VIERDE TOONEEL.

Een vlakte bij Tewksbury.

Een marsch. Koningin Margaretha, Prins Edward, Somerset, Oxford en

Soldaten komen op.

KONINGIN MARGARETHA. Verheven lords,

Geen wijze zit en jammert om verliezen;

Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van.

Zij ook de mast ons overboord gewaaid,

De kabel middendoor, het anker weg,

En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden,

Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij

Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje

Met vochtige oogen vocht giet bij de zee,

En dat versterkt, wat al te sterk reeds is,

Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed

En vlijt kon redden, op de klippen stoot?

O welk een schande, welk een schuld waar’ dit!

Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog?

En Montague de bramsteng,—wat dan verder?

Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu?

Is Oxford hier ons niet een ander anker,

En Somerset een and’re goede mast,

En onze Fransche vrienden want en tuig? 18

Kan ik met Edward niet, schoon onervaren,

Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods?

Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen;

Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip

Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen.

Of gij de baren hoont of prijst, is een.

En wat is Edward dan een booze zee?

En Clarence dan een drijfzand vol bedrog?

En Richard dan een dood’lijk scherpe rots?

Die allen zijn onze arme hulk vijandig.

Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang;

Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in;

Omklem de rots, de vloed spoelt u er af,

Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood.

Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat,

Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten,

Niet meer genade bij de broeders vindt,

Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen.

Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten,

Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees.

PRINS. Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest,

Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde,

Zijn borst vervullen van een heldenmoed,

Om naakt een man in waap’nen te verslaan.

Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u;

Want als ik iemand hier van vrees verdacht,

’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan,

Opdat hij in den nood geen ander aansteek’

En van denzelfden geest doe zijn als hij.

Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!—

Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is.

OXFORD. Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,—

En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.—

O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde

Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang

En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie!

SOMERSET. En wie voor zulk een hoop niet vechten wil,

Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag,

Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing.

KONINGIN MARGARETHA. Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank!

Koning Hendrik de Zesde · 第 154 / 165 题