Een ander gedeelte van het slagveld.
Trompetgeschal. Koning Edward komt zegepralend op, met Clarence,
Gloster en de Overigen.
KONING EDWARD. Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen,
En sieren zegekransen ons het hoofd.
Doch in den middagglans van dezen dag
Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt
En strijden wil met onze gouden zon,
Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt;
Mylords, de strijdmacht, die de koningin
In Gallië samenbracht, is reeds geland,
Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd.
CLARENCE. Een stijve bries verstrooit welras die wolk,
En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam;
Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen;
Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui.
GLOSTER. Men schat de koningin op dertigduizend;
Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;—
Kan zij op adem komen, wees verzekerd,
Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze.
KONING EDWARD. Van trouwe vrienden kregen wij bericht,
Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury.
Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht,
Terstond daarheen, want ijver kort den weg;
En onderweg groeit onze macht wis aan
In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.—
De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit!
(Trompetgeschal. Allen af.)