WARWICK. Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! 177

WESTMORELAND. Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik!

CLIFFORD. Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt!

WESTMORELAND. Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren.

NORTHUMBERLAND. Ik evenmin.

CLIFFORD. Kom, neef, dit plan de koningin gemeld!

WESTMORELAND. Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst,

In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft!

NORTHUMBERLAND. Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf

In boeien voor dit man-onteerend doen!

CLIFFORD. Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen,

Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht!

(Northumberland, Clifford en Westmoreland af.)

WARWICK. Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen!

EXETER. Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam.

KONING HENDRIK. Ach, Exeter!

WARWICK. Waarom dat zuchten, Heer?

KONING HENDRIK. Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon,

Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.—

Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik

De kroon voor eeuwig u en uwen erven;

Met dit beding, dat gij den eed hier doet,

Den burgerkrijg te staken en mij steeds,

Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren,

En noch door open krijg, noch door verraad

Te streven naar mijn val om zelf te heerschen.

YORK (van den troon stijgend). Dien eed doe ik volgaarne en zal hem

houden.

WARWICK. Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem!

KONING HENDRIK. Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons!

YORK. Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend.

EXETER. Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien!

(Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.)

YORK. Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel.

WARWICK. En ik zal Londen met mijn volk bezetten.

NORFOLK. En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk.

Koning Hendrik de Zesde · 第 110 / 165 题