DERDE HOOFDSTUK

Waarin de witte haan onzichtbaar wordt en de heele familie versteld

staat.

’t Was al ’n beetje schemerig in het zolderkamertje, want Koen had de

gordijntjes voor het venster toegeschoven. De kippen buiten gingen de

een na de ander op stok. Het werd avond.

Piet had het klaar gespeeld om de witte haan te pakken te krijgen

zonder dat een van de huisgenooten er iets van gemerkt had. En nu zaten

de twee proefnemers op hun hurken, Piet met de witte haan in z’n armen

en Koen klaar met de rooie knop van professor Wells’ verdwijn-machine.

De haan wou naar bed en probeerde nu en dan los te komen. Hij deed niet

erg veel moeite, want hij voelde zich in Piet z’n armen heel goed

thuis. Als die maar heel stil gezeten had, zou de haan wel in slaap

gevallen zijn daar boven in Piet’s kamertje. Maar Piet nam de haan in

z’n handen en dat was geen gemakkelijke positie voor het beest. De haan

verzette zich hiertegen ’n klein beetje en kakelde zachtjes. Maar Piet

hield ’m de snavel toe en zei ’n beetje ongeduldig tegen Koen: „Begin

je haast?”

„Jawel,” antwoordde die, maar hij scheen er niet heel veel zin in te

hebben. Had ie misschien meelijden met het beest, dat op het punt stond

voor goed onzichtbaar te worden?

Want Koen had wel zooveel uit de papieren begrepen dat er ook nog ’n

ander toestel bestond waarmee je de onzichtbaar gemaakte dingen weer

zichtbaar kon maken, doch dat instrument hadden ze niet. De haan zou

dus verdwijnen. Geen mensch zou hem ooit weer zien en z’n kippen, over

wie de witte koning speelde en de andere hanen die hij tiranniseerde,

hadden hem voor het laatst kunnen bekijken toen Piet er mee naar het

zolderkamertje sloop.

„Treuzel nou toch niet langer,” zei Piet ’n beetje grommig. Koen hield

de rooie knop toen maar tegen de haan. Hij bedacht, toen hij daarna de

haan scherp betuurde, dat het voor dat beest toen eigenlijk ’n geluk

was als ie onzichtbaar werd. Hanen worden in de regel door de menschen

ook onzichtbaar gemaakt eer de dieren te oud en te taai worden. Maar

dan verdwijnen ze eerst in de pot en daarna in de onverzadelijke magen

van de menschen. Als de witte haan onzichtbaar werd door professor

Wells’ machine hing hem het gewone akelige hanennoodlot niet meer boven

het hoofd. De moeder van Piet zou het wel nooit in d’r hoofd krijgen ’n

onzichtbare haan te willen braden en de witte kon dus naar hartelust

blijven leven.

„Kijk es,” fluisterde Piet, „hij begint al. Of zou het komen omdat het

duister wordt?”

„Ik weet het niet,” antwoordde Koen even zacht. „Hij doet z’n oogen

toe. Zou ie doodgaan?”

„Welnee ... hij gaat gewoon slapen. Hij voelt er niks van, dat merk ik

wel... Maar kijk nou es goed... Hij wordt toch al onzichtbaarder, vindt

je ook niet?”

„Ja.. ’t wordt net ’n schim.... zal ik er nu maar mee ophouen?”

„Ophouen? Ben je mal. Houdt het ding er tegen aan. We blijven niet

halfweg steken.” En na ’n oogenblik: „Hij gaat goed jô. Ik kan ’m al

bijna niet meer zien.”

„Ik ook niet.”

Weer ’n poosje stilte. De jongens konden hun hart bijna hooren kloppen.

De haan werd hoe langer hoe ijler. Maar ’t werd ook donkerder in het

kamertje en alles werd zoo’n beetje vaag en nevelig.

De eenige die er niets van merkte was de haan zelf. Die sliep.

Eindelijk zagen ze geen van beiden van de haan iets meer. In ’t

kamertje was het nu nagenoeg donker. Piet die met de onzichtbare haan

in z’n handen zat, vroeg aan Koen het gordijn weg te schuiven, want

buiten was er nog wel ’n beetje licht en toen dat naar binnen drong,

zoodat er weer wat schemering was, zag Koen z’n kameraad

oogenschijnlijk met leege handen staan.

