(Hij neemt hem de kroon af.)
Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen
En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.—
Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg,
Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder,
Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd.
Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden,
Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord
Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.—
En nu vaarwel, mijn waarde hertog York.
KONING EDWARD. De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad;
En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat.
(Koning Edward wordt weggevoerd, begeleid door Somerset.)
OXFORD. En wat blijft ons nu nog te doen, mylords,
Dan met ons heer naar Londen op te rukken?
WARWICK. Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen,
Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden,
En weer te plaatsen op zijn koningstroon.
(Allen af.)