Londen. Een vertrek in het paleis.
Gloster, Clarence, Somerset en Montague komen op.
GLOSTER. Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u
Van dezen nieuwen echt met lady Grey?
Kon onze broeder beter keuze doen?
CLARENCE. Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk;
Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was?
SOMERSET. Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning.
GLOSTER. Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw.
CLARENCE. Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk.
(Trompetgeschal. Koning Edward komt op met gevolg, Lady Grey als
koningin, Pembroke, Stafford en Hastings.)
KONING EDWARD. Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus,
Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd?
CLARENCE. Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick,
Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed,
Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden.
KONING EDWARD. En duiden zij ’t ook euvel zonder grond,
Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward,
Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. 16
GLOSTER. Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt;
Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best.
KONING EDWARD. Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel?
GLOSTER. Neen, neen, ik niet;
Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen,
Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het
Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast.
KONING EDWARD. Nu, afgezien van spot of tegenzin,
Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey
Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;—
En gij ook, Somerset en Montague,
Zegt ronduit uwe meening.
SOMERSET. Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk
Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek
Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid.
GLOSTER. En Warwick, die daar uwen last volbracht,
Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. 33
KONING EDWARD. En als ik beide’ eens kon tevredenstellen
Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk?
MONTAGUE. Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk,
Ons tegen vreemde stormen meer versterkt,
Dan eenige echt met een landsdochter doet.
HASTINGS. Weet Montague dan niet, hoe veilig England
Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf?
MONTAGUE. Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog.
HASTINGS. Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd!
Laat ons door God en van de zee gedekt zijn,
Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk;
Verweren wij ons enkel met hun hulp;
In hen en in onszelf ligt onze kracht.
CLARENCE. Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings,
De erfdochter van lord Hungerford te erlangen.
KONING EDWARD. Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst;
En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil.
GLOSTER. Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed,
Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw
De erfdochter weg te schenken van lord Scales;
Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe;
Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap.
CLARENCE. Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon
Lord Bonville’s erfgename niet bestemd,
En zoo uw broeders elders laten uitzien.
KONING EDWARD. Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw,
Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen.
CLARENCE. Uw eigen keus getuigde van uw oordeel;
Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund,
Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed;
En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten.
KONING EDWARD. Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn
En niet gebonden aan zijns broeders wil.
KONINGIN ELIZABETH. Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde,
Mij als zijn gade vorstenrang te schenken,
Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,—
Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren
Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt.
Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert,
Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte,
Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed.
KONING EDWARD. Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. 75
Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen,
Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend
En hun monarch is, wien zij moeten dienen?
Zij zullen ’t doen en u beminnen ook,
Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft;
En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds,
En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen.
GLOSTER (ter zijde). Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer.
(Een Bode komt op.)
KONING EDWARD. Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten
Uit Frankrijk?
BODE. Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden,
Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen,
Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt.
KONING EDWARD. Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort,
Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord.
Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven?
BODE. Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid:
„Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning,
„Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,
„Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.”
KONING EDWARD. Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik.
Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt?
BODE. Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid:
„Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar
„Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.”
KONING EDWARD. Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen;
Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade?
Want naar ik hoorde, was zij mede daar.
BODE. Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af,
„En sta gereed, het harnas aan te gespen.”
KONING EDWARD. Het schijnt, zij wil voor amazone spelen.
Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon?
BODE. Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit
Dan al die and’ren, gaf mij dit in last:
„Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,
„En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.”
KONING EDWARD. Wat! waagde de verrader zulk een taal? 112
Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe,
En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots.
Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha?
BODE. Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap,
Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt.
CLARENCE. Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste.
Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast;
Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter,
Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk,
In huwlijksglans voor u niet onderdoe.—
Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij.
(Clarence af, gevolgd door Somerset.)
GLOSTER (ter zijde). Niet ik;
Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik
Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon.
KONING EDWARD. Wat Clarence, Somerset naar Warwick over!
Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend;
Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.—
Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers;
Rust alles duchtig tot den oorlog toe.
Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn;
Ikzelf zal in persoon terstond u volgen.
(Pembroke en Stafford af.)
Doch voor ik ga, Hastings en Montague,
Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren,
Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na;
Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij?
Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem;
Een vijand is mij liever dan een schijnvriend;
Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden,
Zoo geve een eed van u mij zekerheid,
Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’!
MONTAGUE. Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft!
HASTINGS. En Hastings, als hij u te dienen wenscht.
KONING EDWARD. En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons?
GLOSTER. Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant.
KONING EDWARD. Goed, dan ben ik van de overwinning zeker.
Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen,
Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen!
(Allen af.)