„Voel nou maar es,” fluisterde Piet hem toe. En Koen voelde duidelijk

de haan, de gladde veeren van de vleugels en de lange kromme

staartveeren, die zoo als ’n vlag konden wapperen in de wind.

Piet zette de haan op de sport van ’n stoel. Het beest werd er

misschien half wakker van, maar zoodra voelde het dat ronde hout onder

z’n pooten of het zat al op stok en sliep waarschijnlijk weer door.

„Ziezoo,” zei Piet, „die slaapt tot het dag wordt.”

Nadat ze eerst beiden nog naar beneden geweest waren voor hun avondeten

(bij de boeren eet je ook nog voor je naar bed gaat) gingen ze ook

onder de wol en sliepen niettegenstaande de vreemde dingen die ze die

dag hadden ondervonden, net als de haan onmiddellijk.

Met het krieken van de morgen werd de haan op z’n ongewone slaapplaats

wakker. Misschien had ie wel ’n vreemd gevoel, omdat ie zichzelf niet

meer zien kon, want hij was erg onrustig. Hij sprong van z’n sport en

liep over de planken zoodat de beide jongens al heel gauw ontwaakten

door het getik van hanepooten op het hout. Koen was het eerst wakker en

keek uit z’n bed en schrok ’n beetje toen hij het gescharrel van de

haan hoorde, zonder dat ie van het beest ook maar ’n veertje te zien

kon krijgen. Hij keek naar Piet. Die was ook wakker en keek net zoo

verbaasd uit z’n bed als Koen.

„’t Is toch raar hoor,” zei hij bij wijze van goeiemorgen en Koen zei

niemendal.

Ze stonden allebei op, waschten zich en trokken hun kleeren aan.

Toen haalde Piet wat mais uit z’n broekzak en strooide de korrels voor

zich op de grond. Dat was de haan gewoon van Piet en onmiddellijk kwam

ie aanstappen. Gulzig, als hanen doen, wanneer er geen kippen bij zijn,

pikte hij de korrels op en nu zagen de twee toeschouwers het gekste

ding gebeuren, waaraan ze heelemaal niet gedacht hadden. De maiskorrels

gingen omhoog, zakten achter elkaar omlaag en bleven ergens ’n eindje

van de grond op ’n hoopje zitten. De mais die niet met de

verdwijn-machine behandeld was, bleef zichtbaar!

„Nou zit de mais in z’n krop,” zei Piet.

„Zooiets geks heb ik nog nooit gezien,” vond Koen. „Wat zou er nou met

die mais gebeuren?”

„Ik denk,” antwoordde de boerenjongen die verstand van kippen had, „dat

de mais net als altijd wel langzaam verteren zal en dan komt ze van z’n

krop in z’n maag en dan zal d’r langzamerhand wel niks meer van te zien

zijn.”

De haan hoorde nu de kippen buiten, die uit het hok kwamen en ’n haan

kraaide. Dat kon de voormalige witte niet uitstaan. Als er ’s morgens

gekraaid moest worden dan behoorde hij dat te doen. Die andere hadden

niks te kraaien zoolang hij er nog was. Gingen ze ver genoeg uit z’n

buurt, dan kon het hem minder schelen, maar zoo vlak bij dat was

majesteitsschennis. Hij vloog dus op de vensterbank, kraaide zoo hard

hij kon, zoodat de haan daarbeneden, die het gewaagd had ’n bek open te

doen, angstig omhoog keek, natuurlijk gereed om onmiddellijk de de

vlucht nemen. Maar hij zag de gevreesde witte baas van de kippetjes

heelemaal niet en bleef dus maar staan. Hij kraaide zelfs nog ’n

keertje. Dat was iets te veel voor de onzichtbare en klappend met de

vleugels vloog hij omlaag, tevergeefs nageoogd door Koen en Piet. Ze

zagen beneden de kippen uit elkaar stuiven toen er daar zooiets uit de

lucht over hen heen en tusschen hen door fladderde, dat ze niet zien

konden. Maar de haan die gekraaid had en met z’n hals uitgerekt loerde

naar z’n gevreesde tegenstander kwam er bekaaid af. Hij stond klaar om

te vluchten, want hij hoorde de vijand aankomen, maar die had ’m eer

hij nog ’n besluit had kunnen nemen welke kant ie uit zou gaan, al bij

z’n kuif te pakken.

