond die
boerenmanier van leven zoo slecht nog niet.
Ze kwamen net nog vroeg genoeg, ofschoon moeder al had opgeschept en
Klaas was er ook. Vader bepraatte met hem wat ie doen moest als ie iets
ontdekte die nacht. Hij moest in dat geval maar gauw komen waarschuwen,
dan zouen ze die baas, die van die gekke kunsten op het erf durfde
uithalen wel mores leeren. M’nheer Bruggemans had ook beloofd dat ie
dadelijk bij de hand zou zijn als ze hem noodig hadden. Klaas meende
dat ie ’t wel alleen af zou kunnen. Hij zou z’n jachtgeweer maar
meenemen. Met dat jachtgeweer schoot ie in de winter nog wel es stiekem
’n konijn of ’n haas. Dat mag wel niet, maar de boeren zien in zoo’n
beetje stroopen geen kwaad. Die beesten eten onze vruchten op, zeien ze
en dus mogen wij hen wel weer opeten.
Klaas had net uitgesproken toen er aan de deur werd getikt en m’nheer
Bruggemans binnentrad. Dat deed ie anders nooit. Maar nu kwam hij even
zeggen dat ie ook nog ’n poosje op wou blijven om met Klaas de ronde te
doen. Hij wou zelf wel es kijken of er ’t een of ander gebeuren zou.
De boer vond dat erg aardig van m’nheer en de vrouw niet minder. Klaas
had er ook niemendal op tegen, want al zei hij er niets van, hij vond
het nu het heelemaal donker was geworden buiten toch wel ’n beetje
angstig. Niet dat ie bang was in donker. Daar had ie heelemaal geen
last van. Maar met die onzichtbare dingen was ’t toch niet pluis. Hij
had in de krant van mevrouw Bruggemans gelezen van die amerikaansche
uitvinding, maar hij geloofde het nog maar half en dat die dingen nu
net bij hen op ’t erf moesten gebeuren... nee ’t was toch niet alles al
had je ’n geweer bij je. Je kon ’t maar nooit weten. En daarom was ie
toch blij dat m’nheer Bruggemans zoo vriendelijk was om hem ’n poosje
gezelschap te houden. De eerste uren waren de naarste. Dan moest je er
nog zoo heelemaal aan wennen.
„Nou,” zei de boer, dan gaan wij maar onder de wol. Als m’nheer zoo
vrindelijk wil zijn Klaas ’n poosje gezelschap te houen, dat vonden ze
dan allemaal maar wat aardig.
„Dan betrekken wij de wacht maar, Klaas. Heb je voor mij ook soms niet
’n geweer?”
„Jawel,” zei Klaas. „Je kan ’t mijne krijgen. Das ’n heel beste spuit.
Ik kan vader z’n geweer wel vatten.”
Koen voelde dat Piet hem onder de tafel aanhoudend zat aan te stooten.
En als ie dan even opkeek naar Piet z’n gezicht dan zag ie maar al te
duidelijk dat z’n kameraad het heele geval erg naar z’n zin vond. Maar
Koen had er minder schik van. Hij kon het nog maar niet zoo aardig
vinden dat z’n vader met dat rare geweer zou gaan loopen. Zoolang ie er
mee in donker bleef was ’t niemendal. Maar als Klaas ’t nu dadelijk
ging halen, dan kwam de heele zaak onmiddellijk al aan de dag en hij
voelde wel dat ie zich niet goed zou kunnen houden. Vooral niet als er
misschien aan hem iets zou gevraagd worden, want liegen daar deed ie
niet aan. ’t Liefst had ie alles nu toch maar verteld, maar die Piet
hield ’m er van terug. Morgen, had Piet gezegd, tenminste zooiets. Maar
hij nam zich voor om er morgen in ieder geval ’n eind aan te maken. Dat
geheimdoen was toch niks voor hem.
Gelukkig ging Klaas het geweer niet halen. Dat gebeurde pas toen ze
allemaal met m’nheer Bruggemans naar buiten gingen. Toen zei Koen z’n
vader:
„Nou menschen gaan jullie maar gerust naar bed. Ik zal met Klaas dat
zaakje wel eris opknappen. Ga nou je spuit maar halen.”
