Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de
slag van Sint-Albaans niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan
toekent; eerst vijf jaren later, in 1460, werd bij Northampton de macht
van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog van York het wagen
kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha
van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik
viel in de macht der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar
Westminster gevoerd, waar York van het parlement als wettig koning
verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik niet als gevangene,
maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven en
laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor
de levendigheid van voorstelling zeer wint en het beloop der
gebeurtenissen en de hartstochten, die werkzaam waren, duidelijk voor
oogen gesteld worden.
Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich
zeer getrouw aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en
Warwick onder het geschal der trompetten door Londens straten naar
Westminster en begaven zich naar de zaal der Pairs, waar de Hertog den
troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat hem als rechten
erfgenaam van Richard II de kroon toekwam, terwijl Hendrik VI zijn
rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen,
maar York’s bewijsgronden werden door zijn zegevierende wapenen al te
nadrukkelijk ondersteund, dan dat men een ernstig overwegen der
aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus
onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden
werden gebezigd, die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den
twee mededingers in den mond legt. York vestigde zich intusschen in het
koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel, alsof hem de kroon reeds
was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud bij
zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als
leenheer had te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was
hem nog niet gegeven, het beoogde doel te bereiken. Het langjarig
troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks bijna veertigjarige
regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen eed
van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van
den Hertog van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest
komen. Hendrik VI zou levenslang koning blijven, York regent en
troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen sprake. Hendrik
moest toestemmen.
Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een
vernedering te getroosten. Zij verzamelde in de noordelijke
graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster om zich heen; de
Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden
zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts.
Toen men in Londen van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York
met den graaf van Salisbury naar zijn slot Sandal in Yorkshire en trok
van alle kanten versterkingen tot zich; zijn oudsten zoon, Edward,
graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar de
vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen
om den koning en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of
zesduizend man bij zich, toen de koningin met haar leger zijn slot
naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet hij, tegen den raad
van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige
overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een
half uur waren zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee
bastaardooms, Sir John en Sir Hugo Mortimer, werden gedood; de graaf
van Salisbury viel den overwinnaars in handen en werd den volgenden dag
onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland, een
zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap
werd, toen zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te
redden, door lord Clifford ingehaald en, schoon hij voor hem knielde,
nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”, zegt de kroniekschrijver,
„nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want de schrik
had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat
hij wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met
groote schande belaadde.”
Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn
lijk het hoofd afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo
op een staak naar de koningin brengen. Enkelen echter schrijven, dat
zij den Hertog levend in handen gekregen en hem tot smaad op een
molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op het hoofd
gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus
gedaan hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil
u, koning, zonder erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en
onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem aldus met smaadredenen
overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin
gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van
York geplant”.
York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer
gruwelen. Edward was in Herefordshire en hield zich daar goed staande;
George en Richard waren nog kinderen en vertoefden met hun moeder
veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel vroeger optreden en
stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig helper
van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd
vrij te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe;
zijn kronieken maken eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan
als trouw helper van zijn broeder, zoodat hij na diens dood plotseling
als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter kon hier geen
genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens de
bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen
planten zijner latere misdaden; en wie Richards optreden in deze
stukken nagaat, bevindt, dat de grondtrekken van zijn karakter reeds
dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning Richard III, zoo scherp
uitkomen.
De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad;
in het begin van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den
graaf van Warwick. Deze trok na het ontvangen der noodlottige tijding
de koningin tegen; Koning Hendrik moest hem begeleiden. Bij
Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden, had
de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd
geslagen, koning Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag
hij zijn gemalin en zijn zoon weder; den laatste sloeg hij op het
slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal der Lancasters niet
duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van
Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist,
hoe het zuiden van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar
woeste scharen weder naar het noorden. Middelerwijl had York’s oudste
zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari 1461, in Herefordshire
bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood van Owen
Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was
daarna, met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten
nu, met alle macht, die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om
den beslissenden slag te leveren. Ook het huis Lancaster had alle
krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen om aan den
strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een
voorpostengevecht Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van
Towton, niet verre van York, op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met
alle inspanning en verbittering gevochten werd, want ieder had den dood
te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden Warwick en
Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten
het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de
koning en Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar
Frankrijk moesten wijken; van de poorten der stad York werden de
hoofden van York en Salisbury afgenomen om plaats te maken voor die der
graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde
krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle
steden onderweg tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen.
Onder het gejubel des volks werd de schoone en levenslustige jongeling
als Edward IV te Westminster plechtig gekroond; het parlement had hem
als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden tot
hertogen van Clarence en van Gloster benoemd.