De aangevallen haan was heelemaal de kluts kwijt en moest het toelaten

dat de ander hem de kam leelijk havende. Doch toen pakte hij z’n biezen

en poetste op goed geluk de plaat. Daar was het de witte om te doen. De

jongens hoorden hem kraaien en met de vleugels slaan. De kippen om hem

heen keken naar het scheen ’n beetje er van op. Ze draaiden tenminste

hun halzen en koppen naar alle kanten. Opeens kreeg ’n ouwe kip, die

het dichtst bij de onzichtbare haan was, blijkbaar de nog altijd

zichtbare maiskorrels in de gaten. De kip prakkezeerde er niet over,

dat die maiskorrels daar toch wel ’n beetje vreemd ’n eindje boven de

aarde schenen te zweven. Maiskorrels zijn maiskorrels, al zweven ze ook

in de lucht, meende misschien dat kippetje en ze pikte er naar. Maar ze

pikte alleen de haan, die ze niet zag en die was zoo’n malle

behandeling door z’n kippen niet gewend. Haneman pikte waarschijnlijk

terug en de kip ging er onmiddellijk vandoor.

Dat alles zagen de twee jongens uit hun zoldervenster afspelen. Ze

moesten er om lachen of ze wilden of niet, want het leek wel of er daar

beneden in de kippenwereld rare dingen gebeurden. Daar net had de

onzichtbare weer ’n andere haan te pakken gehad, die ’n beetje

vriendelijk deed tegen ’n kip. En ’n oogenblik later waren er twee

kippen tegelijk tegen de onzichtbare aangewandeld, waarvan ze blijkbaar

allebei schrokken. Hoe de witte haan er zich onder hield, was

natuurlijk niet na te gaan. Maar Koen dacht er het zijne van en zei

toen ze de kamer uitgingen:

„’t Spijt me dat we dat met die haan gedaan hebben.”

„Mij heelemaal niet,” antwoordde Piet. „De witte is alleen onzichtbaar

geworden. Verder is er niks aan hem veranderd, dat weet ik vast.” En ’n

oogenblik later: „Je moet er nog niks van aan je vader zeggen hoor.”

„Ben je bang?” vroeg Koen.

Maar Piet zei lachend:

„Geen steek. Als ze d’r achter komen, lachen ze er allemaal om, dat zal

je zien. Maar ik wou eerst es graag zien hoe de anderen het vinden

zonder dat ze weten wat er eigenlijk aan de hand is.”

„Ze zullen niet weten wat ze er van maken moeten,” meende Koen. Maar

hij vond het voorstel van Piet nogal leuk en wat kwam ’t er ook op aan

of ’t ’n dag langer verborgen bleef? ’t Was met de haan nou toch

gebeurd en al vond ie dat toch eigenlijk ’n beetje ongezellig voor die

haan, hij kon ’t toch niet ongedaan maken. Hij geloofde nu ook wel dat

de witte er niets onder geleden had.

M’nheer en mevrouw Bruggemans waren natuurlijk nog lang niet bij de

hand, maar bij de boerenfamilie kon Koen al terecht. Dat deed ie iedere

morgen dan ook. Berte stond ook niet zoo vroeg op, maar Mie wel. Koen

at ’s morgens vroeg net als Piet en Mie ’n dikke boterham met spek,

roggebrood natuurlijk. Hij kreeg er melk bij, maar Piet en Mie moesten

het maar doen met ’n beetje nat, dat ze koffie noemden. Het rare goedje

scheen hun best te smaken bij de dikke sneden roggemik, want ze dronken

er altijd heel wat kommetjes van. De boer en de groote jongens zaten

nog zoo’n beetje te geeuwen, maar moeder de vrouw liep al bezig in en

uit. Toen stopte de boer z’n pijp, stak hem aan en zei opeens: „Kom,

opschieten jongens.” Doch op datzelfde moment (de jongens en ook Piet

stonden al op) kwam moeder voor de zooveelste maal binnen en zei:

„Vader, kijk jij eris naar de kippen. Wat die mankeeren weet ik niet.

Ze doen zoo vreemd.”

„Daar heb je ’t al,” dacht Koen met ’n beetje angst, maar Piet zei

doodleuk:

„Dat heb ik ook al gemerkt moeder.”

„Och wat,” zei de boer, „wat zou d’r nou met die kippen zijn. Niks

natuurlijk.”

