Aldaar.
Heftig krijgsrumoer. Clifford komt op, gewond.
CLIFFORD. Hier brandt mijn kaars ten einde, ja, hier sterft zij,
Wier licht, zoolang het scheen, voor Hendrik scheen.
O Lancaster! nu vrees ik uwen val,
Meer dan mijns lichaams scheiding van de ziel!
Door liefde en haat kleefde ik aan u veel vrienden,
Maar nu ik val, nu smelt die taaie menging,
Maakt Hendrik zwak, versterkt den driesten York.
Waar vliegen muggen heen, dan in de zon?
En wie schijnt thans, dan Hendriks tegenstanders?
O Phoebus, hadt gij nooit verlof verleend,
Dat Phaëton uw vuur’ge rossen mende,
Dan had uw gloedkar de aarde nooit verschroeid!
En hadt gij, Hendrik, als een vorst geheerscht,
Gelijk uw vader en zijn vader deden,
En hùn van ’t huis van York geen voet gegeven,
Nooit hadden zij gezwermd als zomervliegen;
Ik en tienduizend in dit arme rijk,
Wij lieten thans geen droeve weeuwen na,
En vreedzaam zoudt gij zeet’len op uw troon.
Maar wat geeft onkruid groei dan lauwe lucht?
En wat maakt roovers stout dan te veel zachtheid?—
Vruchtloos zijn klachten, zonder baat mijn wonden.
Geen weg ter vlucht, geen kracht tot vluchten meer!
De vijand kent geen deernis, geen erbarmen,
Want van zijn hand verdien ik geen erbarmen!
De lucht dringt reeds mijn stervenswonden in,
En sterke bloeduitstorting doet mij zwijmen.—
Komt, Richard, Warwick, York, ja, komt, verraders;
Doorboort mijn borst, want ik doorboorde uw vaders!
(Hij bezwijmt.)
(Strijdgedruisch en terugtocht. Edward, George, Richard, Montague,
Warwick en Troepen komen op.)
EDWARD. Nu, lords, heraad’men wij; ons goed geluk
Gebiedt verpoozing, doet het dreigend voorhoofd
Des krijgs voor zachte vredeblikken eff’nen.—
Een deel vervolg’ de felle koningin;
Zij dreef den stillen Hendrik, schoon een koning,
Steeds voort, gelijk een zeil, vol boozen wind,
Een koopvaardijschip dwingt den stroom te trotsen.
Maar denkt gij, lords, dat Clifford mede ontvlood?
WARWICK. Onmooglijk is ’t, dat hij ontkomen is;
Want,—schoon ik in ’t gelaat den lof hem geve,—
Uw broeder Richard merkte hem voor ’t graf;
En, waar hij zij, voorzeker is hij dood.
(Clifford steunt en sterft.)