EDWARD. Is ’t zinsbedrog, of zie ik daar drie zonnen? 25

RICHARD. Drie schitterzonnen, elk een gansche zon,

Niet door een woelend zwerk vaneen gescheiden,

Maar ieder vrij op ’t bleeke, lichte blauw.

Daar naad’ren, zie, daar kussen zij elkaar,

Als werd een eed van eeuw’ge trouw bezegeld;

Nu zijn zij, één, één lamp, één licht, één zon!

Dit is een voorbeduidsel aan den hemel!

EDWARD. Het is iets wondervreemds, iets nooit gehoords.

Ik denk, het roept ons, broeder, naar het veld,

Waar wij, de zoons van den krijgshaften York,

Schoon ieder stralend met ons eigen licht,

Tot één gloed saamgevloeid, vereenigd de aard

Bestralen moeten, als de zon ’t heelal.

Maar wat dit spellen moog’, ’k wil op mijn schild

Van dit uur af drie blonde zonnen voeren.

RICHARD. Met meisjestrekken wis; want,—gun de scherts mij,—

Ver boven mann’lijk gaat u vrouw’lijk schoon.

(Een Bode komt op.)

Maar wie zijt gij, wiens sombre blik verraadt,

Dat booze tijding op de tong u zweeft?

BODE. Ach, een, die diep ontsteld getuige was,

Hoe de eed’le hertog York verslagen werd,

Uw hooge vader, mijn beminde heer.

EDWARD. O zwijg! ik heb reeds al te veel gehoord.

Koning Hendrik de Zesde · 第 118 / 165 题