ZESDE TOONEEL.

Een vertrek in den Tower.

Koning Hendrik, Clarence, Warwick, Somerset, de jonge Richmond, Oxford,

Montague, de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op.

KONING HENDRIK. Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden

Edward gebonsd is van den koningstroon,

En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid,

Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek,

Wat loon bij onze slaking u wel toekomt!

SLOTVOOGD. Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren;

Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag,

Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit.

KONING HENDRIK. Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen?

Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen,

Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn;

Ja, een genot, zooals de vogel smaakt,

Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust,

In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied,

’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.—

Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd,

Ontvang daarom, na God, mijn besten dank;

Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;—

Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne,

Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert,

En niet het volk van dit gezegend land

Getuchtigd worde met mijn boos gesternte,

Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’,

Geef ik aan u het landsbestuur hier over,

Want u geleidt geluk bij al uw doen.

WARWICK. Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd,

Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam,

Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt;

Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren;

Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,—

Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven.

CLARENCE. Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig,

Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte

De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde,

Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt;

En daarom geef ik willig u mijn stem.

WARWICK. En ik kies Clarence enkel voor protector.

KONING HENDRIK. Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. 38

Vereent uw handen, en daarmee uw harten,

Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’;

Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk,

Opdat ikzelf, gelijk een burger levend,

Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde,

Mijn Schepper love en booze zonde mijde.

WARWICK. Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil?

CLARENCE. Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe;

Want op uw goed geluk verlaat ik mij.

WARWICK. Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen.

Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw

Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen.

’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind,

Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust.

En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig,

Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad

En al zijn land en goed verbeurdverklaren.

CLARENCE. Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len.

WARWICK. Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat.

KONING HENDRIK. Doch bij uw eerste zaken van gewicht

Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;—

Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward,

Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren;

Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees

De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd.

CLARENCE. Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed.

KONING HENDRIK. Mylord van Somerset, wie is die knaap,

Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt?

SOMERSET. Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond.

KONING HENDRIK. Treed nader, Englands hoop.

(Hij legt hem de hand op het hoofd.)

Indien geheime machten echte waarheid

Inblazen aan mijn verrezienden geest,

Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen.

Zijn blik is vol van kalme majesteit,

Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen,

Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf

Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren.

Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat

Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad.

(Een Bode komt op.)

WARWICK. Wat meldt gij, man?

BODE. Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt,

En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië.

Koning Hendrik de Zesde · 第 145 / 165 题