De boer beschouwde de kippen als ’n soort minderwaardig vee, waar hij

eigenlijk niets mee noodig had. Dat was werk van de vrouw. Die

verzorgde ze en die verkocht de eieren. Hij bemoeide zich er niet mee.

Hoogstens verkocht ie soms op verzoek van de vrouw wat jonge hanen of

oude hennen, maar meestal liet ie dat ook nog over aan de jongens. Die

kippen waren ’m om zoo te zeggen te min. Toch ging ie achter z’n vrouw

naar buiten, gevolgd door de groote zoons en Mie, terwijl Piet en Koen

’n beetje achteraan bleven.

Nu was het zóó met de kippen, dat zoodra ’s morgens de vrouw buiten

kwam, het heele kippenleger rumoerig naar haar toe kwam en op ’n

kippedrafje achter haar aanmarcheerde overal waar ze heenging. Stond de

vrouw stil dan stonden alle kippen en hanen om haar heen. Maar heel

vooraan stond altijd de witte als rechtmatige aanvoerder van het

regiment en de andere hanen hielden zich wijzelijk op de achtergrond.

Dan strooide de vrouw uit ’n groote bak met volle handen het

ochtendvoer, er voor zorgende dat ook de achterste hun rechtmatige

portie kregen.

„Wat is d’r nou met jouw kippies?” informeerde de boer.

„Wel nou... kijk maar zelf, hoe mal ze hier vooraan doen... Enne...

heeremetijd waar is de witte haan?”

„De witte haan?” zei de boer. „Ja, waar is die witte haan?.... D’r

zullen toch geen dieven op de werf geweest zijn vannacht?”

„Ik heb niks gehoord,” zei de oudste zoon.

„Ik ook niet,” bevestigde de tweede.

„En we hadden ’t toch moeten hooren,” zei de eerste weer. „In de stal

hoor je alles.”

„Kiep, kiep, kiep, kiep!” riep de vrouw met ’n heel hooge stem. „Als ie

in de buurt was, zou die nou wel komen,” voegde ze er bij.

Maar de witte haan kwam niet, want hij stond vlak voor haar, het beest

begreep zeker dat het om hem te doen was, want opeens hoorden ze

allemaal vlakbij zijn „tok, tok, tok”.

„Ik hoor ’m,” riep Mie en toen keken ze allemaal overal rond en de

vrouw liet ’n onderzoekende blik gaan over het heele kippenleger, om te

zien of de haan er toch niet ergens tusschen stond.

Koen voelde zich ’n beetje raar. Hij moest het nu zeggen, dacht ie. En

toen keek hij Piet eens aan. Maar die knipte enkel maar ’n oogje tegen

hem en zette ’n gezicht of hij het verloop van de zaak erg naar z’n zin

vond.

De vrouw strooide toen maar het ochtendvoer uit, want ze had geen tijd

om zich nog langer met de kippen bezig te houden. Het speet haar wel

dat de witte er niet was, doch ’n kip meer of minder maakte op zoo’n

groote hoop toch niet veel uit. Over zooiets kon je in het

boerenbedrijf je niet zoo heel druk maken.

Ze maakte al aanstalten om naar binnen te gaan en de boer stapte ook al

op, toen Mie, die met ’n handjevol mais gehurkt zat om naar gewoonte de

kippen, die tam genoeg waren uit haar hand te laten pikken, opeens

riep:

„Jakkes, wat is dat nou!”

„Wat heb je?” zei moeder.

„Wel... Kijk es... D’r pikt iets de korrels weg en ik weet niet wie het

doet.”

De kippen hadden ruimte gemaakt voor de haan die niemand zag. Het was

zijn recht om er vooraan bij te zijn als er uit de hand gevoerd werd.

En daar maakte hij ook thans gebruik van. Hij pikte wat ie maar kon.

Moeder zag ook die rare beweging van maiskorrels en de boer kreeg het

ook in de gaten. Die riep z’n oudste jongens erbij en toen zaten ze

allemaal om de onzichtbare haan heen, die voortdurend maar korrels

pikte.

Toen greep de boer opeens naar de korrels die de onzichtbare haan in

z’n krop had en kreeg natuurlijk de haan te pakken.

„Wel allemachies!” zei de boer zacht. Maar hij liet de haan niet los,

al vond ie ’t ook nog zoo eng iets in z’n hand te hebben, dat ie niet

zien kon.

„Wat heb je?” informeerde moeder nieuwsgierig.

