BODE. Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings
Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied,
In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud,
En aan des bisschops jagers hem ontrukt;
Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf.
WARWICK. Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.—
Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen,
Om elke wond, die voorkomt, te genezen.
(Allen af, behalve Somerset, Richmond en Oxford.)
SOMERSET. Mylord, die vlucht van Edward is een ramp;
Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië,
En dan ontstaat er even wis weer krijg.
Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart
Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond,
Thans is ’t beangst om wat in deze twisten
Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil.
Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen,
Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan,
Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan.
OXFORD. Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon,
Licht deelde Richmond in der and’ren loon.
SOMERSET. Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed;
Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed.
(Allen af.)