VIERDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Koningin Elizabeth en Rivers komen op.

RIVERS. Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig?

KONINGIN ELIZABETH. Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren,

Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof?

RIVERS. Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick?

KONINGIN ELIZABETH. Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon.

RIVERS. Is dus mijn heer en vorst gedood?

KONINGIN ELIZABETH. Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen,

Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried,

Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep;

En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede

Des aartsbisschops van York is toevertrouwd,

Die Warwick’s broeder is en dus ons haat.

RIVERS. Ik moet erkennen, ’t is een zware slag;

Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren;

Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren.

KONINGIN ELIZABETH. Die hoop belet de smart, mij te verteren;

Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre,

Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot;

Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len,

Gelaten mij dit onheil dragen doet; 20

Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug,

En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou;

Licht ware traan of zuchten ten verderve

Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve!

RIVERS. En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu?

KONINGIN ELIZABETH. Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt,

En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil.

Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt.

Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,—

Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,—

IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats

En red den erfgenaam van Edwards recht;

Daar ben ik veilig voor geweld en list.

Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is;

Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis.

(Beiden af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 143 / 165 题