„Wat ik heb?... Dat weet ik niet... Maar ’t lijkt allemachies veel op

’n haan. Ik voel z’n kop... en z’n staart ook.” De boer had de haan in

de linkerhand en ze zagen allemaal hoe hij met de rechter al sprekend

ergens overheen tastte.

„Wat doe je toch gek,” zei de vrouw. „Wat klets je nou van ’n haan die

je in je handen hebt en ik zie niks.”

„Voel zelf maar es,” zei de boer.

Maar daar had de vrouw voorloopig geen trek in naar het scheen. Doch de

oudste zoon durfde beter.

„Wat heb je toch?” zei ie tegen z’n vader. „Lâ mij ook es voelen.”

„Nou nog mooier,” zei ie na ’n oogenblik met z’n hand gevoeld te

hebben. „Maar dat lijkt op ’t gevoel net de witte. Zeg Piet voel jij

es. Jij ken ’m beter dan wij.” Toen kwam Piet met ’n effen gezicht en

voelde ook. „Geef ’m es hier,” zei hij daarna en hij nam de haan uit

z’n vaders hand en droeg hem zooals ie dat zoo dikwijls deed en wat de

haan heel prettig vond. Van plezier riep ie dan ook tok tok zoodat

iedereen het hoorde.

„’t Is vast de witte,” verklaarde Piet. „Dit is z’n kam. Voel maar,”

voegde hij er bij, zich tot Mie wendend die de haan ook heel goed

kende.

„Hij is ’t,” bevestigde Mie. „Z’n staart is ’t ook.”

„Jullie bent geen van allen goed,” zei de vrouw. Maar toen ze ook de

hand uitgestoken had en het onzichtbare beest voelde, gaf ze haast ’n

gil.

„Gooi weg,” riep ze, „lâ los dat ding, Piet.”

„De haan los laten?” zei Piet. „Wel daar gaat ie.”

Ze zagen aan de kippen die uit elkaar stoven toen de onzichtbare

tusschen hen in terecht kwam, dat het werkelijk de haan moest zijn, die

ze gevoeld hadden, maar ze gaapten elkaar zwijgend aan, want natuurlijk

begrepen ze er geen sikkepit van.

Piet was de eerste die sprak.

„Wat zou er met die haan gebeurd zijn?” vroeg hij met ’n onnoozel

gezicht. „Hij is ’t sekuur. Kijk maar es daar heeft ie de zwarte te

pakken.”

Ze zagen het allemaal. Maar ’t was ’n mal gezicht die zwarte te zien,

die precies deed alsof ie tegen ’n andere haan stond te vechten

ofschoon hij ’t oogenschijnlijk deed tegen de leege ruimte. De zwarte

sprong omhoog en pikte wat ie kon, maar de onzichtbare was verreweg de

baas. Het bloed liep de zwarte al uit de kam. Tot opeens de zwarte er

weer vandoor ging.

Toen hoorden ze allemaal de onzichtbare witte luidop kraaien. Hij had

het, net als altijd, weer gewonnen.

„We staan hier onze tijd maar te verleuteren,” zei de boer eindelijk.

„Vooruit aan ’t werk jongens.” En toen tegen Piet: „Je krijgt ’n

dubbeltje als je dat... dat ding de nek omdraait.”

De jongens gingen met elkaar pratend het land in en de boer volgde

langzaam.

De vrouw ging met Mie naar binnen en Piet, alleen gebleven met Koen,

zei lachend: „Hoe was ’t ie?”

„We moeten het zeggen,” zei Koen beslist.

„En je zal ’t wel laten,” antwoordde Piet. „’t Wordt nou pas lollig.”

„Noem jij ’t maar lollig. We staan te liegen dat de stukken er

afvliegen.”

„Liegen? Wie liegt er? Ikke niet. Ik zeg heelemaal niks... en jij hebt

ook nog geen stom woord gezegd. Om te liegen moet je je mond opendoen.”

„Je kan ook liegen met je mond dicht,” meende Koen.

„Nee, dat bestaat niet. Dominee heeft ons geleerd dat onwaarheid zeggen

liegen is. Hebben wij iets gezegd dat niet waar was?”

„De waarheid verzwijgen, kan ook liegen zijn of tenminste net zoo erg.”

„Zoo? Hoe leg jij dat uit?”

„Wel als ’t noodig is dat je de waarheid zegt en je doet het niet...”

„O... bedoel je ’t zoo! ’t Is heel niet noodig dat wij de waarheid nou

al zeggen.”

