TWEEDE TOONEEL.

Voor de stad York.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, de Prins van

Wales, Clifford en Northumberland komen op, met trommen en trompetten.

KONINGIN MARGARETHA. Heer, welkom voor de goede stad van York!

Zie, ginder steekt het hoofd van de’ aartsrebel,

Die met uw kroon zijn slapen wilde omgeven;

Verheugt die aanblik, heer, u niet het hart?

KONING HENDRIK. Ja, als de klippen hem, die schipbreuk ducht;

Die aanblik smart me in ’t diepst van mijne ziel.—

Weerhoud, mijn God! uw wraak; ’t is mijn schuld niet,

En ik brak bij mijn weten nooit mijn eed.

CLIFFORD. Mijn hooge vorst, schud die te groote zachtheid,

Dit schaad’lijk medelijden van u af.

Wien werpen leeuwen zachte blikken toe?

Toch niet aan ’t beest, dat in hun hol wil dringen.

Wien likt wel de berin des wouds de hand?

Niet hem, die voor haar oog haar jongen rooft.

Of wie ontgaat den giftbeet van de slang?

Niet hij, die haar den voet zet op den rug.

De kleinste worm verheft, getrapt, den kop;

En duiven pikken, als ’t haar broedsel geldt.

Eerzuchtig streefde York naar uwe kroon;

Gij lachtet vriendlijk, toen hij ’t voorhoofd fronste.

Hij, hertog slechts, wilde als beminnend vader,

Zijn zoon verhoogen, hem een koning zien;

Gij, koning, met een wakk’ren zoon gezegend,

Hebt toegestemd, dat die onterfd zou zijn,

Een vader u getoond, die niet beminde.

Elk reed’loos schepsel geeft zijn jongen voedsel;

En hoe ’t gelaat des menschen hen verschrikk’,

Toch, ter bescherming van hun teed’re kleinen,

Wie zag niet vaak hen met dezelfde vleug’len,

Die soms hun dienden voor een schuwe vlucht,

Den man bestrijden, die hun nest beklom, 31

Voor ’t hoeden van hun kroost hun leven wagen?

O schaam u, heer, en neem u die ten voorbeeld;

Waar’ ’t niet een jammer, dat die wakk’re knaap

Zijn erfdeel door zijns vaders schuld zou derven,

En tot zijn zoon in later tijd moest zeggen:—

„Wat groot- en oudgrootvader eens verwierven,

Dat gaf mijn zwakke vader zorgloos weg!”

O welk een smaad waar’ dit! O zie dien knaap;

Zijn mann’lijk uitzicht, voor geluk en zege

Zoo veel belovend, stale uw smeltend hart,

Dat gij voor u en hem uw rechten handhaaft!

KONING HENDRIK. Schoon toonde Clifford daar zijn redekunst

En voerde gronden aan van groot gewicht.

Maar, Clifford, zeg mij, hebt gij nooit gehoord,

Dat slecht verworven goed steeds slecht gedijt?

En is het dien zoon altijd wel gegaan,

Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle?

Eens erft mijn zoon mijn vrome, goede daden;

O had ik ook zooveel, niets meer geërfd!

Want al het oov’rige is slechts een bezitting,

Waarvan ’t bewaren duizendmaal meer zorg,

Dan ’t hebben ooit een sprankje vreugde schenkt.

Ach, ach, neef York! indien uw vrienden wisten,

Hoe ik bejammer, dat uw hoofd daar staat!

KONINGIN MARGARETHA. Heer, opgeruimd! de vijand is nabij;

Die weeke stemming maakt uw volgers zwak.

Gij zoudt uw kloeken zoon tot ridder slaan;

Ontbloot uw zwaard dus nu, en doe het hier.—

Kniel neder, Edward.

KONING HENDRIK. Edward Plantagenet, sta op als ridder;

En leer: trek voor het recht alleen het zwaard.

PRINS. Mijn vader, met uw koninklijk verlof,

Ik wil het als uw troonopvolger trekken,

En in dien strijd het voeren tot den dood.

CLIFFORD. Voorwaar, gesproken als een echte prins!

(Een Bode komt op.)

BODE. Doorluchte legerhoofden, weest bereid;

Want met een macht van dertigduizend man

Komt Warwick daar; hij steunt den hertog York,

En roept hem, in de steden, die hij doortrekt,

Tot koning uit, en velen vloeien toe;

Schaart fluks uw leger, want hij is nabij.

CLIFFORD. Ik wenschte, dat mijn vorst het veld verliet;

De koningin slaagt beter in uw afzijn.

KONINGIN MARGARETHA. Ja, heer, en laat ons aan de krijgskans over.

Koning Hendrik de Zesde · 第 121 / 165 题