Londen. Een vertrek in het paleis.
Koning Edward, Gloster, Clarence en Lady Grey komen op.
KONING EDWARD. Mijn broeder Gloster, dezer edelvrouwe
Gemaal, Sir Richard Grey, is in den slag
Van Sint-Albaans gevallen en zijn land
Daarop verbeurdverklaard door de’ overwinnaar.
Zij smeekt nu om teruggaaf van dit land,
Wat wij in billijkheid niet weig’ren kunnen,
Omdat de waardige edelman zijn leven
Verloor bij ’t strijden voor het huis van York.
GLOSTER. Dan doet uw hoogheid goed door toe te staan;
Ja, ’t ware schand’lijk, haar verzoek te weig’ren.
KONING EDWARD. ’t Is zoo; maar toch, ik wil mij nog bedenken.
GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Ei, staat het zoo?
De weduw, zie ik, heeft iets toe te staan,
Aleer de koning haar verzoek wil toestaan.
CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij kent de jacht; wat volgt hij goed
het spoor!
GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Stil nu!
KONING EDWARD. ’t Verzoek eischt overweging, schoone weduw,
Kom dus een andermaal het antwoord hooren.
LADY GREY. Genadig vorst, ik kan geen uitstel lijden;
’t Behage uw hoogheid thans bescheid te geven,
En wat u zal behagen is mij goed.
GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Dan, weeuwtje, sta ik borg voor al uw
land,
Indien wat hem behaagt, u wel bevalt.
Val aan, of op mijn eer, gij krijgt een stoot.
CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Voor haar ben ik niet bang, als zij
niet valt. 24
GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Verhoede God, dat ware een kans voor
hem!
KONING EDWARD. Hoe vele kindren hebt gij, weeuwtje, zeg?
CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij vraagt, geloof ik, fluks een kind
van haar.
GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Mijn kop af, liever geeft hij haar er
twee.
LADY GREY. Drie, mijn doorluchte heer.
GLOSTER (ter zijde). Gij krijgt er vier, wanneer gij hem gehoor geeft.
KONING EDWARD. Voor hen waar’ ’t hard, huns vaders land te missen.
LADY GREY. Toon deernis dan, mijn vorst en geef het hun.
KONING HENDRIK. Lords, laat ons; ’k wil den geest van ’t weeuwtje
toetsen.
GLOSTER (ter zijde). Ja, laat hem; dart’len jok zult gij niet laten,
Tot u de jeugd verlaat en krukken laat.
(Gloster en Clarence treden terug.)
KONING EDWARD. En zeg nu, weeuwtje, hebt ge uw kindren lief?
LADY GREY. Ja, even lief als ik mijzelve heb.
KONING EDWARD. En wat zoudt gij wel doen, zoo ’t hun bevoordeelt?
LADY GREY. Voor hen zou ik mij eigen schâ getroosten.
KONING EDWARD. Verwerf voor hen dan ’t land van uw gemaal.
LADY GREY. Juist daarvoor kom ik bij uw majesteit.
KONING EDWARD. Ik wil u zeggen, hoe gij ’t kunt verwerven.
LADY GREY. Dit zou mij diep tot dank en dienst verplichten.
KONING EDWARD. Wat dienst wilt gij mij doen, zoo ik ’t u gaf?
LADY GREY. Wat gij beveelt, zoo ik ’t volbrengen kan.
KONING EDWARD. Ik vrees, gij zult mij weig’ren, wat ik vraag.
LADY GREY. Neen, hooge vorst, tenzij ik ’t niet vermag.
KONING EDWARD. ’t Is in uw macht, wat ik u vragen wil.