Koen en Piet waren naar hun zolderkamertje gevlogen en lagen daar uit
het venster te loeren. De boer was met de anderen ook weer naar binnen
gegaan. M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en liep wat heen en weer.
Klaas kwam ook nog niet gauw terug. Maar eindelijk kwam ie toch en de
jongens hoorden hem zeggen:
„Asjeblieft m’nheer, hier heb je mijn geweer. Ik heb dat van vader.
Maar ik kon ’t zoo gauw niet vinden. ’t Mijne heb ik altijd zoo. Dat
hangt altijd boven me bed.”
„Geef maar op Klaas,” hoorden de jongens m’nheer Bruggemans zeggen. „Is
’t geladen?”
„Nou en of!”
Koen en Piet zagen dadelijk daarop het vuurpuntje van de sigaar
opgloeien. M’nheer Bruggemans had zeker ’n hevige trek aan z’n sigaar
gedaan. Daarna hoorden ze Klaas vragen of ze geen lantaarn zouden
aansteken, waarop m’nheer Bruggemans antwoordde dat ie z’n
fietslantaarn bij zich had, maar dat ze die wel zouden aansteken als
het noodig mocht zijn. Ze moesten de zaak in de duisternis onderzoeken.
„Nou,” fluisterde Koen, „dan mogen ze ook wel wat zachter praten,
anders hooren de boosdoeners toch alles.”
En Piet zei daarop lachend maar ook heel zacht:
„En die boosdoeners zitten veilig hier op zolder. Ga je mee naar
beneden?”
„Naar beneden?” zei Koen verbaasd. „Ik moet naar bed jô!”
„Maar we moeten toch eens gaan kijken wat ze uitvoeren. Verbeeld je dat
ze het koffertje vinden bij die paal.”
„Zouen ze daarheen gaan?”
„Welnee jô, ze blijven hier op het erf.”
„Waarvoor zouden wij dan gaan kijken? Ik ga veel liever slapen ook.”
„Ga jij dan maar slapen. Ik klim het raam uit.”
„’t Raam uit? Hoe doe je dat? Je hebt het laddertje toch niet laten
staan?”
„Nee, ’t laddertje is er niet. Dan kreeg ik van vader op me kop. Ik
weet er wel wat anders op.”
Hij haalde ’n touw ergens vandaan. Koen begreep dat ie dat expres voor
dat doel daar had geborgen, maar Piet legde hem uit dat z’n broers,
vooral Klaas, daarvan vroeger ’s winters gebruik maakten, wanneer ze ’s
nachts zonder dat vader het wist gingen stroopen.
„Doen ze dat ’s nachts ook al?” vroeg Koen.
„Met de lichtbak,” zei Piet. „Vader wil niet hebben dat ze er ’s nachts
op uit gaan, maar ze doen ’t toch wel es. En dan moeten ze hieruit,
want vader sluit de deuren zelf en dan neemt ie de sleutels mee.”
Koen vond zoo’n klimpartij aan ’n touw toch wel leuk en ofschoon hij
wist dat z’n vader het wel heel niet zou goedkeuren, ging ie toch maar
langs het touw naar beneden. Piet was al voorgegaan en samen slopen ze
nu langs het achterhuis naar het voortuintje. Als m’nheer Bruggemans
die tuin ingegaan was met Klaas dan moest ie al heel gauw ontdekken dat
z’n geweer er ’n beetje raar uitzag, want de lamp brandde nog in de
voorkamer waar mevrouw Bruggemans nog zat te lezen. De jongens konden
uit hun schuilplaats tusschen een paar struiken net in de kamer zien.
Er was niemand als Koen z’n moeder die heel stil telkens ’n blad van
haar boek omsloeg. De twee nachtwakers waren zeker de andere kant
opgegaan en nu wachtten de jongens geduldig tot ze terug zouden komen
van hun ronde. Piet had wel eerst naar de telefoonpaal gewild maar Koen
had het afgeraden. Je kon nooit weten of ze die kant niet ’n eindje
waren opgeloopen en als ze hen ontdekten liep het mis.
