VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het veld.

Krijgsrumoer. Koning Hendrik komt op.

KONING HENDRIK. Dit treffen loopt zooals de morgenstrijd,

Als stervend donker kampt met groeiend licht,

Wanneer de herder, op zijn nagels blazend,

Het nog geen dag kan noemen, niet meer nacht.

Nu zwaait het dien weg, als een groote zee,

Door ’t wassend tij genoopt den wind te trotsen,

Dan dezen weg uit, als dezelfde zee,

Teruggedreven door de macht des winds;

Nu wint de vloed den strijd en dan de wind,

Nu deze sterker, dan weer de andre ’t sterkst;

Beide om de zege worst’lend, borst aan borst,

Geen overwinnaar nog, geen overwonnen;

Zoo zweeft nog de eev’naar hier des fellen strijds.

Ik wil me op dezen molshoop nederzetten.

Waar God ze geven wil, daar zij de zege!

Want Margaretha heeft, en Clifford ook,

Mij uit den strijd gekeven, beiden zwerend,

Dat die, ben ik afwezig, beter slaagt.

O, waar’ ’t Gods wil, dan wenschte ik, ware ik dood!

Want wat is de aard, dan enkel leed en nood?

O God, mij dunkt, het ware een heilrijk lot,

Niets meer te zijn dan een eenvoudig herder,

Te zitten op een heuvel als ik hier,

En zonnewijzers kunstig uit te snijden,

Daarbij te zien, hoe zich minuten spoeden,

Hoeveel er van te zaam een uur voltooien.

En hoeveel uren voor een dag verloopen,

Met hoeveel dagen ’t jaar voleindigd is,

En hoeveel jaar een mensch op aarde leeft.

En dan, is dit erkend, den tijd te deelen,

Als: zooveel uren moet ik schapen hoeden,

En zooveel uren moet ik aan mijn rust,

En zooveel uur aan overdenking wijden,

En zooveel uren geven aan vermaak,

En zooveel dagen zijn mijn ooien drachtig,

En zooveel weken, eer de bloeden lamm’ren,

En zooveel jaar, eer ik de wol kan scheren;

Minuten, uren, dagen, maanden, jaren,

Vervloten zoo naar ’t hun bepaalde doel,

En brachten ’t grijze haar naar ’t stille graf.

Welk leven ware dit! hoe zoet, hoe lieflijk!

Verleent het doornebosch niet aan den herder,

Die kalm zijn schapen hoedt, een zoeter schaduw,

Dan op den troon een rijkgestikte hemel

Den koning, die ’t verraad der zijnen ducht?

O ja, dit doet het, duizendmaal zoo zoet.

En eindlijk nog, des herders maag’re wrongel,

Zijn frissche, dunne drank uit leed’ren flesch,

Zijn rustig slapen onder ’t koele lommer,

Dit alles, dat hij veilig, kalm geniet,

Gaat verre boven ’s konings rijk festijn, 51

Zijn fonk’lend druivennat in gouden beker,

Zijn lichaam op een keurig bed gevlijd,

Als argwaan, zorg en eedbreuk om hem waren.

(Strijdrumoer. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft, komt op met het

lijk.)

ZOON. Een kwade wind, die niemand voordeel aanbrengt!

De man hier, dien ik, lijf aan lijf, versloeg,

Kan licht een buidel kronen bij zich hebben;

En ik, die bij geluk hem die ontneem,

Moet vóór de nacht wellicht ze, met mijn leven,

Een ander afstaan, als de doode aan mij.

Wie is ’t?—O God! het is ’t gelaat mijns vaders,

Dien ik onwetend in den strijd versloeg!

O, booze tijd, die zulke gruw’len teelt!

Men preste mij te Londen voor den koning;

Mijn vader, dienstman van den graaf van Warwick,

Kwam, door zijn heer geprest, hier op voor York;

En ik, die ’t leven eens van hem ontving,

Heb met mijn hand het leven hem benomen!—

Vergeef mij, God, ik wist niet, wat ik deed;—

Vergeef mij, vader, want ik kende u niet.—

Dit bloed, met bitt’re tranen wisch ik ’t weg;

En nu geen woord, tot ik heb uitgeweend!

KONING HENDRIK. O jammerschouwspel! welk een tijd van bloed!

Nu leeuwen krijg om hunne legers voeren,

Ontgelden arme lamm’ren hunnen twist.

