RICHARD. Zeg, hoe hij stierf, want ik wil alle hooren. 49

BODE. Omsingeld was hij van des vijands benden

En wederstond hen, als eens Troje’s schuts

De Grieken, die in Troje wilden dringen.

Doch overmacht bedwingt zelfs Hercules,

En, zij de bijl ook klein, een tal van slagen

Houwt om en velt den sterksten, hardsten eik.

Een tal van handen overmande uw vader;

Doch hem vermoordde alleen de gramme hand

Des fellen Clifford’s, en der koningin.

Zij kroonde smaad’lijk de’ eedlen hertog, lachte

Hem uit in zijn gelaat, en toen hij weende,

Gaf hem de deernislooze koningin,

Opdat hij zich de wangen er mee wischte,

Een zakdoek, in het schuldloos bloed gedoopt

Des lieven Rutland’s, omgebracht door Clifford,

En na veel hoon en lagen, fellen spot

Nam men zijn hoofd, en heeft het op de poort

Van York gestoken, waar ’t nu blijven moet;

De grievendste aanblik, ooit door mij ontwaard!

EDWARD. Geliefde York, gij staf, waarop wij leunden!

Nu gij bezweekt, ontviel ons steun en stut!

O Clifford, felle Clifford! gij versloegt

De bloem der ridderschap van gansch Europa;

’t Was door verraad, dat gij hem overmocht;

Man tegen man had hij wis u verwonnen.

Nu is ’t paleis van mijne ziel een kerker;

O, brak zij uit en wierd zoo dit mijn lichaam

In de aarde nu ter eeuw’ge rust gelegd!

Want nimmer zal ik thans weer vreugde smaken;

Neen, nimmer, nimmermeer lacht vreugd mij toe!

RICHARD. Ik kan niet weenen; al mijns lichaams vochten

Bedwingen nauw den vuurgloed van mijn hart;

Mijn tong kan ’t harte niet van last ontheffen,

Want de adem, die tot spreken dienen moest,

Blaast kolen aan, die ’t hart mij blaken doen

Van vuur, dat tranen zouden willen blusschen.

Het weenen maakt den weedom minder diep;

Gunt kindren tranen; wraak en bloed wil ik!—

Richard, ik draag uw naam; ik wreek uw dood;

Of sterf, beroemd door ’t jagen naar dit doel!

EDWARD. De naam des dapp’ren hertogs bleef aan u;

Zijn hertogdom en stoel liet hij aan mij.

RICHARD. Nu, zijt gij ’t jong van dezen koningsarend,

Zoo toon uw bloed, en zie de zon in ’t aanzicht!

Zeg rijk en troon voor hertogdom en stoel;

Die twee zijn u, of gij waart nooit van hem.

(Een marsch. Warwick en Montague komen op, met hun troepen.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 119 / 165 题