WARWICK. Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. 11

SOMERVILLE. Dat is hij niet, mylord; (Hij wijst naar het zuidwesten.)

Southam ligt daar;

’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick.

WARWICK. Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden?

SOMERVILLE. Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten.

(Een marsch. Trompetgeschal. Koning Edward en Gloster komen op met hun

troepen.)

KONING EDWARD. Trompetter, ga en vraag een onderhoud.

GLOSTER. Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten.

WARWICK. Verwenschte streek! de dartele Edward hier?

Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om,

Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren?

KONING EDWARD. Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen?

Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie,

Noem Edward koning, vraag van hem genade,

En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad.

WARWICK. Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan?

Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen;

Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig,

En blijven zult ge en zijn, hertog van York.

GLOSTER. Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen;

Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem?

WARWICK. Is dan een hertogdom geen fraai geschenk?

GLOSTER. Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral;

Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave.

WARWICK. Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk.

KONING EDWARD. Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave.

WARWICK. Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot;

Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug;

Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar.

KONING EDWARD. Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne;

En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord:

Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt?

GLOSTER. Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, 42

Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht,

Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd!

Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops;

Tien tegen een, thans woont hij in den Tower.

KONING EDWARD. Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick!

GLOSTER. Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel!

Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt.

WARWICK. Veel liever zoude ik deze hand mij kappen

En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat,

Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk.

KONING EDWARD. Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,—

De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar,

En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd

Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven:

De windhaan Warwick draait nu nimmermeer.

(Oxford komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)

WARWICK. O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt!

OXFORD. Oxford, Oxford, voor Lancaster!

(Oxford trekt met zijn troepen de stad binnen.)

GLOSTER. De poort is open; open ook voor ons!

KONING EDWARD. Dan konden and’ren in den rug ons vallen.

Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig

De poort uit om een slag ons aan te bieden;

Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij

Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten.

WARWICK. Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp.

(Montague komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)

MONTAGUE. Montague, Montague, voor Lancaster!

(Montague trekt met zijn troepen de stad binnen.)

GLOSTER. Gij en uw broeder zullen dit verraad

Betalen met uw dierbaarst hartebloed.

KONING EDWARD. Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege;

En overwinning, heil spelt mij mijn hart.

(Somerset komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)

SOMERSET. Somerset, Somerset, voor Lancaster!

(Somerset trekt met zijn troepen de stad binnen.)

GLOSTER. Twee hertogen van Somerset, als gij,

Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven,

Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt.

(Clarence komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)

WARWICK. En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; 76

Met macht genoeg om Edward aan te grijpen!

Hem geldt een edele ijver voor het recht

Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.—

(Clarence staakt den marsch. Gloster treedt nader en fluistert met

hem.)

Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept.

CLARENCE. Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick?

(Hij neemt de roode roos van den hoed.)

Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe;

Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot

Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val;

’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick,

Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk,

Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst,

Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren?

Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor?

Het houden van dien eed waar’ goddeloozer

Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte.

Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp,

Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen,

Mij uw gezworen vijand hier verklaar,

En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,—

En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,—

U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen.

Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug,

En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.—

Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen;

Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd;

Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig.

KONING EDWARD. Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind,

Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend!

GLOSTER. Wees welkom, Clarence; dit is broederzin.

WARWICK. O aartsverrader, trouw’loos en meineedig!

KONING EDWARD. Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij?

Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd?

WARWICK. Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer!

Ik trek terstond van hier naar Barnet op;

Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft.

KONING EDWARD. Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.—

Lords, naar het veld! Sint George en overwinning!

(Getrommel. Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 151 / 165 题