GLOSTER. Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! 11

(Krijgslieden komen op, met Prins Edward.)

KONING EDWARD. Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.—

Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken?

Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven

Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken,

En al den verd’ren last, dien gij mij deedt?

PRINS. Spreek als een onderdaan, eergier’ge York,

En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt:

Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta,

Terwijl ik u dezelfde vragen stel,

Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij.

KONINGIN MARGARETHA. O, ware uw vader ook zoo kloek geweest!

GLOSTER. Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen,

En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt.

PRINS. Æsopus moge in winternachten faab’len;

Hier passen zulke hondsche raadsels niet.

GLOSTER. Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord.

KONINGIN MARGARETHA. Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn.

GLOSTER. Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong!

PRINS. Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond.

KONING EDWARD. Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong.

CLARENCE. Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid.

PRINS. Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten;

Wellustige Edward,—eedvergeten George,—

En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen:

Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij,

En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne.

KONING EDWARD. Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar!

(Hij doorsteekt hem.)

GLOSTER. Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht!

(Hij doorsteekt hem.)

CLARENCE. En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht!

(Hij doorsteekt hem.)

KONINGIN MARGARETHA. O, doodt ook mij!

Koning Hendrik de Zesde · 第 157 / 165 题