Eene vlakte nabij slot Sandal.
Krijgsgedruisch. Schermutselingen. Rutland en zijn Leermeester komen
op.
RUTLAND. Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen?
Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt!
(Clifford komt op, met Soldaten).
CLIFFORD. Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven;
Maar hier dit jong van den vervloekten hertog,
Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven.
LEERMEESTER. Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn.
CLIFFORD. Soldaten, sleept hem weg.
LEERMEESTER. O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind,
En maak u niet gehaat bij God en menschen.
(Hij wordt door soldaten weggevoerd.)
CLIFFORD. Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees,
Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen.
RUTLAND. Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan,
Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt;
Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi,
Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!—
O, lieve lord, versla mij met uw zwaard,
En niet met zulk een wreeden, fellen blik.
O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf:
Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt;
Neem wraak op mannen, en laat mij het leven!
CLIFFORD. Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed
Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. 22
RUTLAND. Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen;
Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem.
CLIFFORD. Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven
En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg.
Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op,
Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen,
Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan.
Het zien van wien ook van het huis van York
Is als een furie, die het hart mij foltert;
En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb,
Geen leven sparend,—leef ik in de hel.
Daarom,—
RUTLAND. O laat mij bidden, eer de dood mij treft;—
Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford!
CLIFFORD. Die deernis, die de punt van ’t staal verleent.
RUTLAND. Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden?
CLIFFORD. Uw vader deed het wel.
RUTLAND. Vóór mijn geboorte.
Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil,
Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake
Verslagen word’, zoo jammervol als ik.
O, laat mij levenslang gevangen zijn,
En geef ik ooit u grond tot ergernis,
Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden.
CLIFFORD. Geen reden?
Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf.
(Hij doorsteekt hem.)
RUTLAND. Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.
(Hij sterft.)
CLIFFORD. Plantagenet! ik kom, Plantagenet!
Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft,
Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed
Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat.
(Clifford af.)