LADY GREY. Dan „neen”, mijn vorst; mijn smeeken is ten einde. 81

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De weduw wil hem niet; zij fronst de

wenkbrauw.

CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Geen christenmensch maakte ooit zoo

plomp het hof.

KONING EDWARD (ter zijde). Zij is gansch zedigheid, toont iedre blik;

Haar geest is weergâloos, tuigt ieder woord;

Zoo schoone gaven eischen vorstenrang;

Een koning is zij waardig, zus of zoo,

’k Wil haar tot liefjen of tot koningin.—

(Tot Lady Grey.) Stel eens, dat koning Edward u tot vrouw nam?

LADY GREY. ’t Laat zich eer zeggen, hooge vorst, dan doen;

Ik deug als onderdaan misschien tot scherts,

Maar nimmer toch om koningin te zijn.

KONING EDWARD. Ik zweer u, schoone weduw, bij mijn troon,

Dat ik hier spreek, zooals mijn hart het meent;

Mijn wensch is, als geliefde u te bezitten.

LADY GREY. En dit is meer, dan ik ooit toestaan wil.

Ik weet, ik ben te laag voor koningin,

Maar toch te goed voor liefje van een koning.

KONING EDWARD. Spitsvondig weeuwtje, ik meende als koningin.

LADY GREY. ’t Zou uw genade krenken, zoo mijn zoons

U vader gingen noemen.

KONING EDWARD. Neen, niet meer,

Dan zoo u mijne dochters moeder noemen.

Gij zijt een weduw, enk’le kind’ren rijk;

En, bij de moeder Gods, schoon jonggezel,

Ik heb er ook; nu, ’t is een schoone zaak,

De vader van een tal van zoons te zijn.

Geen woord meer, want gij wordt mijn koningin.

GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De vrome heer is klaar, de biecht

gehoord.

CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Toen hij biechtvader werd, was list

aan ’t woord.

KONING EDWARD. Gij zijt benieuwd, wat wij daar saam bespraken?

GLOSTER. Ze is zeer bedrukt, dus niets wat haar mocht smaken.

KONING EDWARD. Bevreemdde ’t u, zoo ik tot vrouw haar koos?

CLARENCE. Voor wien, mylord?

KONING EDWARD. Wel, Clarence, voor mijzelf.

GLOSTER. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten.

CLARENCE. Dus één dag meer dan ooit een wonder duurt.

Koning Hendrik de Zesde · 第 132 / 165 题