(Hij richt het zwaard op haar).
KONING EDWARD. Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel.
GLOSTER. Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen?
KONING EDWARD. Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij.
GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Gij, Clarence, groet mijn vorst en
broeder van mij;
Een zaak van groot belang roept mij naar Londen;
Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws.
CLARENCE. Wat? wat?
GLOSTER. De Tower! de Tower!
(Gloster af.)
KONINGIN MARGARETHA. Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap!
Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars!
Die Cæsar doodden, deden geenen moord,
Misdreven niets, verdienden geen berisping,
Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld;
Hij was een man en dit een kind bij hem;
Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt.
Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme?
Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek;
En spreken wil ik, dat het hart mij berste.—
Slachters en schurken! wreede kannibalen!
Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid!
Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die,
Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd;
Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan
Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien,
Als, beulen, dezen jongen prins door u!
KONING EDWARD. Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg!
KONINGIN MARGARETHA. Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af!
Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u.
Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het.
CLARENCE. Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken.
KONINGIN MARGARETHA. Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het.
CLARENCE. Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen.
KONINGIN MARGARETHA. Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken;
Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen.
Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter,
De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij?
Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven;
Een smeekgebed om moord wijst gij niet af.
KONING EDWARD. Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier!