Een slagveld bij Barnet.
Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning Edward komt op, met den zwaar
verwonden Warwick.
KONING EDWARD. Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u;
Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.—
Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans;
Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm!
(Koning Edward af.)
WARWICK. Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom,
En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick?
Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam,
Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont,
Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet,
En door mijn val de zege aan mijnen vijand.
Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen
De koningsarend schutse vond, wiens schaduw
Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin
Neêrzag op Jupiters verkoren boom
En struikjes hoedde voor des winters vlagen.
Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood,
Was eens doordringend als de middagzon,
Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd;
De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed,
Zijn vaak met koningsgraven vergeleken;
Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven?
Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste?
Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed!
Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had,
Begeven mij; van al mijn landbezit
Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam.
O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer?
Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer.
(Oxford en Somerset komen op.)
SOMERSET. Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij,
O, dan herwonnen we al, wat wij verloren!
Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin
Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten!
WARWICK. Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague,
Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand,
En houd mijn ziel terug met uwe lippen!
Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen
Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat
Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat.
Kom spoedig, Montague, of ik ben dood.
SOMERSET. O, Warwick! Montague blies de’ adem uit,
En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick,
En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.”
Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer,
Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf
En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst
Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte:
„Vaarwel, mijn Warwick!”
WARWICK. Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords;
Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven!
(Hij sterft.)
OXFORD. Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin!
(Beiden af, met Warwick’s lijk.)