Een slagveld bij Towton.
Strijdgedruisch. Schermutselingen. Warwick komt op.
WARWICK. Van strijden mat, als renners na den wedloop,
Leg ik een wijl mij neer om uit te hijgen;
De ontvangen slagen, weergegeven houwen
Beroofden de ijz’ren spieren van haar kracht;
En hoe ’t mij griev’, een oogwenk moet ik rusten.
(Edward komt in vliegende haast op.)
EDWARD. Tref, booze dood, of goede hemel, red mij!
Want de aarde dreigt, omwolkt is Edwards zon.
WARWICK. Hoe staat de kans, mylord? wat hoop op zege?
(George komt op.)
GEORGE. De kans verlies, de hoop is doffe wanhoop;
Doorbroken is ons heer en onheil naakt.
Wat raadt gij aan? waarhenen vluchten wij?
EDWARD. Hier helpt geen vlucht; zij volgen ons gevleugeld;
En wij zijn mat; ontkomen? ijd’le waan!
(Richard komt op.)
RICHARD. O Warwick, waarom trekt gij u terug?
Reeds dronk de dorstige aarde uws broeders bloed,
Door Clifford’s stalen speerpunt hem onttapt;
En in den laatsten doodstrijd riep hij nog,
Dof als een onheilspellend ver gedreun:
„Warwick, ter wrake! broeder, wreek mijn dood!”
Zoo, liggend onder ’s vijands rossen, die
Hun vetlok kleurden in zijn dampend bloed,
Blies de eed’le ridder ziel en adem uit. 22
WARWICK. Dan worde de aarde dronken van ons bloed;
Ik dood mijn ros, wijl ik niet vluchten wil.
Wat staan wij hier als zwakke, weeke vrouwen,
En jamm’ren laf, terwijl de vijand raast;
En schouwen toe, als voerden hier dit treurspel
Schouwspelers op, nabootsend, tot vermaak?
Hier op mijn knie zweer ik tot God daarboven,
Ik weet voortaan van rust noch stilstand iets,
Aleer de dood deze oogen heeft geloken,
Of ’t krijgsgeluk mij volle wraak verschaft.
EDWARD. O, Warwick, hier buig ik met u de knie,
En keten met dien eed mijn ziel aan de uwe!—
En eer ik rijs van ’s aardrijks koud gelaat,
Werp ik mijn oog en hart en hand tot U,
U, grooten koningsschepper en verdelger,
En smeek tot U, dat—is ’t Uw raadsbesluit,
Den vijand dit mijn lijf ten buit te geven,—
Uws hemels bronzen poort zich oop’nen moog’,
Mijn ziel, hoe zondig, zoeten doorgang gunn’!
En nu, vaartwel, mylords, tot wederzien,
’t Zij in den hemel ginds, hetzij op aarde.
RICHARD. Reik, broeder, mij de hand;—en, eed’le Warwick,
’k Omvange u met mijn moegestreden armen!
Nooit weende ik nog, thans smelt ik weg in tranen,
Dat winter onze lentezon doet tanen.
WARWICK. Weg, heen! nog eenmaal, waarde lords, vaartwel!
GEORGE. Ja, gaan wij allen saam tot onze krijgers;
Wie vluchten wil, hij ga; maar wie volharden,
Hen noemen we onze pijlers; en aan hen
Zij, zoo wij slagen, ’t heerlijk loon beloofd
Der overwinnaars bij ’t Olympisch kampspel.
Dit plant wellicht in lauwe harten moed;
Want hoop op leven is er en op zege.—
Niet meer gedraald; vooruit met alle macht!
(Allen af.)