ZEVENDE TOONEEL.

Koning Edward op den troon. Koningin Elizabeth

met den kleinen Prins; Clarence, Gloster,

Hastings en Anderen, om hem heen.

KONING EDWARD. Op nieuw bezetten we Englands koningstroon,

Met onzer haat’ren bloed teruggekocht.

Wat dapp’re tegenstanders hebben wij,

Als koren, neergemaaid in al hun trots!

Drie hertogen van Somerset, driewerf

Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders;

Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon;

En twee Northumberlands, de kloekste ridders,

Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden;

En dan dat onversaagde berenpaar,

Warwick en Montague, dat met hun keet’nen

Den koninklijken leeuw gekluisterd hield

En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed.

Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon

En maakten veiligheid tot onze voetbank.—

Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’!

Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms

In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt,

Te voet des zomers middaggloed verduurd,

Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt;

Gij zult de vrucht van onze moeite plukken.

GLOSTER (ter zijde). Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’

oogst;

Want nu ziet mij de wereld nog niet aan.

Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd,

En heffen zal hij lasten, of hij breekt.

(Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 161 / 165 题