II. 2. 48. Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle. Het
spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: Happy the child,
whose father went to the devil; „Gelukkig het kind, welks vader door
den duivel is gehaald!” Als een vader, die op zondige wijze rijk
geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor de
zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de
juistheid van het spreekwoord.
II. 2. 133. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder. Dadelijk bij
de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning
Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later
Menelaus genoemd.
II. 2. 144. Een stroowisch ware een duizend kronen waard. Kijfzieke of
liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak
gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden.
II. 3. 15. Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed. Dat in
dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men
nergens vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die
den slag voorafgingen, een bastaard van den graaf van Salisbury,
Warwick’s vader, viel.
II. 5. 61. Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders! Men denke,
dat de zoon de helmklep van den doode oplicht.
II. 5. 92. O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu
van ’t leven;—o te laat! In ’t Engelsch luidt de tweede regel: And hath
bereft thee of thy life too late. Dat de zoon te vroeg geboren is,
omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is duidelijk genoeg; maar
leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven
beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de
uitgevers er van trachten te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de
twee laatste woorden, too late, van de vorige gescheiden en dit schijnt
alle bezwaren op te lossen; de vader heeft geklaagd, dat zijn zoon te
vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft; de woorden te
vroeg doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft,
en deze gedachte spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van
heftige gemoedsbeweging spreekt men niet met afgeronde zinnen.—Zoo is
ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77, 78: Gij, hart en oogen,
enz. niet vrij van verwardheid.
II. 6. 107. Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils. In de kroniek
van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt
hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters
onheilvol geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van
Edward III, als Humfried van Gloster, de zoon van Hendrik IV, werden
vermoord, en ook Richard van Gloster vond een bloedigen dood.
III. 2. 113. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. Een
wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen.
III. 3. 188. Gezwegen bij de onteering van mijn nicht. Sh. doelt hier
op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar
in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s
graven huis iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij
zijn dochter of zijn nicht trachtte te defloreeren, werd om beider wil
niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd door koning Edward
beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen
dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij
Wakefield.
III. 3. 224. Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal. In ’t
oorspronkelijke staat masquers, want in Oud-Engeland werden voorname
huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische voorstellingen,
pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers,
waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels
later zegt Prinses Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De
wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie vaak voor als het symbool van
ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes. Vergelijk De
Koopman van Venetië, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is
dus: „om hem als trouweloozen minnaar treuren.”
III. 3. 242. Mijn oudste dochter. Prins Edward huwde Warwick’s tweede
of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard III” wordt dit juist
opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste,
zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken.
IV. 1. Bij het opkomen van Koning Edward zegt de Folio-uitgave: „Vier
staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit wil zeggen: de
koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth
met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan zijn andere
Gloster, Clarence, Somerset en Montague.
IV. 1. 29. Welnu mijn meening is enz. De Folio-uitgave kent deze
woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset ze spreken, want deze
wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en Clarence
heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan.
IV. 1. 47. Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter
van Lord Hungerford te erlangen. Volgens de kroniek werd niet aan Lord
Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de erfdochter van Lord
Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht
uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter,
en in verscheiden staten werd dit als een prerogatief der kroon
beschouwd.
IV. 6. 67. De jonge Hendrik, graaf van Richmond. Hier wordt blijkbaar
de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later koning
Hendrik VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin
Elizabeth, opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het
volgend stuk, K. Richard III, voorbereid.
IV. 8. 50. In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten
onrechte den uitroep A Lancaster; blijkbaar moet A York gelezen worden.
V. 1. 4 en 5. Waar is de man enz. Deze twee regels staan in de uitgaven
in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting, zooals die in de
Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam Daintry in regel 6 is de
volksuitspraak voor Daventry.
V. 1. 45. Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops. In het
paleis des Bisschops van Londen.
V. 2. 44. ’t Klonk zooals een roep in een gewelf. In de quarto-uitgaven
vindt men: like a clamour in a vault, dat hier gekozen is; de
folio-uitgave heeft like a cannon: „Maar ’t klonk als in gewelven een
kanonschot.”
V. 5. 2. Naar het slot Ham. Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze
eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft gehuisvest.
V. 5. 25. Æsopus moge in winternachten faab’len. De Prins vergelijkt
Richard met den mismaakten fabeldichter Æsopus.
V. 6. 10. Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? Roscius, de
beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van
Cicero, bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche
publiek van Sh.’s tijd bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in
de stukken van dien tijd meermalen genoemd, door Shakespeare in Hamlet,
II. 2. 410.
V. 6. 55. En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij—De
koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen
is, maar Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken.
V. 6. 86. Want profetieën zal ik gonzen doen. Men vergelijke het
volgende stuk, K. Richard III. I. 1. 39 en 54.
V. 7. 15. Dat ik nu mijn jongen kusse. Koningin Elizabeth heeft in het
geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke hier de oudste,
Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning
Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst
behoefde van deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met
Hendrik VII Tudor huwde.—Dat de dichter in dit en het vorige tooneel
het volgende stuk, Koning Richard III, voorbereidt, is onmiskenbaar.