Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n
onzichtbaar varken ziet.
Toen ze van melken thuis kwamen, was m’nheer Bruggemans al op. Dat was
iets bizonders. Die kwam anders nooit voor achten uit de veeren.
„Wat zou er aan de hand zijn?” zei Koen tegen Piet toen ie z’n vader
zoo vroeg al in het tuintje zag zitten.
„Moeder heeft hem zeker uit z’n bed geklopt om te vertellen van die
telefoonpaal.”
Dat was echter niet zoo. M’nheer Bruggemans was al op toen moeder
terugkeerde. Ze zag hem in het tuintje en was dadelijk over de
onzichtbare paal begonnen. M’nheer Bruggemans had niet veel geantwoord,
alleen maar wat om de boerin gerust te stellen.
„Weet u ’t al van de paal?” vroeg Koen dadelijk.
M’nheer Bruggemans knikte.
„Wij zijn er al in geklommen,” zei Koen weer lachend.
„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans ook lachend, „’t Zal wel ’n gek gezicht
geweest zijn.”
„U had vader moeten zien en moeder,” zei Piet.
„Dat wil ik graag gelooven.”
„Gaat u ook niet eens kijken?” informeerde Koen.
„Ik kom er zoo meteen langs met de fiets.”
„Gaat u fietsen?”
„Even ’n boodschap.”
Verder werd er niet over gepraat. M’nheer Bruggemans bracht z’n brief
aan Professor Wells zelf op de post. Toen hij terugkwam wachtte de boer
en de boerin op hem en toen begonnen ze natuurlijk weer over die paal.
Mevrouw Bruggemans deed nu hard mee met de boerin. Ze zei, dat ze ’t
ook erg eng vond. Als dat zoo doorging bleef ze niet langer en de
boerin verklaarde nogmaals dat ze stellig ook niet bleef. De boer zei
niet veel en m’nheer Bruggemans praatte als ’n advokaat om de vrouwen
gerust te stellen. Hij verklaarde dat het ’n heel natuurlijke zaak was,
wel ’n beetje vreemd, maar er gebeurden zooveel vreemde dingen in de
wereld waarover toch niemand zich ongerust of bang maakte.
Doch de boerin hield vol dat ze wèl bang was. Ze hield niet van die
akeligheden. Wie had er nou ooit gehoord van ’n telefoonpaal die je op
klaarlichten dag niet zien kon. M’nheer mocht zeggen wat ie wou, maar
zij wou wel eens weten of zoo iets ’n natuurlijke paal was.
En toen verklaarde mevrouw Bruggemans vlak tegen de meening van m’nheer
Bruggemans in, dat zoo’n paal, de onnatuurlijkste paal van de wereld
was.
M’nheer Bruggemans merkte wel dat ie met die vrouwen niet opschoot. Hij
zei niemendal meer en stak ’n sigaar op.
De boerin en mevrouw Bruggemans gingen het huis in en m’nheer
Bruggemans ging in de hangmat liggen om de krant te lezen. Koen en Piet
lagen op ’n afstand in het gras achter de heg.
M’nheer Bruggemans had geen erg in de jongens anders was ie misschien
’n beetje voorzichtiger geweest. Nu haalde hij z’n onzichtbare
sigarenpijp uit z’n zak en draaide het ding in z’n vingers rond. Daarna
hield hij het tegen het licht alsof hij er door wou zien. Vervolgens
blies hij er door en bekeek het daarna opnieuw. Even later strekte hij
z’n arm uit om ’n grasspriet te plukken die hij daarop door het pijpje
haalde. M’nheer Bruggemans had bemerkt dat z’n pijp na het rooken van
die sigaar ’s nachts niet onzichtbaar gebleven was. Rook geeft roet en
er zat ’n klein beetje roet in de pijp. Dat wilde m’nheer Bruggemans er
uit hebben, want dat kon je zien.
De jongens keken met volle aandacht. Het was net of m’nheer Bruggemans
met hen ’n gebarenspelletje speelde en zij moesten raden wat ie deed.