Schrei, arme man! ik help u, traan voor traan;

Gij, hart en oogen,—wordt, als burgertwist,

Van tranen blind,—breekt, overstelpt van jammer!

(Een Vader, die zijn zoon gedood heeft, komt op, met het lijk in zijn

armen.)

VADER. Gij, die zoo kloeken wederstand mij boodt,

Geef mij uw goud, indien gij goud bezit;

Ik kocht het duur, voor wel een honderd slagen.

Doch laat ik zien;—is zoo ’t gelaat mijns vijands?

O neen, neen, neen, het is mijn een’ge zoon!—

O kind, zoo er nog leven in u is,

Sla ’t oog dan op, en zie een stortbui reeg’nen,

Ach, door mijns harten stormwind op uw wonden,

Die oog en hart mij dooden, saamgewaaid!—

Heb deernis, God, met deez’ rampzaal’gen tijd!—

O welke daden, gruw’lijk en moorddadig,

Vol blinde dwaling, muitziek, onnatuurlijk,

Teelt dag op dag de onzaal’ge vorstentwist!—

O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven,

Beroofde u nu van ’t leven;—o, te laat!

KONING HENDRIK. Wee boven wee! leed boven ander leed!

O, dat mijn dood die gruw’len einden kon!

Erbarm, erbarm u, lieve God, erbarm u!—

De roode en witte roos zijn op zijn kaak,

Die onheilskleuren onzer booze huizen; 98

Zijn purp’ren bloed gelijkt op de eene strijdkleur,

Op de andere al te wel zijn bleeke wang;

Één roos verwelke, en moge de andre bloeien!

Geen strijd, die duizend levens doet verwelken!

ZOON. Hoe zal mijn moeder, om mijns vaders dood,

Weeklagen tegen mij, nooit uitgeklaagd!

VADER. Hoe zal mijn vrouw, om ’t moorden van mijn zoon,

Traanzeeën weenen, ach, nooit uitgeschreid!

KONING HENDRIK. Hoe zal het land, om zulke schriktooneelen,

Zijn vorst verklagen, ach, nooit uitgeklaagd!

ZOON. Heeft ooit een zoon zijn vader zoo betreurd?

VADER. Heeft ooit een vader zoo zijn kind beschreid?

KONING HENDRIK. Heeft ooit een koning zoo zijn volk bejammerd?

Groot is uw leed, maar tienmaal grooter ’t mijn.

ZOON. Ik draag u weg, en ween dan bij u uit.

(De Zoon af met het lijk.)

VADER. Uw lijkwa zullen u mijn armen zijn,—

Mijn hart, o lieve knaap, uw grafgesticht,

Want nimmer zal uw beeld mijn hart verlaten.

Uw doodsklok zij mijn borst, die zuchten slaakt;

En even diepe rouw bedrijft uw vader

Om u, mijn zoon, mijn eenig, eenig kind,

Als Priamus om al zijn dapp’re zoons.

Ik draag u weg; vecht’ nu wie wil! ik vocht

En heb vermoord, waar ik niet dooden mocht.

(De Vader af, met het lijk.)

KONING HENDRIK. Rouwdragers, ach! hoe zwaar uw leed ook zij,

Hier zit een koning, met meer wee dan gij.

(Strijdrumoer. Schermutselingen. Koningin Margaretha, de Prins van

Wales en Exeter komen op.)

PRINS. Vlucht, vader, vlucht! want al uw vrienden vloden,

En Warwick raast als een getergde stier.

IJl heen, ons zit de dood hier op de hielen!

KONINGIN MARGARETHA. Te paard, mijn vorst, en spoed u heen naar

Berwick;

Edward en Richard,—als twee hazenwinden,

Die ’t schuwe, vluchtend wild voor oogen zien,

Met vurige oogen, die van moordlust fonk’len,

Het bloedig staal in de ijz’ren vuist geklemd,

Zoo zetten zij ons na;—dies, ijlings heen!

EXETER. Van hier! want hun ter zijde schrijdt de wraak;

Neen, toef niet, opper geen bezwaar; maak spoed;

Of kom mij na, want dan ijl ik vooruit.

KONING HENDRIK. Neen, neem mij mee, vriend Exeter! Wel brengt 137

Het blijven mij geen schrik, doch gaarne volg ik

De koningin, waarheen zij ’t wenscht. Van hier!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 125 / 165 题