ZEVENDE TOONEEL.

Voor York.

Koning Edward, Gloster en Hastings komen op, met troepen.

KONING EDWARD. Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren,

Tot dusver maakt het lot ons alles goed,

En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat

Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon.

Wij staken tweemaal nu de zee goed over,

Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend;

Wij kwamen van de haven Ravensburg

Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig,

Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad?

(Hastings klopt aan de poort.)

GLOSTER. De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet;

Voor menigeen is struik’len aan den drempel

Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert.

KONING EDWARD. Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken;

Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij;

’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen.

HASTINGS. Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen.

(Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van York verschijnen op

den muur.)

MAYOR. Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, 17

Uit zorg voor onze veiligheid de poort,

Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig.

KONING EDWARD. Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft

Steeds Edward voor het minst hertog van York.

MAYOR. Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen.

KONING EDWARD. Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom,

Waarmede ik gansch en al tevreden ben.

GLOSTER (ter zijde). Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen,

Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt.

HASTINGS. Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor?

Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden.

MAYOR. Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open.

(De Mayor en Raadsleden boven af.)

GLOSTER. Een wijs, recht wakker man, ras overreed!

HASTINGS. Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat,

Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij,

Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij

Hem en geheel zijn raad tot rede brengen.

(De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.)

KONING EDWARD. Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten,

Dan in de nacht of als er oorlog is.

Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af;

(Hij neemt hem de sleutels uit de hand.)

Want Edward is ’t, die u, uw stad en al

Wie mijne zijde kiest, beschutten zal.

(Een marsch. Montgomery komt op, met troepen.)

GLOSTER. Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery,

Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend.

KONING EDWARD. Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend?

MONTGOMERY. Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd,

Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt.

KONING EDWARD. Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog

Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen

Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt.

MONTGOMERY. Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug;

Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.—

De trom geroerd en weder afgetrokken!

(De trommen beginnen een marsch te slaan.)

KONING EDWARD. Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen,

Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen.

MONTGOMERY. Wat wilt gij overwegen? kort en goed, 53

Zoo gij hier niet tot koning u verklaart,

Dan laat ik hier u over aan uw lot,

Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen.

Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt?

GLOSTER. Waarom toch, broeder, al die zwarigheden?

KONING EDWARD. Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn;

Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen.

HASTINGS. Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard!

GLOSTER. Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon.

Wij roepen, broeder, nu terstond u uit;

’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan.

KONING EDWARD. Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht,

En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan.

MONTGOMERY. O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf;

En nu ook wil ik Edwards strijder zijn.

HASTINGS. Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.—

Hier kameraad, lees gij de proclamatie.

(Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.)

SOLDAAT (leest). „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van

Engeland en Frankrijk, en heer van Ierland, enz.”

MONTGOMERY. En wie er twijf’le aan koning Edwards recht,

Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht.

(Hij werpt zijn handschoen neder.)

ALLEN. Lang leve Edward de vierde!

KONING EDWARD. Dank, vriend Montgomery! en u allen dank!

Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde.

Laat ons in York deze eene nacht verwijlen;

En als de morgenzonne weer haar kar

Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet,

Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang,

Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.—

O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan,

Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen!

Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.—

De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet;

En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 147 / 165 题