Londen. Een vertrek in den Tower.
Koning Hendrik zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van
den Tower staat naast hem. Gloster komt op.
GLOSTER. Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept?
KONING HENDRIK. Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”;
Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”;
Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”,
Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”.
GLOSTER. Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken.
(De Slotvoogd af.)
KONING HENDRIK. Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf;
Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol
En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.—
Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?
GLOSTER. Argwaan waart in het schuldig hart steeds om;
De dief vermoedt in elke ruigte een rakker.
KONING HENDRIK. De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd,
Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik;
Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong,
Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling
Gelijmd door werd, gevangen en gedood.
GLOSTER. Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta,
Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde!
Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas.
KONING HENDRIK. ’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus,
Uw vader Minos, die den weg ons afsloot,
Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen
De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee,
Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden.
O, dood mij met uw wapen, niet met woorden;
Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits,
Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel.
Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven?
GLOSTER. Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul?
KONING HENDRIK. Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker;
Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk,
Dan, zeker, zijt ge een beul. 33
GLOSTER. Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal.
KONING HENDRIK. Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood,
Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden.
En zoo voorspel ik: vele duizend zielen,
Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen,
En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten,
En veler weezen óverstroomend oog,—
Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden,
En weezen om der oud’ren vroegen dood,—
Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt.
Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken;
De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend;
Storm loeide en velde boomen; honden huilden;
De raaf streek neder op den schoorsteentop;
En eksters krijschten oordoorborend saâm.
Uw moeder voelde meer dan moederweeën,
Toch bracht zij minder dan een moeders hope,
Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld,
Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam;
En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte,
Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt;
En is het and’re waar, dat ik vernam,
Dan kwaamt gij—
GLOSTER. Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede!
(Hij doorsteekt hem.)
Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd.
KONING HENDRIK. Ja, en tot vele moorden nog na dezen.
O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem!
(Hij sterft.)
GLOSTER. Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster
Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik;
Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent!
O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen
Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!—
Zoo in u nog een sprankje levens huist,
Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond;
(Hij doorsteekt hem nog eens.)
Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken.
Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,—
En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,—
Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam.
En had ik dan geen grond tot spoed, om hen,
Die ons ons recht verkortten, te doen vallen?
De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: 74
„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!”
Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan,
Dat ik moest snarsen, bijten als een hond.
Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd,
Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid.
Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders;
En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend,
Zij wone in menschen, die elkaar gelijken,
Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.—
O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht;
Pikzwarte dagen zal ik u verwekken;
Want profetieën zal ik gonzen doen,
Die Edward angst inboez’men voor zijn leven;
En dan heel ik zijn angst en ben uw dood.
Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon;
Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort;
Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.—
Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek;
Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’!
(Gloster af, met het lijk.)