(Een Bode komt op.)
BODE. Bereidt u, lords, want Edward is nabij,
Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld!
OXFORD. Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan;
Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden.
SOMERSET. Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed.
KONINGIN MARGARETHA. ’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien.
OXFORD. Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet.
(Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning Edward, Gloster en Clarence
komen op, met troepen).
KONING EDWARD (tot de zijnen). Ginds, dapp’re vrienden, staat het
doornenwoud,
Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht,
Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen.
’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen,
Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.—
Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords!
KONINGIN MARGARETHA (tot de haren). Lords, ridders, eed’len! wat ik
zeggen wilde,
Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord,
Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken.
Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne
Zijns vijands, overweldigd is zijn troon,
Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord,
Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd;
En ginder is de wolf, die dit bedreef.
Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords,
Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht!
(Beide legers af).