TWEEDE TOONEEL.

Een vlakte in Warwickshire.

Warwick en Oxford komen op met Fransche en Engelsche troepen.

WARWICK. Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed;

In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe.

(Clarence en Somerset komen op.)

Doch zie, daar komen Somerset en Clarence!

Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden?

CLARENCE. Heb daar, mylord, geen zorg voor.

WARWICK. Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom;

Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid,

Argwaan te koest’ren, als een edel hart

Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt;

’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder,

Is een geveinsde vriend slechts van ons doen;

Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.—

Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld,

Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd,

Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid,

En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft,

Hem te overromp’len en naar wensch te vatten?

’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij,

Gelijk Ulysses en held Diomedes

Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen

En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden,

Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld,

De wacht van Edward onvoorziens verslaan,

Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden,

Want enkel hem verrassen is mijn doel.—

Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt,

Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam!

ALLEN. Ho! Hendrik! Hendrik!

WARWICK. En nu, den tocht aanvaard in alle stilte!

Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 140 / 165 题