Eindelijk hoorden ze stemmen. M’nheer Bruggemans praatte voor ’n
schildwacht veel te luid en de jongens kropen een beetje verder onder
de struiken toen de stem al duidelijker werd. Klaas konden ze niet zoo
goed hooren. Die sprak wat zachter. Maar die was ook meer ’s nachts er
op uit geweest en die wist dat je in den nacht ’n stem heel ver hooren
kunt. M’nheer Bruggemans konden ze heel duidelijk verstaan.
„Drommels,” zei m’nheer Bruggemans, „m’n vrouw is warempel nog op. Die
vergeet altijd de klok als ze zit te lezen. Klaas ik zal haar even gaan
zeggen dat het al over tienen is.”
„Nou komt ie met z’n geweer in ’t licht,” fluisterde Piet, „zal je wat
beleven.” Ze loerden samen door de blaren en zagen m’nheer met Klaas de
tuin in loopen. „Daar heb je ’t al,” zei Koen. „Klaas merkt ’t.”
Klaas was plotseling in het smalle paadje blijven staan en gaapte z’n
geweer aan of tenminste dat gedeelte van het geweer dat zichtbaar
gebleven was.
„Wat heb je?” vroeg m’nheer Bruggemans zich omkeerend. „Wat kijk je
beteuterd. Waar kijk je zoo naar?”
Maar de jongens hoorden geen antwoord van Klaas. Die scheen zoo
verbouwereerd dat ie geen woord kon uitbrengen. M’nheer Bruggemans keek
Klaas aan en begon toen zichzelf ook eens te bekijken en hij keek
natuurlijk het eerst naar z’n rechterbeen omdat ie dacht dat Klaas daar
wat aan zag. Doch m’nheer Bruggemans had nog nergens erg in, want hij
droeg het geweer aan de riem.
„Wat is er toch met me?” vroeg m’nheer Bruggemans nog eens. Terwijl hij
dat zei nam hij zonder er bij te denken het geweer van z’n schouder en
toen zag hij het natuurlijk ook.
„Lieve hemel,” zei m’nheer Bruggemans, „wat ’s dat voor ’n ding. Ik heb
de kolf verloren!”
Doch ’n oogenblik later zag hij dat de draagriem nergens meer aan vast
zat en toch net deed of er wat aan hing.
„’t Is half weg.” zei Klaas opeens. „M’nheer ze hebben onderweg het
geweer half onzichtbaar gemaakt.”
M’nheer Bruggemans betastte het heele geweer en merkte dat het nog
heelemaal aanwezig was, maar dat je het gedeelte dat van hout gemaakt
was niet meer zien kon. Voelen kon je het daarentegen net als altijd.
Ook merkte hij nu dat het metaal onder aan de kolf nog wèl zichtbaar
was en hij zag ook de schroeven.
„Da’s ’n gekke geschiedenis,” prevelde m’nheer, zoo zacht dat de twee
in de struiken het ternauwernood konden hooren. En daarna zei hij wat
luider:
„Heb jij dat geweer boven je bed vandaan gehaald?”
„Ja m’nheer en toen was het er nog heelemaal.”
„Het is er nu ook nog heelemaal. Maar heb jij het heelemaal gezien?”
„Ik heb het heel niet gezien,” zei Klaas. „Ik heb het in de donker maar
zoo meegepakt.”
„Dan kan het wel vroeger onzichtbaar gemaakt zijn,” zei m’nheer.
„Onderweg kan het onmogelijk gebeurd zijn. Ik heb niks gevoeld. Laten
we even in huis gaan bij m’n vrouw. Ik moet dat geweer eens wat
nauwkeuriger bekijken.”
Ze gingen samen naar binnen en toen trok Piet Koen mee.
„Waar ga je heen?” fluisterde die.
„Kijken,” fluisterde Piet terug.
„Dan zien ze ons.”
„Nee, ga maar mee.”
Piet ging vooruit en zoo slopen ze als ’n paar inbrekers langs het huis
tot ze bijna bij het open venster waren waarachter mevrouw Bruggemans
had zitten lezen. Toen bukte Piet en zat ’n oogenblik later onder het
venster met Koen naast zich. Als er iemand in de kamer z’n hoofd naar
buiten gestoken had zou hij onmiddellijk de jongens hebben kunnen zien.
