ACHTSTE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis van den Bisschop.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Warwick, Clarence, Montague, Exeter en

Oxford komen op.

WARWICK. Lords, wat te doen? Van België uit heeft Edward

Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders,

De smalle zee in veiligheid doorkliefd,

En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen

En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe.

KONING HENDRIK. Men lichte krijgers om hem af te slaan.

CLARENCE. Een kleine vlam is schielijk uitgetreden;

Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet.

WARWICK. In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden,

In vrede rustig, leeuwen in den krijg;

Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u,

En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent

De ridders op, heel de’ adel, u te volgen;

Gij, broeder Montague, in Buckingham,

Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis

Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;—

Gij, dappere Oxford, wondervol bemind

In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.—

Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar

Omgeven, als zijn eiland van de zee,

Of als de kuische jachtgodin van nymfen,

In Londen blijven, tot wij wederkeeren.—

Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet.

Vaarwel, mijn vorst en heer.

KONING HENDRIK. Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop.

CLARENCE. Als pand van trouwe kus ik u de hand.

KONING HENDRIK. Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig!

MONTAGUE. Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer.

OXFORD (den Koning de hand kussend). En zoo bezegel ik mijn trouw;

vaarwel!

KONING HENDRIK. Mijn wakkere Oxford, waarde Montague,

Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel.

WARWICK. Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats.

(Warwick, Clarence, Oxford en Montague af.)

KONING HENDRIK. Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten.

Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij?

Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft,

Is niet in staat, de mijne te weerstaan.

EXETER. Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt.

KONING HENDRIK. Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd.

’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten.

Geen beden uitgesteld van dag tot dag;

Mijn deernis was een balsem voor hun wonden,

Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer,

Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed;

Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig,

Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten,

Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft.

Waarom zou Edward hun dus liever zijn?

Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg;

En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd,

Dan loopt het lam hem immer achterna.

(Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”)

EXETER. Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw?

(Koning Edward, Gloster en Krijgslieden komen op.)

KONING EDWARD. Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg;

En roept ons weder uit tot Englands koning.—

Gij zijt de bron, die kleine beken voedt;

Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op,

En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.—

Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken.

(Koning Hendrik wordt door eenigen weggevoerd.)

En, lords, naar Coventry ons nu gespoed,

Waar de op gezag beluste Warwick staat.

Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi,

’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi.

GLOSTER. Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt

Den grootgeworden landverrader plots’ling;

Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 148 / 165 题