KONING EDWARD. Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade
Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje!
CLARENCE. De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel
Ik op de lippen van dit lieflijk wicht.
KONINGIN ELIZABETH. Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank!
GLOSTER. Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin,
Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.—
(Ter zijde.) Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer
En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende.
KONING EDWARD. Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf
Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde.
CLARENCE. Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha?
Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk
Sicilië en Jeruzalem verpand;
En dit is als haar losgeld hier gezonden.
KONING EDWARD. Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.—
En wat nu verder, dan den tijd te wijden
Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen,
Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof?
Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen!
Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen.
(Allen af.)