Ze raadden ’t allebei zonder tegen elkaar ’n woord te durven zeggen,
want ze lagen geen tien pas van de hangmat af. En ze raadden beiden
goed, want Piet maakte al gauw tegen Koen met z’n mond het gebaar van
rooken en Koen knikte dat ie ’t begreep. En nu wisten ze meteen wie de
verdwijn-machine mee genomen had.
Ze gingen ’n oogenblik later ’n eindje verder liggen, om niet gehoord
te worden door m’nheer Bruggemans en toen zei Piet.
„Je vader heit ’m.”
„Ja,” zei Koen, „blij toe.”
„Hij heit er z’n sigarepijpie mee te pakken gehad.”
„Ja en hij dacht er niet aan dat wij hem zien konden.”
„Stom van ’m.... maar ik ben toch blij dat ik het weet. Waarom zou die
er niks van zeggen?”
„Weet ik niet.”
„Waar zou die ’m bewaren?”
„Weet ik ook niet.”
„Moeten we es afloere.”
„Afloeren?”
Koen had er nog nooit aan gedacht z’n vader te beloeren. Dat leek ’m
wel het gekste ding dat er bestaan kon, je vader afloeren.
„Nee,” zei Koen, „dat doe ik niet. Als vader dat ding bewaren wil, heb
ik er niet meer mee noodig. Hij zal van morgen wel met ’n brief voor
die m’nheer naar de post geweest zijn. Nou komt het nog goed terecht,
zal je zien.”
„Zou die d’r nou niks meer mee doen?”
„Weet ik niet. Ik denk van niet.”
Piet was opgestaan en zei: „Ga je mee?” Hij was al te lang van huis.
Vader had ’m misschien noodig bij ’t werk. Koen stond ook op en onder
’t gaan zei Piet:
„Nou moet je aan je vader niet laten merken dat je het weet van die
pijp.”
„Zoo wijs ben ik uit me zelf wel,” antwoordde Koen. „Ik weet nergens
van. Ik ben veel te bang dat vader er achter komt dat wij die machine
gehad hebben.”
Toen ze op de boerderij kwamen moesten ze dadelijk mee naar de
roggeakkers. Daar werd hard gewerkt. Ieder had de handen vol en Koen
hielp dapper mee. Geen mensch had tijd om over onzichtbare dingen te
denken, laat staan er over te praten. Om twaalf uur gingen ze niet eens
naar huis voor het middageten. Mie en Berte met Flip achter zich aan,
brachten ’n heele lading spekpannekoeken, van die dikke waar het vet
langs droop. De hongerige kerels aten als wolven en de jongens deden
voor de grooten niet onder. Koen at als ’n boer, maar hij had ook
gewerkt als ’n boer. Berte en Mie namen de schaal weer mee toen de
pannekoeken op waren en gingen met Flip naar huis terug. De boeren
kropen uit de zon achter de roggeschoven en gingen op hun buik of op
hun rug liggen, al naar dat ze het makkelijkste vonden om ’n
middagdutje te doen en Koen deed net als zij. Als je ’s morgens vroeg
uit de veeren komt, hard werkt en spekpannekoeken eet, slaap je achter
zoo’n roggeschoof net zoo lekker als in je bed, al lig je maar op de
stoppels. Na ’n uur rust werd de boer het eerst wakker en die riep de
anderen. Toen begon het harde werken weer net als ’s morgens en het
zweet droop hen daarbij langs de rooie koppen. Het was ook zoo brandend
heet op dat roggeveld en er was geen zuchtje wind. Ze hadden allemaal
groote grove strooien hoeden op, maar de kielen en vesten hadden ze
uitgegooid. Met bloote armen en nekken zwoegden ze tot het weer
melktijd was. Toen gingen ze allemaal naar huis om de emmers te halen
en daarna, toen ze met de melk thuis kwamen, stonden de dikke
roggemikboterhammen al weer te wachten en die smaakten Koen weer net
zoo goed als ’s middags de vette pannekoeken.
Toen de boterhammen op waren, werden de paarden ingespannen en met twee
boerenwagens ging het naar de akker. Dat was voor Koen het mooiste werk
van de heele dag, de rogge thuis halen.