De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele
gevechten in het noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den
dichter; dat de koningin Margaretha in 1461 hulp bij den Franschen
koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt. Van de
gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning
Hendrik over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar
Londen gebracht en in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het
huwelijk aan van Edward VI met Elizabeth Grey. Hiervan bericht de
kroniek het volgende:
Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een
geschikte gemalin om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick
naar Frankrijk om daar de zuster der koningin ten huwelijk te vragen.
Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk XI, namen het aanzoek gunstig
op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin van
Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord
Woodeville, diens dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder
John Grey, die in den strijd voor het huis van Lancaster bij
Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk op
haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te
bezitten. De goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het
huis van York verbeurdverklaard; en nu smeekte de jonge weduwe den
koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug te geven. „Haar
eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar bevallig voorkomen,
haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd was,
en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar
zij echter bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo
gepaste wijs en met zoo welgekozen woorden, als er maar te bedenken
zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen, haar tot zijn gemalin
te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn
voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk,
omdat hij reeds met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs;
de arme riddersweduwe werd koningin van Engeland. Weldra regende het
genadebewijzen, eereposten en rijkdommen op haar verwanten. Haar vader
werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar oudste broeder
Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd;
een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste
zoon uit haar eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke
erfgename van Lord Bonville tot vrouw. De oude aanhangers van het huis
York zagen dit opkomen eener tot dusverre onbeteekenende familie met
klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden te hebben om
vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de
schepper van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens
aanzien in het rijk zoo groot was, „dat, als hij afwezig was, het den
menschen voorkwam, alsof de zon van den hemel verdwenen was”, hij zag
door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer ten opzichte van een
vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets
ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk XI daarentegen en
Bona namen de zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar
weldra voor de prinses een ander aannemelijk gemaal gevonden werd in
den persoon van den hertog van Milaan.
Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van
Warwick’s afval; maar inderdaad werd Warwick zoowel door de
ontevredenheid over de verheffing van het geslacht der koningin als
door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf jaren na
Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel
onverwacht kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide
broeders, George Nevil, den aartsbisschop van York, die rijkskanselier
was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven had en
door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn
plannen ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en
ondankbaren vorst te doen vallen, die mindere lieden tot hooge
waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige wijs behandelde.
Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij
zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende
op den troon. Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe;
niet alleen behaalden zij in een gevecht bij Banbury de overwinning,
maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn legerkamp te overvallen en
gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere wending. De
gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York
toevertrouwd, maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn
aanhangers bevrijd, en van dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem
gunstig. Warwick en Clarence moesten naar Frankrijk vluchten, en eerst
nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van Anjou een
verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk XI, tot doel had het
huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van
dit verbond werd een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s
zoon, den jongen prins van Wales, en Warwick’s tweede dochter Anna.
Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze vernietiging zijner
eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn
broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime
onderhandelingen aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone
beloften te doen, als hij zijn vereeniging met Warwick wilde opgeven.
Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar
de kust van Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf
van Oxford, een getrouw vriend van het huis Lancaster, had hij ook den
graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder van Hendrik VI, een zoon
van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe van koning
Hendrik V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit
huwelijk, de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset,
was reeds gestorven, maar had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter
tijd een knaap van tien jaren, nagelaten, die op een slot in Wales zich
bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met gejubel
ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward
aan geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder
Richard van Gloster, met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door
hem aan de erfdochter der Scales uitgehuwd, en met lord Hastings,
Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en zijn rijk zonder slag
of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich naar
Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin
van Edward IV in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, waar
zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die
dertien jaar later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na
zesjarige gevangenschap Hendrik VI te voorschijn gehaald. Hij werd
weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en Clarence tot
rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor
het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van
Pembroke haastte zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te
halen en naar Londen te brengen, waar hij hem aan den vromen koning
voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik uit: „Dezen knaap
zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,”
zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling
vervuld was”. Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg,
bracht de graaf van Pembroke zijn neef in veiligheid aan het hof van
den hertog van Bretagne. Van daar keerde de jeugdige Richmond eerst 15
jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik VII den troon
te beklimmen.
Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een
kleine, in Bourgondië geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man
sterk, te Ravensburg aan de Humber, in het noorden van Engeland, waar
vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen was. Evenals deze
verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk
erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te
betwisten. Toen echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en
velen zijner vrienden, met name Sir Francis Montgomery, verklaarden,
dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor den hertog van York
wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham de
koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open
veld en bleef in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man
bijeengebracht had, en trachtte zich te versterken, waartoe hij ook op
zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte hem tot een vergelijk
met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat hij
zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen
ging Clarence tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de
aartsbisschop van York, volgde zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in
het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague op afval en verraad
bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te slaan.
Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij
Barnet, bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward,
die in Londen met gejubel ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April
1471, in den nevel van den vroegen morgen, de beslissende slag plaats.
Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid zich als
moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht
veel tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde
dapperheid. De zege was volkomen; de beide broeders Warwick en Montague
vielen in den slag; het lijk van den machtigen graaf vond men geheel
uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon Edward in
de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege
uitstorten.—Koning Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower
teruggebracht.
Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust
van Engeland bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze
onherstelbare nederlaag vernam. Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren,
maar de hertog van Somerset bewoog haar, den strijd voort te zetten;
zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar
Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun
macht reeds daarheen gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4
Mei de bloedige slag geleverd, die, hoe dapper de aanhangers der
koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele onderneming een
einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige
zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder
Somerset, die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den
overwinnaars in handen. De prins was door een ridder gevangengenomen,
die hem tegen een rente van honderd pond en op de belofte, dat zijn
leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde. Edward vroeg den
jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen
Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om
mijns vaders rijk te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn
vader geërfd heeft en mij eens zal nalaten.” Zonder een woord te zeggen
stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met den handschoen, waarop
Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden, hem
plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed
hier op, „moest het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden
kelk drinken, naar Gods rechtvaardige vergelding en verdiende straf.”
Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar vader Reignier
haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar
geboorteland.
Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn
alleen Hendrik VI nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar
het standhoudend gerucht,” zegt Holinshed, „heeft Richard, hertog van
Gloster, hem met zijn dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward
met grootere veiligheid zou regeeren”; enkelen echter schrijven, „dat
hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag en zijns zoons dood,
van verdriet gestorven is.”
In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken
geput en tot zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt
heeft. De lezer bedenke, dat bij deze voorstelling de bronnen, waarvan
Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn, en niet de uitkomsten, waartoe
vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn, medegedeeld moesten
worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije, de
schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet
vermeld zijn, en evenmin de oplichting van Edward IV in zijn legerkamp,
die een romantische voorstelling is van de afhankelijkheid van de
Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick, waarin door
verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was [5].
Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn
tafereel van dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput
heeft, en hoe zijn geest leven heeft ingeblazen aan de personen, wier
handelingen door de kronieken verhaald worden. Men zal moeten erkennen,
dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten dichter
waardig is.
I. 1. 9. Door ’t zwaard van mind’re krijgers. Sh. vergeet hier, dat hij
in het Tweede Deel van K. Hendrik VI, V. 2. 19, Clifford door de hand
van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de
kronieken. Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor;
hier behoeft men er zich volstrekt niet over te verwonderen, daar het
handschrift van het vorige stuk wel in den schouwburg zal berust hebben
en niet terstond kon nageslagen worden.
I. 1. 25. Dit hier is het paleis des laffen konings. Het woord paleis
is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de
koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het
parlementshuis en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar
zijn hof wil gaan.
I. 1. 47. Uw edelvalk. Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd
voor ieder begrijpelijk beeld terstond duidelijk te maken.
I. 1. 72. Neef Exeter. De Hertog van Exeter was een afstammeling van
den stiefbroeder van Richard II. Hij is niet met Thomas van Exeter te
verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan van Gent.
I. 1. 78. Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March.
Duidelijkheidshalve is de naam March, die in het oorspronkelijke niet
staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk antwoord, want het
graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers,
door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den
troon ontleende.
I. 1. 105. Uw vader was, als gij, hertog van York. Eigenlijk niet
juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik V,
wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns
broeders dood op hem was overgegaan.
I. 1. 116. Mijn broeder. Montague en Warwick noemen York bij herhaling
broeder. York was wel met een Nevil getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil,
was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster van hun vader, graaf
Salisbury.
I. 1. 207. Ik ga naar mijn kasteel. Hij bedoelt zijn slot Sandal Castle
in Yorkshire.
I. 1. 239. De onbuigb’re Falconbridge Thomas Nevil, een bastaard van
Lord Falconbridge, was door Warwick tot vice-admiraal benoemd, met de
opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden, dat geen
aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken.
I. 3. 12. De onthokte leeuw. Er staat the pent-up lion. Bedoeld is: een
leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten
geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden.
I. 3. 48. „Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.” Dit vers van Ovidius
is te vinden in de Heroides, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit
iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!”
I. 4. 16. Edward: „Een kroon!” De naam „Edward” is verkieslijk boven de
woorden And cried, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de
Irving-editie ontleend.
I. 4. 76. Met zijn knorstem. Richard voerde een ever op zijn helm en
werd door zijn tijdgenooten meermalen ever genoemd.
II. 1. 40. Drie blonde zonnen. Werkelijk voerde het huis York na Hertog
Richards dood drie zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier
der kroniek naverteld.—Naar aanleiding van de nagenoeg gelijke
uitspraak van sun, zon, en son, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke
Richard op Edwards zeggen, dat hij drie suns in zijn wapen zal voeren:
„Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters altijd
liever dan de mannetjes.”