EERSTE TOONEEL.

Een jachtveld in Noord-Engeland.

Twee boschwachters komen op, met kruisbogen in de hand.

EERSTE BOSCHWACHTER. Verbergen wij ons hier in ’t dicht geboomte,

Want op deze open plek komt steeds het wild;

Wij plaatsen hier ons in de ruigte op wacht,

En lezen zoo het schoonste hert ons uit.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Ik ga bergop, dan kunnen beiden schieten.

EERSTE BOSCHWACHTER. Dat gaat niet, want het ruischen van uw kruisboog

Verschrikt de kudde en dan krijg ik geen schot.

Neen, samen staan wij hier en doen ons best.

En om den tijd van ’t wachten u te korten,

Vertel ik, wat mij op dezelfde plaats,

Waar wij nu zullen staan, eens is gebeurd.

(Koning Hendrik komt op, vermomd, met een gebedenboek.)

TWEEDE BOSCHWACHTER. Daar komt een man, wacht eerst, tot hij voorbij

is.

KONING HENDRIK. Uit Schotland sloop ik weg, uit groot verlangen, 13

Om liefdevol mijn eigen land te groeten.

Neen, Hendrik, Hendrik, ’t land is niet meer u,

Uw plaats bezet, uw scepter u ontwrongen,

Die balsem, die u heiligde, afgewischt;

Geen knie zal thans u, buigend, Cæsar noemen,

Geen need’rig smeek’ling dringt, om recht te vragen,

Neen, niemand komt, om steun bij u te zoeken;

Hoe zou ik helpen, die ’t mijzelf niet kan?

EERSTE BOSCHWACHTER. Ziedaar een hert, welks huid den jager loont;

De voor’ge koning is ’t; laat ons hem vatten.

KONING HENDRIK. ’k Wil ’t bitter lot, dat mij bezoekt, omhelzen;

Dit, zeggen wijzen, is de wijste keus.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Wat dralen wij? de hand op hem gelegd!

EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, wacht nog; laat ons eerst wat verder hooren.

KONING HENDRIK. Mijn vrouw en zoon zijn naar Parijs om hulp;

En de albestuurder, groote Warwick, hoor ik,

Is daar, en vraagt des Franschen konings zuster

Ten echt voor Edward. Is dit waarlijk zoo,

Dan, arme vrouw en zoon, doet ge ijd’le moeite;

Want Warwick is een schrander redenaar,

En Lood’wijk voor een roerend woord toegank’lijk.

Maar ja, dan kan hem Margaretha winnen;

Zij is een vrouw, met recht beklagenswaard;

Met zuchten schiet zij bressen in zijn borst,

Met tranen dringt zij in een steenen hart; 38

Wanneer zij jammert, wordt een tijger zacht,

En Nero wordt geroerd van deernis, als hij

Haar klachten hoort, haar zilte tranen ziet.

’t Is zoo, maar zij komt smeeken, Warwick geven;

Zij, aan zijn slinke, hulp voor Hendrik vragen,

Hij, aan zijn rechterhand, een vrouw voor Edward.

Zij weent en noemt haar Hendrik afgezet;

Hij lacht en roemt zijn Edward als gekroond;

Zoodat zij, arme, spraakloos is van smart,

Warwick zijn recht bespreekt, zijn schuld verbloemt,

En, met zijn gronden van gewicht, in ’t eind

Den koning overreedt, haar niet te hooren,

Maar, met zijn zusters hand, hem toe te zeggen,

Wat koning Edward steunt, zijn macht vergroot.

Ach, Margaretha, zoo zal ’t gaan; gij arme

Vindt steun noch hulp, gelijk gij hulploos gingt.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Spreek, wie zijt gij, die daar van koningen

En koninginnen praat? 55

KONING HENDRIK. Meer dan ik schijn en minder dan ik zijn moest;

Ten minste een mensch,—hoe kon ik minder zijn?

En van een koning mag een mensch toch praten?

TWEEDE BOSCHWACHTER. Ja, maar gij praat alsof ge een koning zijt.

KONING HENDRIK. Dat ben ik naar den geest; dit zij genoeg.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Maar zijt gij koning, waar is dan uw kroon?

KONING HENDRIK. Mijn kroon is in mijn hart, niet op mijn hoofd,

Met Indische edelsteenen niet bezet,

Niet zichtbaar zelfs; zij heet tevredenheid,

Een kroon zooals een koning zelden draagt.

TWEEDE BOSCHWACHTER. Goed, koning van tevredenheid, wees dan

Nu met uw kroon tevredenheid tevreden

En ga met ons, want, naar ’t ons schijnt, zijt gij

De koning, afgezet door koning Edward;

En wij, onze’ eed als onderdanen trouw,

Wij vatten u, wijl gij zijn vijand zijt.

KONING HENDRIK. En braakt gij nooit, wanneer gij zwoert, uw eed?

TWEEDE BOSCHWACHTER. Nooit zulk een eed, en thans ook doen wij ’t niet.

KONING HENDRIK. Waar waart gij, toen ik koning was van England?

TWEEDE BOSCHWACHTER. Hier in dit land, waar wij nog altijd zijn.

KONING HENDRIK. Als kind van negen maanden werd ik koning,

Gelijk mijn vader en zijn vader ’t waren;

Gezworen onderdanen waart gij mij;

En hebt gij, spreekt! uw eeden niet gebroken?

EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, zeker niet; wij waren onderdanen;

Doch waren ’t slechts, zoolang gij koning waart.

KONING HENDRIK. Wat! ben ik dood? En adem als een mensch?

Onnoozel volk! gij weet niet, wat gij zweert!

Zooals ik, zie! dit veêrtje van mij blaas,

En de adem van den wind het mij terugblaast,

En ’t mijnen adem volgt, wanneer ik blaas,

En ook weer toegeeft, als een ander blaast,

Steeds door de sterker strooming meegevoerd,

Zoo licht bewogen is het mind’re volk.— 89

Doch breekt uwe eeden niet; aan zulk een zonde

Doe mijne smeeking u niet schuldig zijn.

Gaat waar gij wilt; de koning volgt uw last;

Weest vorsten, gij; beveelt, en ik zal volgen.

EERSTE BOSCHWACHTER. Den koning zijn wij trouw, den koning Edward.

KONING HENDRIK. Datzelfde zoudt gij koning Hendrik zijn,

Als hij op koning Edward’s troon weer zat.

EERSTE BOSCHWACHTER. In naam van God, en ’s konings naam, kom mede;

Gij moet met ons naar zijn beambten gaan.

KONING HENDRIK. In Gods naam, leidt mij heen; den naam uws konings

Zij thans door mij gehoorzaamheid getoond;

En wat God wil, dat moge uw koning doen;

In wat hij wil, zal ik mij need’rig schikken.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 129 / 165 题