GLOSTER (tot Clarence ter zijde). Hij dringt haar sterk; veel regen
holt den steen.
CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Zoo rood als vuur! zoo moet haar was
wel smelten.
LADY GREY. Wat draalt mijn vorst? mag ik mijn dienst niet weten?
KONING EDWARD. Een lichten dienst, een koning te beminnen.
LADY GREY. Dit valt mij licht, ja, als uw onderdaan.
KONING EDWARD. Nu dan, ik geef het land uws mans u weer.
LADY GREY. Zoo dank ik u bij ’t gaan veel duizendmalen.
(Zij buigt tot afscheid en wil heengaan.)
GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Beklonken! zie, die buiging is het
zegel.
KONING EDWARD. Neen, blijf nog; ik verlang der liefde vruchten.
LADY GREY. Der liefde vruchten, ja, liefd’rijke vorst.
KONING EDWARD. Gij meent dit, vrees ik, in een and’ren zin;
Om welke liefde meent gij, dat ik smeek?
LADY GREY. Om liefde tot mijn dood, om dank, gebeden,
Om liefde, zooals deugd die vraagt en geeft.
KONING EDWARD. Neen, op mijn woord, die liefde meen ik niet.
LADY GREY. Dan meent gij niet, wat ik uw meening acht.
KONING EDWARD. Maar nu zal u mijn wensch verduid’lijkt zijn.
LADY GREY. Voorwaar, ik zal tot uwer hoogheid wensch
Mij nooit verstaan, zoo ik dien juist versta.
KONING EDWARD. Ronduit dan; gun mij in uw bed een plaats.
LADY GREY. Ronduit dan, liever lig ik in den kerker.
KONING EDWARD. Nu, dan erlangt gij ’t land uws mans ook niet.
LADY GREY. Nu, dan zij eerbaarheid mijn weduwgoed;
Want voor mijn eer wil ik het land niet koopen.
KONING EDWARD. Aldus doet gij uw kindren veel te kort.
LADY GREY. Zoo doet uw hoogheid hun en mij te kort.
Doch, heer en vorst, dit schertsen van uw luim
Strookt kwalijk met den ernst van mijn verzoek;
Ik bid u, laat mij gaan met „ja” of „neen”.
KONING EDWARD. Ja, zoo gij „ja” wilt zeggen op mijn bede;
Neen, zoo gij „neen” blijft zeggen op mijn wensch.