EERSTE TOONEEL.

Een vlakte bij Mortimer’s Kruis in Herefordshire.

Een marsch. Edward en Richard komen op, met hun troepen.

EDWARD. Hoe onze hooge vader mag ontsnapt zijn?

En of hij werk’lijk is ontsnapt of niet,

Aan Clifford’s en Northumberland’s vervolging?

Waar’ hij gevangen, dan waar ’t ons bekend;

Waar’ hij verslagen, dan waar ’t ons bekend;

Waar’ hij ontsnapt, mij dunkt, dan hadden wij

De blijde tijding zeker reeds vernomen.—

Hoe is ’t, mijn broeder? waarom zoo bedrukt?

RICHARD. Ik kan niet opgeruimd zijn, eer ik weet,

Wat onzen dapp’ren vader is bejegend.

Ik zag hem, hoe hij ’t bloedig veld doorzwierf,

Gaf acht, hoe hij uit allen Clifford uitlas.

Het was me, als hield hij huis in ’t dichtst gedrang,

Gelijk een leeuw doet in een kudde rund’ren,

Of als een beer, van honden gansch omringd,

Die enk’len met een klauwslag janken doet,

Zoodat de rest uit verre verte keft.

Zoo deed daar onze vader met den vijand;

Zoo vlood de vijand voor mijn dapp’ren vader;

Ik acht het roems genoeg zijn zoon te zijn.—

Zie, hoe de morgen ginds haar gouden poort

Ontsluit, den lichten zonnegod vaarwel zegt;

Hoe rijst hij als de glans der jeugd, getooid

Gelijk een knaap, die naar zijn liefste huppelt!

Koning Hendrik de Zesde · 第 117 / 165 题