Maar daarbinnen hadden ze het zoo druk met het half onzichtbare geweer
dat niemand er aan dacht naar buiten te zien en bovendien dachten ze
geen van drieën in de verste verte aan Koen of Piet, net zoomin als dat
ze vermoeden konden, dat die twee jongens meer wisten van dat
geheimzinnige onzichtbaar worden dan zij met hun allen.
Koen hoorde z’n moeder allerlei uitroepen doen van verbazing, hij
hoorde Klaas nu en dan wat mompelen dat ie niet verstaan kon en hij
hoorde z’n vader volhouden dat er die dag iemand in de boerderij moest
geweest zijn die het geweer gedeeltelijk onzichtbaar gemaakt had.
M’nheer hield verder vol dat die man of wat het dan ook mocht geweest
zijn, bepaald in z’n werk gestoord was anders had ie het geweer wel
heelemaal onzichtbaar gemaakt.
Weer kreeg Koen groote lust op te staan en aan z’n vader alles te
vertellen. Maar hij deed het toch weer niet, want Piet trok hem aan z’n
mouw en sloop weg. Koen volgde.
„Nou moeten we gauw naar de telefoonpaal,” fluisterde Piet toen ze weer
veilig ’n hoek van het huis om waren.
„Goed,” antwoordde Koen, maar hij had er niet veel zin in.
Ze slopen om het huis heen en wilden juist in de struiken kruipen toen
Klaas als ’n donkere schim van de tegenovergestelde kant kwam. De
jongens stonden plotseling doodstil. Geen vin verroerden ze meer.
Wachten tot Klaas weg was, dat was alles wat ze te doen hadden. Ze
hielden de adem in, Klaas kwam dichterbij. Nu was ie geen vier stappen
meer van hen af. Nog ’n paar seconden, dan was ie voorbij. Opeens
scheen Klaas zich te bedenken. Hij stond stil. Koen kreeg ’n gevoel in
z’n keel of hij hoesten moest en hij kneep z’n lippen stijf op elkaar.
Z’n oogen wendde hij niet van de donkere schaduw af die Klaas was. Soms
zag hij hem heel duidelijk, doch dan opeens leek de heele Klaas wel
verdwenen, was alles gelijk zwart. Tot Klaas weer ’n beweging maakte,
dan zag ie ’m weer duidelijk.
Wat duurde dat lang! Waarom talmde die Klaas daar nou zoo lang? Koen
kon bijna niet meer stil staan.
Dat duurde zoo nog ’n heele tijd. Hoe lang dat wist Koen niet. Maar ’t
leek heel erg lang. En toen ging Klaas opeens zitten op ’n omgekeerde
tobbe die daar stond. Piet stiet Koen zacht aan. Dat beteekende zeker
dat ie zich nog stiller moest houden dan ie al deed. Koen vond het
alles behalve lollig. Klaas zat daar vlak voor hen met het geweer dwars
op z’n knieën. Ze konden nu niet meer weg. En als Klaas zoo zitten
bleef, moesten zij daar blijven staan en als het dan zoo meteen dag
werd waren ze er gloeiend bij. Nee, het was geen aangename positie.
Opeens trok Piet hem weer aan z’n mouw en toen kwam Piet met z’n hoofd
heel dicht bij Koen z’n oor en Koen hoorde Piet fluisteren: „Hij maft.”
Meteen verdween Piet onhoorbaar tusschen de struiken en Koen was er
gauw bij om hetzelfde te doen.
’n Oogenblik later stonden ze op de weg en gingen ze voorzichtig naar
de paal. Ze wisten precies waar die stond en bovendien hoorden ze boven
zich het gezoem van de twee draden die altijd ’n liedje zongen als er
’n beetje wind was. Maar het was zoo pikkedonker dat ze van de paal
geen steek konden zien.
„Hier heb ik ’m,” fluisterde Piet.
„Ik voel ’m ook,” zei Koen.
„Hij zal nou wel heel onzichtbaar zijn,” meende Piet. „De machine heeft
nu minstens twee uur gewerkt.”
„Denk ik ook wel,” zei Koen.
„Zeg,” fluisterde Piet, „da’s ook wat... ik voel de machine nergens,
voel jij es”.
„Ik voel niks,” zei Koen. „’t Heele ding is weg.”