EDWARD. Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen.
MONTAGUE. Maar ik heb gronden van gewicht en kracht.
(York komt op.)
YORK. Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen?
Waarover hebt gij twist en hoe begon die?
EDWARD. Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd.
YORK. Waarom?
RICHARD. Om iets wat u, en ook ons allen aangaat:
De kroon van England, die aan u behoort.
YORK. Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is.
RICHARD. Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet.
EDWARD. Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu;
Laat gij de Lancasters op adem komen,
Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. 14
YORK. Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren.
EDWARD. Maar eeden mag men breken voor een kroon;
Ik brak er duizend om één jaar te heerschen.
RICHARD. Verhoede God, dat gij meineedig wierdt!
YORK. Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp.
RICHARD. ’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren.
YORK. Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk.
RICHARD. Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij
Een echte, wettige overheid hem afneemt,
Die over hem, die zweert, gezag bezit;
Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd;
Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,—
En dus, mylord, uw eed is nul en nietig.
Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader,
Hoe schoon het is, een diadeem te dragen,
Hoe in zijn omtrek een Elysium is,
En elk geluk en heil, dat dichters malen.
Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust,
Alvorens ik de witte roos, die ’k draag,
In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur.
YORK. Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.—
(Tot Montague) Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen;
Spoor Warwick tot deze onderneming aan.—
Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk,
En deel hem heim’lijk onze plannen mee.—
Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden,
Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan;
Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten,
Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed.
Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen,
Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan,
Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan,
Noch iemand van het huis van Lancaster?
(Een Bode komt op.)
Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast?
BODE. De koningin, met al de lords van ’t noorden,
Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren.
Zij rukt met twintigduizend man ginds aan;
Versterk daarom uw veste goed, mylord.
YORK. Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?—
Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;—
Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen,
En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren,
Die bij den koning als protectors bleven,
Met krachtig staatsbeleid zich te versterken,
Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend.
MONTAGUE. Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; 60
Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid.
(Montague af.)
(Sir John en Sir Hugo Mortimer komen op.)
YORK. Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer,
Gij komt te goeder ure in Sandal aan;
De macht der koningin wil ons beleeg’ren.
SIR JOHN MORTIMER. Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld.
YORK. Wat! met vijfduizend man?
RICHARD. Ja, vader, met vijfhonderd man des noods;
Een vrouw is generaal, wat is te duchten?
(Een marsch in de verte.)
EDWARD. Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend;
Naar buiten dan; den slag hun aangeboden!
YORK. Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht;
Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning.
In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen,
Waarin de vijand tien was tegen één;
Waarom zou ik niet even goed nu slagen?
(Alarmsignalen.—Allen af.)