„Dat vind ik wel.”

„Och jô, wat geeft ’t nou of we dat nog ’n poosje voor ons houen. We

doen er immers geen mensch kwaad mee.”

Koen wou daar weer tegen opkomen, want hij was het met Piet niet eens,

dat ze er geen mensch kwaad mee deden. Doch op dat oogenblik kwam Mie

met Berte en mevrouw en mijnheer Bruggemans de hoek van het huis om.

Mie was de eenige die ernstig keek. M’nheer schaterde het uit. Mevrouw

lachte niet zoo uitbundig, maar leek het toch ook erg grappig te vinden

en Berte lachte haast net zoo hard als d’r vader.

„Hahahaha... waar is die haan die geen mensch zien kan!” riep m’nheer

Bruggemans al in de verte. En toen ie vlak bij was: „Neemaar ’t is om

je dood te lachen. Hahahaha! ’n Onzichtbare haan!”

„Ik wist niet dat er nog zulke bijgeloovige menschen waren,” zei nu ook

mevrouw met ’n glimlach, „’t Is zonde... hoe komen ze er bij!”

„Onzin,” riep m’nheer weer. „Inbeelding! Hahahaha... Onzichtbare hanen

bestaan niet. Zeg Piet jij hebt er zeker gisteravond van verteld hè.

Van die amerikaansche professor met z’n machine... Ze zullen gedroomd

hebben!”

„Mie heeft het ons verteld, jongens, van die onzichtbare haan die uit

haar hand pikte,” zei Berte. „’t Kan toch niet hè... ’t Is allemaal

gekheid.”

„Ik heb ’m ook in m’n handen gehad,” zei Koen nu. „D’r is ’n

onzichtbare haan.”

„Hou je mond jongen met je nonsens... Begin jij nou ook al. Je komt mij

maar niet met die dwaasheden aan boord hoor.”

„’t Is toch waar m’nheer,” zei Piet. „Als u even wacht, zal ik de haan

wel halen. ’t Is onze witte.”

Piet liep weg en ging tusschen de kippen, scherp uitkijkend, want ’t

was nu ’n toer om de witte te ontdekken. Piet riep zacht: „Kiep, kiep,

kiep,” in de hoop dat de witte zich wel zou laten verlokken, zooals

altijd. Toen bukte hij voorzichtig, stak z’n hand uit en greep naar

iets. M’nheer Bruggemans, z’n vrouw en Berte keken nieuwsgierig en

m’nheer zei toen ie zag wat wat Piet deed:

„Die jongen is stapel. Kijk nou es, daar komt ie me waarachtig

aanloopen net of ie iets draagt. Zou die aap nou werkelijk denken, dat

ie mij wat wijs kan maken?”

„Hier is de haan m’nheer,” zei Piet.

„Jawel slimmerd, dat zie ik,” antwoordde m’nheer Bruggemans lachend.

„Moet je vroeger opstaan hoor.”

„Voel u maar,” zei Piet weer.

„Kan je begrijpen.”

„Mag ik eens voelen?” vroeg Berte lachend, en ze deed het meteen. Doch

onmiddellijk zei ze: „Gunst, ’t is echt ’n haan.”

„Wat?” kwam er uit Mijnheer Bruggemans’ mond en meteen stak hij zelf de

hand uit. „Sapperloot!... Da’s vreemd... interessant... ’t Lijkt

werkelijk ’n haan of zooiets. Laat mij dat ding eens vasthouden Piet.”

„Asjeblieft,” zei Piet en hij gaf de haan over.

M’nheer Bruggemans pakte het dier voorzichtig bij de vleugels op de

manier van ’n kippenkoopman als ie ’n kip uit de mand neemt. Zoo werd

echter de witte nooit aangepakt en hij protesteerde hevig door luid te

tokken. Maar m’nheer Bruggemans stoorde zich aan dat hanenprotest niet

en betastte de haan met z’n vrije hand van onder tot boven.

„Pooten,” prevelde hij... „z’n staart... z’n buik... ’t is werkelijk ’n

haan... au!”

„Dat was z’n bek,” zei Piet lachend.

„Man je bloedt!” riep mevrouw.

M’nheer Bruggemans stond al met z’n bloedende vinger in z’n mond en de

onzichtbare haan had ie van schrik losgelaten.

De verdwijn-machine · 第 6 / 19 题