RICHARD. Een snik, als vlood het leven voor den dood.
EDWARD. Zie gij, wie ’t is; en,—vriend of vijand,—nu
’t Gevecht voorbij is, zij genâ geoefend.
RICHARD. Herroep vrij die genâ, want Clifford is ’t;
Die niet tevreden, dat hij zulk een tak
Als Rutland afhieuw, toen die blaad’ren dreef,
Zijn bijl moorddadig aan den wortel sloeg,
Waaruit die teed’re twijg zoo lieflijk sproot,—
Ik meen, aan onzen hoogen vader York.
WARWICK. Neem van de poort van York dat hoofd nu af,
Uws vaders hoofd, door Clifford daar geplant;
En neme zijne plaats dit hoofd nu in,
Want maat voor maat moet de vergelding zijn.
EDWARD. Brengt hier die booze nachtuil van ons huis,
Die niets dan dood voor ons en de onzen kraste;
Nu stuit de dood zijn aak’lig, dreigend lied,
En de onheilstaal van zijne tong verstomde.
(Het lijk wordt naar voren gedragen.)
WARWICK. Het schijnt mij toe, dat hij bewustloos is.—
Spreek, Clifford, kent gij hem, die tot u spreekt?—
’s Doods zwarte wolk omhult zijn levenslicht;
Hij ziet ons niet, en hoort niet wat wij zeggen.
RICHARD. O deed hij ’t nog!—en moog’lijk, dat hij ’t doet;
Het is misschien een list, zich dood te veinzen,
Opdat hij zulk een bitt’ren hoon ontga,
Als hij in ’t doodsuur onzen vader aandeed.
GEORGE. Terg, denkt gij dit, hem eens met scherpe woorden.
RICHARD. Clifford! smeek om genade en vind geen deernis.
EDWARD. Clifford! toon uw berouw, maar boet vergeefs!
WARWICK. Clifford! bedenk verschooning voor uw schuld!
GEORGE. Terwijl wij folterstraf er voor bedenken.
RICHARD. York was u lief, en ik ben zoon van York.
EDWARD. Gij spaardet Rutland, juist zoo spaar ik u.
GEORGE. Roep veldheer Margaretha, dat ze u redde.
WARWICK. Men tergt u, Clifford, vloek zooals gij placht.
RICHARD. Wat, zelfs geen vloek? dan is het erg, als Clifford
Geen enk’len vloek meer voor zijn vrienden heeft.— 78
Dit toont mij, dat hij dood is; en, bij God!
Kon ik hem zoo twee uren levens koopen,
Om al dien tijd met hoon hem te overstelpen,
Ik hakte mij de hand af en verstikte
Door ’t stroomend bloed den schurk, wiens heeten dorst
Noch York noch jonge Rutland konden lesschen.
WARWICK. Ja, hij is dood. Sla den verrader ’t hoofd af,
En plant het waar nu ’t hoofd uws vaders staat.
En nu naar Londen voorwaarts in triomf,
En laat tot Englands koning fluks u kronen.
Van daar steekt Warwick dan naar Frankrijk over,
En vraagt u jonkvrouw Bona tot vorstin.
Zoo knoopt gij beide landen innig saam,
En lacht, als Frankrijks vriend, dan met den vijand,
Die, hoe verstrooid, wis weer hoopt op te staan;
Want, schoon hun zwerm niet ernstig steken kan,
Licht gonst hij toch genoeg, om ’t oor te kwellen.
Zoo woon ik eerst uw kroning bij, en steek
Dan over naar Bretagne, om ginds het huw’lijk
Tot stand te brengen, zoo ’t mijn vorst behaagt.
EDWARD. Het zij geheel zooals gij ’t wenscht, mijn Warwick;
Want op uw schouders bouw ik mijnen troon,
En nimmer onderneem ik een’ge zaak,
Waaraan ge uw raad en bijval mocht onthouden.—
Richard, tot hertog maak ik u van Gloster,
George, u van Clarence.—Warwick, als wijzelf,
Zal doen of hind’ren, naar het hem behaagt.
RICHARD. Maak mij hertog van Clarence, George van Gloster;
Want Gloster’s hertogdom spelt luttel heil.
WARWICK. O foei, wat dwaas bezwaar! Gij, Richard, moet
Hertog van Gloster zijn. En nu naar Londen,
Daar al onze eer nu in bezit genomen!
(Allen af.)