Het was al laat toen ze met de hooggeladen wagens het erf op reden.
Maar de rogge moest eerst nog in de berg. De boer met Piet en Koen
stonden in de berg om de schoven op elkaar te stapelen die Klaas en
Dirk met hun vorken van de wagen pikten en handig omhoog in de berg
zwaaiden... M’nheer en mevrouw Bruggemans stonden er naar te kijken en
Berte met Flip op haar arm ook. Die deden net als de musschen die op
het rieten dak van de boerderij op ’n rij vroolijk zaten te tjilpen en
ook naar de rogge keken. Dat was hun wintervoer meenden ze en meteen
hun warme slaapplaats... Ze waren van plan wat ’n fijne holletjes in
het stroo te maken, waar ze lekker de lange nachten konden doorbrengen
als ’t winter was. De boer zou ook wel niet al te schriel kijken naar
de paar korreltjes die zij noodig hadden.
De boerin en Mie hadden het als altijd te druk in huis om net als de
Bruggemans, de musschen en Flip werkeloos toe te zien.
Toen de rogge in de berg was, werd het tijd voor de pap en bedtijd
meteen. Koen en Piet waren zoo moe dat ze er niet heel lang over
dachten en de groote jongens verdwenen ook al gauw. De boer en de
boerin talmden ook niet lang meer, maar de vrouw liep, voor ze naar bed
ging nog even bij de familie Bruggemans aan om aan m’nheer te vragen of
ie toch vooral de deur goed sluiten wou. En de boer deed zelf deuren
van het achterhuis sekuur op slot.
M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten nog lang in het tuintje met de
dahlia’s.
Het was zoo’n mooie avond vond mevrouw en Berte mocht ook nog wat
opblijven. Doch toen Berte eindelijk naar bed was en mevrouw ook vond
dat ze slaap kreeg, bleek m’nheer Bruggemans nog geen lust te hebben om
ter ruste te gaan. Hij zei dat ie nog ’n sigaar bleef rooken en dat ie
nog ’n paar brieven te schrijven had.
Zoo bleef m’nheer Bruggemans alleen in het tuintje achter, maar van
brieven schrijven kwam niemendal. Hij rookte kalm z’n sigaar uit de
onzichtbare pijp, die hij nu gerust voor de dag durfde halen.
Na ’n half uurtje begon m’nheer Bruggemans, leek het, onrustig te
worden. Hij keek eens op z’n horloge, ging op z’n teenen naar binnen,
luisterde daar even of mevrouw al sliep, deed toen heel zacht de deur
van de slaapkamer op slot, trok daarna z’n schoenen uit en ’n paar
linnen pantoffels met touw-zoolen aan.
Het was buiten nog niet heelemaal donker, toen ie weer in het tuintje
kwam. In de lucht hing nog licht, maar de struiken in het tuintje leken
toch al zwart. M’nheer Bruggemans liep het tuintje uit en deed de ronde
om het huis, aan iedere deur en aan alle vensters waarvoor de boerin
sekuur de luiken gesloten had luisterend of hij ook wat hoorde
daarbinnen.
M’nheer Bruggemans kwam weer in het tuintje terug en stak ’n versche
sigaar op. Hij ging in z’n gemakkelijke rieten stoel zitten en blies de
rookwolken voor zich uit. Maar na ’n poosje sloop hij als ’n dief zoo
zacht het huis weer binnen en kwam met het koffertje van professor
Wells terug.
Hij zette het voor zich op de tafel en maakte het open. Toen nam hij
heel voorzichtig de verdwijn-machine er uit en ’n oogenblik later
stapte hij er onhoorbaar mee naar de schuur waarin het groote varken
lag.
Dat groote varken was de moeder van dertien biggen en de trots van de
boer. Volgens de boer was er uren in de omtrek zoo’n groot varken niet
te vinden en zulke mooie biggen, als zijn toom van dertien, had niemand
in heel Gelderland. Hij was vast van plan de zeug met de biggen naar de
landbouwtentoonstelling te zenden en hij was zeker van de eerste prijs.
