DERDE TOONEEL.

Edwards legerkamp bij Warwick.

Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op.

EERSTE WACHTER. Komt, makkers, ieder man nu op zijn post;

De koning heeft zich reeds gezet tot slapen.

TWEEDE WACHTER. Wat, gaat hij niet te bed?

EERSTE WACHTER. Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan,

Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten,

Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is.

TWEEDE WACHTER. Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn.

Als Warwick zoo nabij is als men zegt.

DERDE WACHTER. Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman,

Die met den koning in zijn tent hier slaapt?

EERSTE WACHTER. Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings.

DERDE WACHTER. O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning,

Dat al zijn volk schier in de steden ligt,

Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? 14

TWEEDE WACHTER. ’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer.

DERDE WACHTER. Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust;

Die heb ik liever dan gevaar en eer.

Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan,

Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou.

EERSTE WACHTER. Als onze hellebaarden hem niet hoedden.

TWEEDE WACHTER. Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent,

Dan om een overval bij nacht te keeren!

(Warwick, Clarence, Oxford, Somerset, komen op met Troepen, in alle

stilte.)

WARWICK. Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht.

Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer!

Volgt mij slechts en terstond is Edward ons.

EERSTE WACHTER. Wie daar?

TWEEDE WACHTER. Blijft staan, of sterft!

(Warwick en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de

Wacht aan, die vlucht onder het geroep „Te wapen!” Warwick en de

Anderen vervolgen hen.—Daarna komen Warwick en de Anderen onder

getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in

nachtgewaad, op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men

Gloster en Hastings vluchten.)

SOMERSET. Wie zijn het, die daar vluchten?

WARWICK. Richard is ’t,

Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog.

KONING EDWARD. Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden,

Heette ik uw koning!

WARWICK. Ja, maar ’t is nu anders.

Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan,

Toen heb ik u als koning afgezet,

En thans benoem ik u tot hertog York.

Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren,

Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert,

Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt,

Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt,

Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt,

Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt.

KONING EDWARD. Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij?

Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.—

Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot,

Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen,

Zal Edward steeds als koning zich gedragen;

Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver,

Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad.

Koning Hendrik de Zesde · 第 141 / 165 题