VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte der vlakte.

Strijdgedruisch. York komt op.

YORK. De macht der koningin behoudt het veld:

Om mij te redden vielen beî mijn ooms;

Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten

Mijn volgers, snel als schepen voor den wind,

Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf.

Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer;

Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen,

Tot roem geboren, beide in dood en leven.

Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij,

En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!”

En even vaak kwam Edward mij op zijde,

Met purperroode kling, tot aan ’t gevest

Met zijner weerpartijders bloed geverfd;

En toen de meest geharde krijgers weken,

Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!”

Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf!

Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!”

Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach!

Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan

Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, 20

Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend.

(Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.)

Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen;

En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten;

En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden.

Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt;

’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten.

(Koningin Margaretha, Clifford, Northumberland, de jonge Prins van

Wales en Soldaten komen op.)

Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland,

Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede

Blaas ik hier aan tot feller razernij.

Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot.

NORTHUMBERLAND. Geef op genade u over, trotsche York.

CLIFFORD. Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm

Als afbetaling aan mijn vader schonk!

Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld

En deed het avond zijn op ’t middaguur.

YORK. Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel

Verwekken, die mij op u allen wreekt;

En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel,

En ik belach, wat gij mij aandoen kunt.

Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig?

CLIFFORD. Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards:

Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw;

Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven

Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht.

YORK. O Clifford, denk een oogenblik terug,

En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest,

En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan;

Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt,

Wiens booze blik u rillen deed en vluchten.

CLIFFORD. Ik wil niet woord voor woord u wedergeven,

Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een.

(Hij trekt zijn zwaard.)

KONINGIN MARGARETHA. Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen

Wil ik een poos des booswichts leven rekken.—

(Clifford dringt op York steeds aan.)

(Tot Northumberland.) Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland!

NORTHUMBERLAND. Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien 54

Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen.

Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt,

De hand te steken tusschen ’t scherp gebit,

Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen?

’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen;

Tien tegen een werpt op den moed geen smet.

(Soldaten grijpen York aan, die zich verzet.)

CLIFFORD. Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik.

NORTHUMBERLAND. Zoo trappelt het konijntje in het net.

(York wordt gevangen genomen.)

YORK. Zoo juub’len dieven om een goeden buit;

Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers.

NORTHUMBERLAND. Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen?

KONINGIN MARGARETHA. Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland,

Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man,

Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep,

Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.—

Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn,

Die in ons parlement den baas kwaamt spelen,

Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam?

Waar is uw viertal zoons om u te steunen?

De dartele Edward en de lachbek Clarence!

En waar het dapp’re kromme wangedrocht,

Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg

Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten?

En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland?

Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed,

Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards

Liet stroomen uit de borst van uwen knaap;

Indien uw oogen om hem schreien kunnen,

Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen.

(Zij werpt hem den doek toe.)

Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat

Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen.

Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York.

Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit,

Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt?

Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu;

Ik hoon u zoo, om razend u te maken;

Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’!

O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt;

York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!—

Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.—

Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op.

(Zij zet York een papieren kroon op het hoofd.)

Ja, nu ziet hij er als een koning uit!

Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam;

Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.—

Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet 99

Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak?

Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn,

Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had.

En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken,

Zijn slapen van den diadeem berooven,

Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots?

O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.—

Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd!

Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd!

CLIFFORD. Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader.

KONINGIN MARGARETHA. Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal.

YORK. Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven,

Wier tong meer gift heeft dan een addertand!

Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus

Te juub’len als een Amazone-snol

Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat!

Ware uw gelaat niet roerloos als een mom,

Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen,

Ik zou beproeven, trotsche koningin,

Een blos u aan te jagen, want te zeggen

Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg

Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet.

Uw vader draagt den koningstooi van Napels,

De twee Siciliën en Jeruzalem,

Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger;

Heeft u die arme vorst uw trots geleerd?

Maar, trotsche koningin, dit baat u niets,

Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar

Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.”

Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig;

Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan.

’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren;

Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel.

’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt;

Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend.

Van al wat goed is zijt gij afgekeerd,

Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons,

Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden.

O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld!

Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len,

Opdat de vader de oogen er mee wischte,

En toch het uitzicht hebben van een vrouw?

Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam,

Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos.

Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch.

Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil.

Want storm, die raast, blaast zware buien saam,

En als het razen luwt, dan komt de regen.

Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland,

En elke druppel schreeuwt om wraak op u,

Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw!

NORTHUMBERLAND. Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, 150

Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud.

YORK. Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig,

Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt;

Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar,

Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië.

Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen!

Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek,

En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg;

Hier, neem dien doek terug en pronk er mee;

(Hij werpt den doek terug.)

En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid,

Bij God, uw hoorders zullen tranen storten,

Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten,

En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”—

Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek,

(Hij werpt de papieren kroon neer.)

En vind, in uwen nood, denzelfden troost,

Als thans uw al te wreede hand mij biedt!—

Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!—

Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden!

NORTHUMBERLAND. Al had hij allen van mijn bloed geslacht,

Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen,

Nu ik dien diepen zielejammer zie.

KONINGIN MARGARETHA. Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland!

Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed;

Dit zal die weeke tranen ras u drogen.

CLIFFORD. Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood!

(Hij doorsteekt York.)

KONINGIN MARGARETHA. En dit voor ’t recht van onzen zachten koning!

(Zij doorsteekt York mede.)

YORK. Ontsluit uw hemelpoort, genadig God!

Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u.

(Hij sterft.)

KONINGIN MARGARETHA. Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York;

Zoo overblikke York zijn veste York.

(Trompetgeschal. Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 115 / 165 题