’t Was pikkedonker in de schuur, toen m’nheer Bruggemans er met z’n
verdwijn-machine binnentrad. Het rook er niet erg lekker. ’n Boerenneus
merkt daar niet veel van, maar de stadsche neus van m’nheer Bruggemans
had er weinig mee op. Maar m’nheer Bruggemans liet zich niet door z’n
neus de wet voorschrijven. Hij deed de schuurdeur achter zich toe en
bleef minstens ’n uur binnen.
Doch toen hij er eindelijk uitkwam haalde hij diep adem. De frissche
nachtlucht scheen hem goed te doen en hij bleef ’n tijdlang doodstil
staan, alsof hij uit moest blazen van ’n moeielijk werk.
Hij had ’n moeielijk uurtje achter de rug en hij had het benauwd gehad.
M’nheer Bruggemans was bezig geweest het groote varken onzichtbaar te
maken en om dat klaar te spelen had ie ’n vol uur met z’n neus vlak
boven dat groote beest gestaan, waar de dertien kleine zwijntjes lekker
warm omheen lagen. Gebukt over ’n schot van planken met de
verdwijn-machine in de eene hand terwijl de andere de roode knop vast
op de vette rug van het slapende beest gedrukt hield, was m’nheer
Bruggemans zoo stijf geworden als ’n paal. En z’n neus had al die tijd
de zeer onaangename varkensgeuren moeten verduren. Maar hij had het
taai volgehouden tot ie niet meer kon.
Toen hij in het tuintje kwam, zette hij de machine op de tafel en viel
zelf in de rieten stoel neer. Hij haalde z’n horloge te voorschijn en
keek bij het zwakke schemerlicht van de zomerhemel hoe laat het was. En
tevreden stak hij het weer in z’n zak. Langer dan ’n uur was hij in het
hok bij het varken geweest en dat was volgens de papieren in het
koffertje voldoende om zoo’n groot voorwerp als dat varken onzichtbaar
te maken. Doch of het nu werkelijk onzichtbaar geworden was, wist
m’nheer Bruggemans niet. Hij was in de schuur te bang geweest voor
ontdekking om ’n lucifer aan te steken. Voor geen geld zou m’nheer
Bruggemans gewild hebben, dat ie gesnapt werd bij dat rare nachtelijke
werkje. En het was er zoo pikkedonker dat je ’n zichtbaar varken
evenmin zien kon als ’t onzichtbaarste zwijn. Het zou dus pas bij
daglicht blijken of z’n proefneming geslaagd was of niet.
Nu had m’nheer Bruggemans wel dadelijk naar bed gewild, maar ’t was net
of die gemeene stallucht in z’n kleeren was blijven hangen. Hij rook
eens aan z’n mouw. Jawel, hij leek zelf wel ’n varken. En met dat
luchtje durfde hij niet in huis te komen. Mevrouw zou het onmiddellijk
ruiken en dan was ie toch verraden.
„Stom,” dacht ie, „ik had m’n jas moeten uittrekken.” „Weet je wat, ik
laat ’m hier buiten op de stoel liggen dan zeg ik maar als iemand het
merkt, dat ik ’m per ongeluk hier heb laten liggen.”
Hij trok z’n jas uit en bleef toen nog ’n poosje heen en weer loopen om
uit te luchten. Toen ging hij stilletjes naar binnen en kroop in ’t
donker zonder mevrouw Bruggemans wakker te maken in bed.
De varkenslucht kon ie maar niet kwijt. Hij droomde er van. En het
waren natuurlijk allemaal groote onzichtbare varkens, die je alleen
maar ruiken kon, waarvan hij droomde. Telkens na zoo’n benauwde droom
werd ie er wakker van en als ie dan na ’n heele poos weer insliep,
begon het weer opnieuw met die akelige onzichtbare beesten.
M’nheer Bruggemans sliep die nacht al heel onrustig en toen het
eindelijk tijd was om op te staan, voelde hij zich lang niet frisch.
