Een park bij het slot Middleham in Yorkshire.
Gloster, Hastings, Sir William Stanley en Anderen komen op.
GLOSTER. Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley,
Verbaast u langer niet, dat ik hierheen
In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde.
Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward
Is als gevang’ne bij den bisschop hier,
Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt,
Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt,
Zich met de jacht vermakend, hierheen komt.
’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd,
Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt,
Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken,
Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt
En zijn gevangenschap verbreken kan.
(Koning Edward en een Jager komen op.)
JAGER. Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild.
KONING EDWARD. Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.—
Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren,
Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen?
GLOSTER. De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed.
Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed.
KONING EDWARD. Maar waarheen wilt gij nu?
HASTINGS. Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren.
GLOSTER. Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan.
KONING EDWARD. Stanley, ik zal uw ijver u vergelden.
GLOSTER. Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd.
KONING EDWARD. Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan?
JAGER. Ja, eer dan blijven om de galg te kussen.
GLOSTER. Kom dan, van hier! geen verder oponthoud!
KONING EDWARD. Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak,
En bid, dat God mij weder koning maak’.
(Allen af).