WARWICK. Nu, beste lords, hoe gaat het? en wat nieuws? 96

RICHARD. O groote Warwick, zoo we ons rampvol nieuws

Verhalen moesten en bij ieder woord

Een dolk in ’t vleesch ons boren, tot aan ’t eind,

Der woorden pijn ware erger dan de wonden.

O dapp’re lord, de hertog York is dood.

EDWARD. O Warwick, Warwick! die Plantagenet,

Die u zoo lief had als zijn eigen ziel,

Is door den wreeden Clifford omgebracht.

WARWICK. Die tijding smoorde ik voor tien dagen reeds

In tranen, en kom thans uw wee vermeerd’ren,

Door ’t melden van wat verder is geschied.

Na ’t fel gevecht bij Wakefield, waar uw vader,

De wakk’re held, den laatsten adem uitblies,

Werd mij, zoo snel als boden ijlen konden,

Uw nederlaag bericht en zijn verscheiden.

Ik, die in Londen ’s konings hoeder was,

Hield monst’ring, bracht mij scharen vrienden saam,

En trok naar Sint-Albaans, ruim toegerust,

Zoo ’k meende, om daar de koningin te stuiten,

En nam tot zekerheid den koning meê;

Want mijn spionnen hadden mij gemeld,

Dat zij in ’t veld was met het vast besluit

Om ’t parlementsbesluit, aangaande uw erfrecht

En Hendriks eed, geheel te niet te doen.

Om kort te gaan, wij werden handgemeen

Te Sint-Albaans, en beiden vochten heftig;

Maar, of het nu des konings koelheid was,

Die zacht op zijn krijgshafte gade blikte,

Dat aan mijn volk zijn fellen moed ontnam;

Of het gerucht misschien van haar geluk;

Of ongewone vrees voor Clifford’s wreedheid,

Die „bloed en dood” tot zijn gevang’nen dondert,

Ik weet het niet;—maar, om met waarheid te einden,

Hùn vechten was een bliks’men met de wapens,

En onze slagen,—zacht als uilenwieken,

Of als eens luien dorschers vlegel, kwamen

Zij neer, als waren ’t vrienden, die zij troffen.

Ik vuurde de onzen aan met ons goed recht,

Beloften van hoog loon en rijken buit;—

Vergeefs, de moed ontbrak hun om te vechten,

En ons de hoop om zoo te zegevieren.

Zoo vloden wij, de koning tot zijn gade,

Wij,—George uw broeder, Norfolk en ikzelf,—

Spoorslags hierheen, om u thans te versterken,

Wijl ons bericht werd, dat ge in deze marken

Weer volk bijeenbracht voor een nieuwen strijd.

EDWARD. Waar, beste Warwick, is de hertog Norfolk?

En George, wanneer kwam hij uit Bourgondië?

WARWICK. Zes mijlen ver ligt Norfolk met de zijnen,

En George, uw broeder, werd door uwe moei,

Bourgondiës hertogin, hierheen gezonden

Met krijgers, die onze oorlog zeer behoeft.

RICHARD. Dat was wel overmacht, toen Warwick vlood; 148

Ik hoorde vaak hem prijzen voor ’t vervolgen,

Doch nooit voor nu zijn schande, dat hij week.

WARWICK. En nu ook is ’t geen schande, wat gij hoort;

Want gij zult zien, hoe deze sterke vuist

Den haarband rukt van ’t hoofd des zwakken Hendriks,

Den hoogen scepter uit de hand hem wringt,

Al waar’ hij in den krijg zoo kloek en roemrijk,

Als hij nu zacht en vreedzaam heet en vroom.

RICHARD. Ik weet het wel, lord Warwick; gisp mij niet;

Mijn ijver voor uw krijgsroem doet mij spreken.

Maar wat, wat doen we in dezen boozen tijd?

Naar huis gaan, onze maliënkolders uitdoen,

In zwarten rouw ons hullen, en met kralen

De Ave-Maria’s tellen, die wij bidden?

Of zullen we op der weerpartijders helmen

Onze’ eerdienst galmen doen met wrekersarmen?

Is dit uw keus, zegt „Ja”, lords, en vooruit!

WARWICK. Juist hiertoe heeft u Warwick opgespoord;

En hiertoe komt mijn broeder Montague.

Geeft acht, mylords. De drieste koningin

Heeft reeds, met Clifford en Northumberland

En and’re trotsche vogels van die veêren,

Den weeken koning omgekneed als was.

Bezworen werd door hem uw erfopvolging,

Zijn eed werd bij het parlement geboekt;

En nu is hun geheele troep naar Londen,

Om de’ eed en alles krachtloos te doen zijn,

Wat aan het huis van Lancaster kan schaden.

Hun macht is, meen ik, dertigduizend man;

Als nu de hulp van Norfolk en mijzelf

Met alle vrienden, wakk’re graaf van March,

Die gij in ’t trouwe Wales u kunt verschaffen,

Slechts vijfentwintig duizend man bedraagt,—

Welaan, naar Londen dan met alle macht,

Nog eens op nieuw het schuimend ros bestegen,

Nog eens den roep: „Vooruit, valt moedig aan!”

Maar nimmer weder omgekeerd ter vlucht!

RICHARD. Ja, nu hoor ik den grooten Warwick spreken.

Dat hèm de zon en ’s hemels licht ontvlied’,

Die „Wijken!” roept, als Warwick „Staat!” gebiedt.

EDWARD. Lord Warwick, op uw schouders wil ik leunen;

Als gij bezwijkt,—wat God verhoeden moog’!—

Moet Edward vallen;—keer dit af, gij Hemel!

WARWICK. Niet langer graaf van March, maar hertog York;

De rang, die volgt, is Englands hooge troon;

Tot Englands koning roepen wij u uit

In ieder marktvlek, waar de tocht ons heenvoert;

En wie zijn muts van vreugde niet omhoogwerpt,

Hij hebbe voor ’t vergrijp zijn hoofd verbeurd,

Vorst Edward, dapp’re Richard,—Montague,—

Op! thans niet langer slechts gedroomd van roem;

Steekt de trompetten, fluks ons werk begonnen!

RICHARD. Nu, Clifford, ware uw hart zoo hard als staal, 201

Gelijk ’t een steenen hart bleek door uw daden,

Ik zal ’t doorboren, of geef u het mijn.

EDWARD. Zoo roert de trommen! God nu en Sint George!

(Een Bode komt op.)

WARWICK. Wat meldt gij? spreek!

BODE. Mylord van Norfolk boodschapt u door mij:

De koningin rukt aan met groote macht;

Hij wenscht met u recht spoedig raad te plegen.

WARWICK. Een welkom nieuws; op, wakk’re krijgers, voorwaarts!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 120 / 165 题