Graag had ie nog ’n uur of wat geslapen, maar hij durfde niet. Hij was
bang dat het argwaan zou wekken en bovendien was ie erg nieuwsgierig
naar het varken.
M’nheer kwam in z’n vest de slaapkamer uit en mevrouw zei onmiddellijk:
„Je hebt je jas nog niet aan.”
Waarop m’nheer dadelijk antwoordde: „Die heb ik gisterenavond in de
tuin laten liggen.”
„Hé, hoe kom je daarbij?” zei mevrouw, „dat doe je anders nooit!”
„Och,” jokte m’nheer, „’t was zoo warm zie je,” en toen liep hij direkt
naar de tuin waar z’n jas nog over de rieten stoel hing. Geen mensch
was er aan geweest. M’nheer Bruggemans rook onder het aantrekken eens
eventjes aan z’n mouw. Nou, de scherpe geur was er nog niet heelemaal
af, maar als hij niet te dicht onder de neus van anderen kwam, zouden
ze het wel niet ruiken.
Toen hij aan de ontbijttafel zat, schenen mevrouw en Berte er dan ook
niets van te merken. Maar ze merkten wel, dat m’nheer niet erg goed
geluimd was, wat van het slechte slapen kwam.
Terwijl m’nheer z’n boterhammen at, vroeg hij waar Koen was. Hij was
natuurlijk erg nieuwsgierig iets omtrent het varken te vernemen en Koen
zou ’t wel weten.
„Moet je hem hebben?” vroeg mevrouw. Want m’nheer wist evengoed als
zij, dat Koen ontbeet bij de boerenfamilie.
„Nee dat nou niet,” en daarna verdiepte hij zich in de krant. Doch hij
verstond maar half wat hij las. Die boeren waren toch zeker al lang in
de schuur geweest en als ze het varken gemist hadden, was de boerin
ongetwijfeld dadelijk naar hen toegekomen om het te vertellen. Het
varken was dus zeker niet onzichtbaar geworden en daarvoor had hij toch
niet zoo’n langen tijd in dat smerige varkenshok gezeten.
Hij legde z’n krant neer en stond op. ’t Was zonnig buiten en m’nheer
zei dat ie ’n eindje ging wandelen. Hij stapte het tuintje uit en
slenterde toen om de boerderij heen. Hij ging het achterhuis in waar
het donker en koel was. Hij zag daar niemand. Toen ging hij naar de
schuur en loerde even naar binnen. Er was geen varken te zien maar ook
geen enkele big! „Die zullen toch niet tegelijk met het oude varken
onzichtbaar geworden zijn?” dacht m’nheer. Dat kon niet.
„Gaat m’nheer eens naar de keuen kijken?” hoorde hij plotseling. Het
was de boerin die in de deur van het achterhuis stond. „Ze zullen wel
achter de schuur liggen” ging ze voort, „maar ’t is daar nog al vuil,
’t heele boeltje ligt daar lekkertjes in de modder.”
„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans, „ja dat is geloof ik varkensmanier hè?”
Toen liep hij om de schuur heen om de zwijnenfamilie ’n bezoek te
brengen. En de vrouw kwam achter hem aan.
„’t Is ’n kanjer hè?” zei ze toen ze naast hem stond bij het met
planken afgeschutte modderpoeltje waar de varkens genoegelijk in lagen
te knorren.
„Ja dat is het,” antwoordde m’nheer en hij keek met verbazing naar het
zichtbare moedervarken dat er van top tot teen uitzag of het van modder
gemaakt was.
„Dat doet ie nou het liefste,” zei de vrouw, „liggen in ’t slik. De
biggen zijn altijd nog ’n klein beetje zindelijker.”
„Dat merk ik ook,” zei m’nheer die aldoor maar naar het zwarte varken
keek.
De boerin ging weer naar het achterhuis en m’nheer Bruggemans wandelde
de boomgaard in en terwijl hij ’n sigaar rookte dacht ie er over na of
er onder die laag slik ’n zichtbaar of ’n onzichtbaar varken zou
zitten. Zooals het nu was, leek het zichtbaar genoeg, maar als de
modder er af was, wat dan?