KONING HENDRIK. Die kans is ook de mijne; dus, ik blijf. 76

NORTHUMBERLAND. Dan zij het met het vast besluit tot vechten.

PRINS. Mijn hooge vader, vuur deze eed’le lords

En allen aan, die voor uw rechten strijden;

Ontbloot uw zwaard, mijn vader; roep: „Sint George!”

(Getrommel. Edward, George, Richard, Warwick, Norfolk en Montague komen

op, met troepen.)

EDWARD. Meineedig koning, knielt gij om genade,

En plaatst gij op mijn hoofd den diadeem,

Of moet het bloedig veld uw lot beslissen?

KONINGIN MARGARETHA. Kijf op uw deernen, drieste, trotsche knaap!

Betaamt het u, zoo stoute taal te voeren,

Hier voor uw souverein en rechten koning?

EDWARD. Ik ben zijn koning; ’t is aan hèm te knielen.

Ik ben verkoren erfgenaam; hij zwoer dit,

Doch brak daarna zijn eed; want, naar ik hoor,

Hebt gij, die hier, schoon hij de kroon moog’ dragen,

Veeleer de koning zijt, hem opgezet,

Bij parlementsbesluit mij uit te vagen,

En te vervangen door zijn eigen zoon.

CLIFFORD. En dat terecht; wie zou

Opvolger zijn des vaders, dan de zoon?

RICHARD. Zijt gij daar, slachter?—O, ik kan niet spreken.

CLIFFORD. Ja, kromrug, ja, ik sta u hier te woord,

U en een elk, hoe trotsch ook, van uw slag.

RICHARD. Gij staakt den jongen Rutland dood, niet waar?

CLIFFORD. Ja, en den ouden York,—nog onverzaad.

RICHARD. Om Gods wil, lords, het teeken tot den aanval!

WARWICK. Nu, Hendrik, spreek, doet ge afstand van de kroon?

KONINGIN MARGARETHA. Wat, Warwick’s lange tong! durft die nog spreken?

Te Sint-Albaans, bij ’t laatst ontmoeten, deden

Uw beenen beter dan uw handen dienst.

WARWICK. Toen was ’t mijn beurt te vluchten, nu is ’t de uwe.

CLIFFORD. Zoo spraakt gij toenmaals ook, en vluchttet toch.

WARWICK. Niet uwe dapperheid verdreef mij, Clifford.

NORTHUMBERLAND. En uw manhaftigheid weerhield u niet.

RICHARD. Northumberland, u houd ik gaarne in eere.—

Staakt dit gepraat, want ik bedwing slechts noode

Den lust om ’t hooggezwollen hart te koelen

Op Clifford daar, dien wreeden kinderslachter.

CLIFFORD. Ik doodde uw vader; noemt gij dien een kind?

RICHARD. Gij deedt het als een vuige, een valsche lafaard; 114

Zoo deedt gij ’t onzen lieven Rutland ook;—

Maar ’k doe u vóór de nacht die daad vervloeken.

KONING HENDRIK. Geen woorden meer, mylords, laat mij nu spreken.

KONINGIN MARGARETHA. Trotseer hen dan, of klem uw lippen dicht.

KONING HENDRIK. Ik bid u, leg mijn tong geen teugel aan;

Ik ben een koning, spreken is mijn recht.

CLIFFORD. Mijn vorst, geen woorden heelen ooit de wond,

Die deze ontmoeting teelde; zwijg dus stil.

RICHARD. Welnu dan, beul, ontbloot uw zwaard. Bij hem,

Die mij, ons allen schiep, dit weet ik zeker.

Clifford’s manhaftigheid ligt op zijn tong.

EDWARD. Gewordt,—spreek, Hendrik!—mij mijn recht of niet?

Een duizend man, die nog ontbeten, proeven

Geen middagmaal, legt gij de kroon niet neer.

WARWICK. En weigert gij,—hun bloed dan op uw hoofd?

Want York gespt voor het recht het harnas aan.

PRINS. Is dat nu recht, wat Warwick recht noemt? Dan

Bestaat geen onrecht, dan is alles recht.

RICHARD. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder;

Want, waarlijk, gij bezit uw moeders tong.

KONINGIN MARGARETHA. En gij gelijkt op vader noch op moeder,

Gij, een gebrandmerkt en wanstaltig wezen,

Geteekend door het lot, dat men u mijde

Gelijk een giftpad of haag’dissestekels.

RICHARD. Gij Napels’ blik, met Engelsch goud bedekt,

Gij kind eens vaders, die zich koning noemt,—

Alsof een goot ooit zee geheeten werd!—

Gij, die uw afkomst kent, gij schaamt u niet,

Uw laag gemoed door uwe tong te onthullen?

EDWARD. Een stroowisch ware een duizend kronen waard,

Als zij die prij zichzelve kennen leerde!

Veel schooner was de Grieksche Helena,

Al moge uw gade ook Menelaüs zijn;

Maar ’t valsche wijf heeft Agamemnon’s broeder

Nooit zoo gekrenkt, als gij ’t dien koning doet.

Zijn vader vierde feest in ’t hart van Frankrijk,

Deed koning en dauphijn er mak zijn, buigen;

En ware hìj naar zijnen rang gehuwd,

Dan had hij wis tot nù dien glans gehandhaafd;

Maar bedgenoot werd hem een beed’lares,

Zijn huwlijksdag verhoogde uw armen vader;

En zoo bracht hèm die zon een stortbui saam,

Die al zijns vaders buit uit Frankrijk spoelde,

En op zijn kroon hier oproer samenbracht.

Want wat verwekt deze onrust, dan uw trots?

Bij zachtheid ware onze aanspraak blijven slapen;

Uit deernis met den zachten koning hadden

Wij onzen eisch tot later uitgesteld. 162

GEORGE. Maar onze zonneschijn schonk u een lente,

En nooit bracht ons uw zomer een’gen groei;

Dies legden we aan den vreemden stam onze aks;

En schoon de snede onszelf een weinig trof,

Zoo weet toch: nu het houwen eenmaal aanving,

Nu rust het niet, aleer gij zijt geveld,

Of ons warm bloed uw wasdom heeft besproeid.

EDWARD. Aldus besloten, daag ik u ten strijde,

En ik versmaad elk verder mondgesprek,

Daar gij den zachten koning ’t woord niet gunt.—

Trompetters, blaast!—Ontpluikt de roode vanen!

Dat zij ter zege of dood den weg ons banen!

KONINGIN MARGARETHA. Hoor, Edward!

EDWARD. Neen, kijfster, neen! De strijd zij nu gestreden!

Tienduizend levens kost dit twisten heden.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 122 / 165 题